De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de kinderrechter om een minderjarige voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De minderjarige woont bij haar vader, maar er zijn al langere tijd zorgen over haar welzijn, waaronder schoolverzuim, weglopen van huis en betrokkenheid bij strafbare feiten. Op 1 maart 2026 vond een explosie plaats bij het gezin thuis, waarna de woning werd gesloten en het gezin elders verbleef. De vader en het broertje zijn naar Egypte vertrokken, terwijl de minderjarige onvindbaar is sinds 8 april 2026.
De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulp niet heeft geleid tot verbetering. Daarom is voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk. Ook is het in het belang van de verzorging en opvoeding dat de minderjarige uit huis wordt geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor twee weken verleend, met de verwachting dat zij binnen die termijn wordt gevonden en kan worden geplaatst bij een jeugdhulpaanbieder.
De beslissing wordt direct uitvoerbaar verklaard en de verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden. De minderjarige, haar ouders en de Raad worden uitgenodigd hun mening te geven. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na de uitspraak.