Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3798

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
K/4101/11833346
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 2011/7/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot betaling resterende geldlening en rente

Partijen sloten een geldleningsovereenkomst waarbij SvB Invest B.V. een hypothecaire lening van €35.000 verstrekte aan gedaagde voor de aankoop van een appartementsrecht met parkeerplaats. De lening had een looptijd tot 1 augustus 2024 met een rente van €2.400 per jaar, te betalen in maandelijkse termijnen. Gedaagde betaalde maandelijks €200 en later €400, maar stelde dat deze betalingen aflossingen waren en dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat hij geen rente hoefde te betalen.

De kantonrechter oordeelde dat de betalingen uitsluitend rente betroffen, zoals vastgelegd in de hypotheekakte, en dat gedaagde onvoldoende onderbouwde dat er afwijkende afspraken waren gemaakt of dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een lagere rente of geen rente. De e-mail van de makelaar en de hypotheekakte bevestigden de renteverplichting. De vordering van SvB tot betaling van de resterende hoofdsom van €5.200 en wettelijke rente werd toegewezen.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende stelplicht over aanmaningsdatum en omdat gedaagde een consument is. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de resterende hoofdsom en rente conform hypotheekakte.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11833346 \ CV EXPL 25-2883 (NE)
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap SVB INVEST B.V.,
te Schiphol-Rijk,
eisende partij,
hierna te noemen: SvB Invest,
gemachtigde: S. Baldinger,
tegen
[gedaagde]
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 31 juli 2025
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025
- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft een appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van een parkeerplaats gekocht. Voor de aankoop heeft SvB op 31 oktober 2023 een hypothecaire geldlening verstrekt aan [gedaagde] van € 35.000,00.
2.2.
In de hypotheekakte van 31 oktober 2023 staat dat de geldlening is verstrekt voor een tijdsduur die eindigt op 1 augustus 2024 en dat daarvoor een rente is verschuldigd van
€ 2.400,00 per jaar, te betalen in maandelijkse termijnen bij achterafbetaling, voor het eerst op 28 juli 2023. Ook staat in de hypotheekakte dat [gedaagde] na het einde van de looptijd van de geldlening een rente is verschuldigd van € 4.800,00 per jaar. Verder staat in de hypotheekakte dat aflossing van de hoofdsom in één bedrag bij het einde van de looptijd plaatsvindt.
2.3.
Eerder, op 4 augustus 2023 heeft de makelaar van SvB onder andere per e-mail aan [gedaagde] laten weten dat het rentebedrag voor de geldlening € 150,00 per maand is.
2.4.
Op 8 november 2023 heeft [gedaagde] per Whatsapp aan de makelaar bericht dat hij er die dag achter is gekomen dat ‘de huur’ € 200,00 per maand is in plaats van € 150,00 per maand en vraagt of daar nog wat aan kan worden gedaan.
2.5.
[gedaagde] heeft maandelijks betalingen aan SvB gedaan van € 200,00.
2.6.
Op 24 september 2024 heeft SvB aan [gedaagde] laten weten dat de rente wordt verhoogd naar € 400,00 per maand. [gedaagde] heeft daarop geantwoord dat hij nu in de door SvB meegestuurde hypotheekakte de verdubbeling van € 200,00 naar € 400,00 ziet en hij de resterende € 200,00 zal overmaken. Ook heeft [gedaagde] gevraagd of hij nog een half jaar gebruik mag maken van de lening en dat hij dan € 400,00 per maand zal overmaken. Op 27 september 2024 heeft SvB geantwoord dat het geen probleem is om de lening te verlengen tot 31 maart 2025 met een maandelijkse vergoeding van € 400,00.
2.7.
Bij het einde van de looptijd van de geldlening heeft [gedaagde] € 29.800,00 betaald aan SvB.

