Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3831

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C16-37544
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek voorzieningenrechter in huurgeschil kort geding

In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzieningenrechter die de hoofdzaak behandelde, een huurgeschil over een verouderd appartementencomplex met gebreken. Verzoeker stelde dat de voorzieningenrechter een negatieve indruk van hem had en daardoor niet onpartijdig zou zijn, onder meer vanwege opmerkingen over zijn manier van spreken en het feit dat hij kritisch werd bevraagd terwijl de wederpartij ongemoeid bleef.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de subjectieve en objectieve toets voor rechterlijke onpartijdigheid. Uit het proces-verbaal en de zitting bleek dat de voorzieningenrechter niet over het stemgeluid van verzoeker had geoordeeld, maar over diens communicatiestijl. De wrakingskamer constateerde dat de voorzieningenrechter binnen zijn regierol handelde door vragen te stellen, het debat te sturen en orde te bewaken, ook door verzoeker te onderbreken.

Hoewel de voorzieningenrechter enkele ongelukkige bewoordingen gebruikte, waaronder de kwalificatie dat de wijze van spreken van verzoeker 'niet normaal' zou zijn, achtte de wrakingskamer dit onvoldoende voor het aannemen van (de schijn van) vooringenomenheid. Kritische vragen en correcties van de rechter zijn onderdeel van een ordentelijke procesvoering en betekenen niet dat de rechter partij kiest.

De wrakingskamer concludeerde dat de feiten en omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzingen bevatten voor het schenden van de onpartijdigheid en wees het wrakingsverzoek af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/16/37544 HA RK 26/39
Beslissing van 9 april 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker]
wonende te [plaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. R.P. Groot (Kennemer Advocaten)
Het verzoek is gericht tegen:
mr. S.N. Schipper
hierna te noemen: de voorzieningenrechter

