De kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 25 maart 2026 een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van beide maatregelen voor de duur van een jaar, vanwege de aanhoudende bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en de noodzaak van continue begeleiding.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een verlenging van zes maanden, omdat zij nog bezig is met een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de vader. De vader stemde in met het verzoek en maakte zich zorgen over de toekomst van de minderjarige na haar meerderjarigheid.
De minderjarige gaf aan zich niet meer prettig te voelen op de huidige woongroep, maar erkent dat zij daar voorlopig moet blijven. De kinderrechter oordeelde dat de verlenging noodzakelijk is om uitvoering te geven aan het perspectiefbesluit dat de minderjarige niet meer thuis zal opgroeien. Gezien het lopende onderzoek en de instemming van de vader werd de verlenging beperkt tot zes maanden, tot 30 september 2026.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na de uitspraak.