3.Het geschil

3.1.
SvB vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.009,46, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van
€ 5.200,00, wettelijke rente van € 41,11 en buitengerechtelijke incassokosten van € 768,35 inclusief btw.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van SvB, met veroordeling van SvB in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
SvB stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] met de maandelijkse betalingen voldeed aan zijn rentebetalingsverplichting en dat met de betaling van € 29.800,00 aan het einde van de looptijd van de geldlening niet het volledige bedrag van de geldlening is afgelost. [gedaagde] betwist dat hij niet heeft voldaan aan zijn volledige betalingsverplichting. Volgens [gedaagde] heeft hij maandelijks afgelost op de geldlening en heeft hij het resteerde bedrag bij het einde van de looptijd van de geldlening betaald.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] maandelijkse betalingen van eerst
€ 200,00 en na een jaar van € 400,00 heeft gedaan aan SvB. Deze bedragen komen overeen met de in de hypotheekakte vermelde rentebedragen per maand. [gedaagde] stelt dat dit aflossingen waren en baseert dat op een telefonische mededeling van de makelaar van SvB dat ‘het geld toch naar hem toe zou komen’. Dit telefoongesprek, dat wordt betwist door SvB, zou hebben plaatsgevonden nadat [gedaagde] op 8 november 2023 aan de makelaar liet weten dat hij dacht dat een rente van € 150,00 per maand was overeengekomen maar er die dag achter was gekomen dat hij € 200,00 per maand aan rente moest betalen. De kantonrechter volgt het verweer van [gedaagde] niet en licht dit als volgt toe.
4.3.
Met zijn bericht van 8 november 2023 heeft [gedaagde] weliswaar onderbouwd dat hij ten onrechte uitging van een rente van € 150,00 per maand, maar in de overgelegde stukken ontbreekt een aanknopingspunt voor zijn standpunt dat de makelaar tegen hem heeft gezegd dat het geld toch naar hem toekwam. Echter, ook als de makelaar deze mededeling aan [gedaagde] heeft gedaan, kon [gedaagde] daar naar het oordeel van de kantonrechter niet gerechtvaardigd uit afleiden dat hij geen rente hoefde te betalen. Dat staat niet alleen volledig haaks op de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in de hypotheekakte, maar ook op de e-mail van 4 augustus 2023 van de makelaar waarin eveneens staat dat [gedaagde] voor de geldlening een rentebedrag moet betalen. Het is ook niet logisch dat de makelaar met die mededeling zou hebben bedoeld dat [gedaagde] helemaal geen rente (meer) hoefde te betalen. Daarbij komt dat als [gedaagde] daadwerkelijk ervan uitging dat hij geen rente hoefde te betalen, hij dat ook kenbaar had gemaakt toen SvB op 24 en 27 september 2024 aan hem liet weten dat de rente conform de hypotheekakte was verhoogd naar € 400,00. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Dat een van de hypotheekakte afwijkende afspraak is gemaakt dan wel dat [gedaagde] op grond van een mededeling van de makelaar er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij geen rente hoefde te betalen, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Aan dat verweer wordt daarom voorbij gegaan.
4.4.
[gedaagde] stelt zich ook op het standpunt dat een rentebedrag van € 150,00 per maand is overeengekomen in plaats van € 200,00. Volgens SvB daarentegen was de e-mail van de makelaar waarop [gedaagde] zicht beroept een indicatie van de rente en geen bindende afspraak en kan [gedaagde] daaraan geen rechten ontlenen. Ook als na de e-mail van de makelaar van 4 augustus 2023 geen communicatie is geweest over een hoger rentebedrag, wat wordt betwist door SvB, geldt dat [gedaagde] akkoord is gegaan met de inhoud van de hypotheekakte. [gedaagde] heeft volgens SvB de concept hypotheekakte op een eerder moment ontvangen en gelegenheid gehad deze door te nemen. [gedaagde] schrijft ook in een Whatsappbericht aan de makelaar dat hij er naar zal kijken en als hij vragen heeft, hij deze zal mailen. Daarna heeft de notaris de inhoud van de hypotheekakte met [gedaagde] besproken en daarbij de rentebedragen genoemd, aldus steeds SvB. Dat alles heeft [gedaagde] niet weersproken. De in de hypotheekakte vermelde afspraken, waaronder de hoogte van de rente, zijn duidelijk. Dat daarin een rentebedrag per jaar wordt genoemd, maakt dit niet anders. Dat [gedaagde] is uitgegaan van een ander rentebedrag kan hij dan ook niet tegenwerpen aan SvB.
4.5.
De conclusie is dat de gevorderde hoofdsom van € 5.200,00 zal worden toegewezen.
4.6.
SvB vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 april 2025 en heeft toegelicht dat [gedaagde] op die datum in verzuim is komen te verkeren. De gevorderde wettelijke rente tot de datum van dagvaarding van € 41,11 en de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van dagvaarding zullen worden toegewezen zoals hierna is vermeld.
4.7.
SvB vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. SvB heeft [gedaagde] tot betaling aangemaand. SvB heeft echter niet gesteld op welke datum de aanmaning door [gedaagde] op zijn laatst is ontvangen of op welke datum de aanmaning is verstuurd, zodat niet is voldaan aan de stelplicht. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
4.8.
Subsidiair vordert SvB € 40,00 aan "interne invorderingskosten" en beroept zich voor de verschuldigdheid hiervan op artikel 6:96 lid 1 BW Pro en artikel 6 lid 1 jo Pro. 2 van de Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties. Dit is een minimumbedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dat in ieder geval toewijsbaar is bij handelstransacties. [gedaagde] is echter een consument, zodat van een handelstransactie geen sprake is. Ook de subsidiair gevorderde incassokosten zullen daarom worden afgewezen.
4.9.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SvB Invest worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.527,21

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan SvB te betalen een bedrag van € 5.241,11, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 5.200,00, met ingang van 31 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.527,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.