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de zitting van 5 maart 2026 inzake het bij deze rechtbank, team Handel, Kanton en Insolventie, aanhangige kort geding met zaak- en rolnummer 12048739 VV EXPL 26-3 (hierna te noemen: de hoofdzaak);
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van [verzoeker] van 6 maart 2026;
  • de schriftelijke reactie van de voorzieningenrechter van 9 maart 2026;
  • de zitting van de wrakingskamer van 26 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
[verzoeker], de voorzieningenrechter en de wederpartij in de hoofdzaak (Stichting Pré Wonen, hierna: Pré Wonen) zijn op de zitting van de wrakingskamer verschenen.
1.3.
De beslissing is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
[verzoeker] heeft (kort samengevat) het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De voorzieningenrechter heeft bij de mondelinge behandeling van de hoofdzaak de indruk gewekt een negatief oordeel te hebben over [verzoeker] als persoon, onder meer door te zeggen dat [verzoeker] ‘niet normaal klinkt’. Daardoor is bij [verzoeker] de vrees ontstaan dat zijn zaak niet eerlijk en onbevooroordeeld wordt behandeld. Dit blijkt volgens [verzoeker] ook uit de gang van zaken ter zitting: zijn standpunten werden kritisch bevraagd en hij werd telkens onderbroken, terwijl stellingen van Pré Wonen ongemoeid werden gelaten en als voldongen feiten werden geaccepteerd.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft niet in de wraking berust. Hij heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van de verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk, maar niet doorslaggevend.
3.2.
Voor zover het wrakingsverzoek is gegrond op de stelling dat de voorzieningenrechter zich heeft uitgelaten over de klank van de stem van [verzoeker], blijkt dat niet uit het proces-verbaal. De voorzieningenrechter heeft in zijn schriftelijke reactie en op de zitting van de wrakingskamer betwist dat het stemgeluid van [verzoeker] iets bij hem heeft getriggerd en toegelicht dat hij met zijn opmerkingen slechts heeft beoogd iets te zeggen over de wijze waarop [verzoeker], buiten zijn advocaat om, verbaal en non-verbaal op de stellingen van Pré Wonen reageerde en het woord voerde. De wrakingskamer heeft ter zitting geconstateerd dat het stemgeluid van [verzoeker] geenszins vreemd of anderszins opvallend is en zij stelt vast dat dat het proces-verbaal het standpunt van de voorzieningenrechter bevestigt dat het hem ging om de houding en de wijze van communiceren van [verzoeker], en niet om zijn stemgeluid als zodanig. Deze wrakingsgrond slaagt daarom niet.
3.3.
De wrakingskamer stelt bij de beoordeling van de overige wrakingsgronden voorop dat het de taak van de rechter is om op de zitting de goede procesorde te bewaken en regie te voeren. Dit houdt onder meer in dat het aan de rechter is om vragen te stellen en de behandeling van de zaak te sturen teneinde de voortgang van de zitting te bewaken en herhalingen te voorkomen. De rechter heeft in deze regierol een aanzienlijke vrijheid.
3.4.
Het gaat in de hoofdzaak om een huurgeschil. [verzoeker] huurt een woning in een verouderd appartementencomplex in [plaats] met diverse gebreken. [verzoeker] heeft een procedure bij de Huurcommissie gewonnen als gevolg waarvan hij huurprijsvermindering heeft gekregen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de voorzieningenrechter kritische vragen heeft gesteld over wat nu in déze zaak precies het voor een behandeling in kort geding vereiste spoedeisende belang is, mede met het oog op het geplande onderhoud. Pré Wonen heeft vervolgens een uitgebreide toelichting gegeven op het planmatig onderhoud dat eraan komt en de volgens haar in de communicatie en samenwerking met [verzoeker] ondervonden problemen. [verzoeker] heeft daarop uitgebreid gereageerd met daarbij verschillende voorbeelden over de keren dat hij, ondanks toezeggingen van Pré Wonen de gebreken te komen herstellen, voor niets thuis is gebleven. De voorzieningenrechter heeft [verzoeker] vervolgens onderbroken. De wrakingskamer is van oordeel dat dit tot de regierol van de rechter behoort en dat de voorzieningenrechter daarmee geen objectief gerechtvaardigd vermoeden van vooringenomenheid heeft gewekt. Daarbij neemt zij in aanmerking dat [verzoeker] met zijn uitgebreide reactie geen antwoord gaf op de vragen van de voorzieningenrechter over de vereiste spoedeisendheid.
3.5.
De voorzieningenrechter heeft bij zijn onderbreking opgemerkt dat hij dacht dat [verzoeker] ‘een redelijk voorbeeld’ gaf van hoe het in de communicatie met Pré Wonen gaat. De discussie heeft zich vervolgens verplaatst naar de wijze van communiceren van [verzoeker]. De voorzieningenrechter heeft [verzoeker] in dat verband aangesproken op de manier waarop hij de gemachtigde van Pré Wonen voorafgaand aan de zitting via e-mail heeft benaderd. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter opgemerkt dat ‘
de manier waarop [verzoeker] nu het woord voert niet normaal is’ en dat [verzoeker] ‘
ook een advocaat heeft die het woord voor hem zou kunnen voeren’. De voorzieningenrechter heeft toegelicht dat deze opmerkingen waren bedoeld ter bevordering van een ordelijk verloop van de zitting.
3.6.
De wrakingskamer is van oordeel dat de door de voorzieningenrechter gebruikte bewoordingen ongelukkig zijn, in het bijzonder de kwalificatie dat de wijze van spreken van [verzoeker] ‘niet normaal’ is. [verzoeker] heeft deze bewoordingen opgevat als een bevestiging van zijn eerdere negatieve ervaringen – met anderen – over zijn stem en de wijze waarop hij bij anderen overkomt. Dat maakt echter nog niet dat sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid. Daarbij neemt de wrakingskamer haar eigen constatering dat [verzoeker] ook op de zitting van de wrakingskamer heeft laten zien veel te willen vertellen over alles wat er gebeurd is in de afgelopen jaren in het contact met Pré Wonen en daarbij af en toe met stemverheffing te spreken in aanmerking. Het behoort tot de regietaak van de rechter om, juist als de gemoederen oplopen, de orde te bewaken en het debat terug te brengen naar de juridisch relevante vragen, zoals de vereiste spoedeisendheid. Het feit dat de voorzieningenrechter [verzoeker] enkele keren heeft gecorrigeerd en heeft aangesproken op zijn manier van communiceren, betekent niet dat hij vooringenomen is over de vraag of de vordering in de hoofdzaak wel of niet moet worden toegewezen.
3.7.
De omstandigheid dat de voorzieningenrechter ter zitting kritische vragen heeft gesteld aan [verzoeker] en hem heeft voorgehouden dat enkele door hem en zijn gemachtigde gestelde feitelijkheden ‘
niet waar’ zijn, maakt evenmin dat hij daarmee een objectief gerechtvaardigd vermoeden van vooringenomenheid heeft gewekt. Het behoort tot de taak van de rechter om de feiten in kaart te brengen. Wanneer een partij een stelling als feit presenteert terwijl het onderwerp van discussie is, al door de andere partij is weerlegd of niet met het dossier overeenkomt, staat het de rechter vrij dit aan de orde te stellen en hierop te wijzen, opdat een mogelijke verrassingsbeslissing wordt voorkomen. Dit betekent nog niet dat de rechter daarmee partij kiest.
3.8.
Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de voorzieningenrechter in de beleving van [verzoeker] alleen aan hem kritische vragen stelde en niet aan Pré Wonen. De gemachtigden van beide partijen zijn aan het begin van de zitting in de gelegenheid gesteld hun uitgebreide pleitnota’s voor te dragen en zo hun standpunten naar voren te brengen. Het is vervolgens de taak van de rechter om te beslissen over welke punten hij verdere vragen wil stellen en aan wie hij deze vragen wil stellen. Dat de rechter vooringenomen zou zijn, kan in zijn algemeenheid dan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de rechter bepaalde vragen wel of niet heeft gesteld, of de ene partij meer of kritischer heeft bevraagd dan de andere partij. Ook in dit geval ziet de wrakingskamer daarvoor geen aanleiding.
3.9.
De feiten en omstandigheden die [verzoeker] ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren gelet op het voorgaande en ook in onderlinge samenhang bezien geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. De wrakingskamer wijst het verzoek daarom af.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking van de voorzieningenrechter af;
4.2.
beveelt de griffier onverwijld aan [verzoeker], de voorzieningenrechter en Pré Wonen een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;
4.3.
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. J.L. Roubos en mr. M. Kraefft, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. L.G. de Grunt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.