Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3728

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/15/376561 / JU RK 26-550
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wegens vermoedens van eergerelateerd geweld

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 7 april 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van respectievelijk drie maanden en vier weken. Dit verzoek volgde op een melding van Veilig Thuis over verwurging van de minderjarige door haar vader, waarbij de minderjarige aangaf dat dit verband hield met haar gedrag en uiterlijk. Forensisch onderzoek bevestigde het letsel.

De vader erkende het slaan, kreeg een contactverbod van 90 dagen en werd aangehouden. De minderjarige verbleef tijdelijk op een noodbed, maar de ouders stemden niet langer in met deze opvang. De Raad achtte terugkeer naar huis of naar de oma van vaderszijde onveilig vanwege vermoedens van eergerelateerd geweld en eerdere geweldsincidenten binnen die familie.

De kinderrechter oordeelde dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd, waardoor voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Tevens werd een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om haar veiligheid en verzorging te waarborgen. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en een zitting gepland waarbij de minderjarige en belanghebbenden hun mening kunnen geven.

Uitkomst: De kinderrechter stelde de minderjarige voorlopig onder toezicht en machtigde een spoedige uithuisplaatsing vanwege vermoedens van eergerelateerd geweld door de vader.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/376561 / JU RK 26-550
Datum uitspraak: 7 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge verzoek van de Raad op 7 april 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 8 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar ouders.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie, mondeling ontvangen op 7 april 2026. Op 3 april 2026 kwam er een melding van Veilig Thuis (VT) dat [de minderjarige] letsel in haar nek heeft door verwurging. [de minderjarige] heeft aangegeven dat haar vader dit heeft gedaan, omdat zij in bed lag met een jongen en make-up droeg. Zij heeft toen gezegd dat ze door haar vader zou worden vermoord. [de minderjarige] is forensisch onderzocht en er is vastgesteld dat het letsel toegebracht is. [de minderjarige] heeft bij VT in detail verteld over de verwurging door haar vader. De politie heeft een vermoeden van eergerelateerd geweld. De vader is aangehouden door de politie. De vader heeft erkend dat hij [de minderjarige] heeft geslagen en verder een beroep op zijn zwijgrecht gedaan. Hij heeft een contactverbod van 90 dagen voor [de minderjarige] gekregen en is inmiddels teruggekeerd naar huis. [de minderjarige] is tot 7 april 2026 op een noodbed van Levvel geplaatst, waartegen de ouders zich niet hebben verzet. In het weekend is er contact tussen [de minderjarige] en haar moeder geweest. [de minderjarige] gaf van tevoren aan dat zij dat eigenlijk niet wilde, omdat ze bang was dat ze zich dan zou laten overhalen om weer terug naar huis of naar haar oma van vaderszijde (hierna: vz) te gaan. Het contact is er wel geweest en daarna kwam [de minderjarige] inderdaad terug op haar verhaal en gaf aan naar huis terug te willen of naar haar oma (vz). De Raad vindt het niet veilig voor [de minderjarige] om naar huis terug te gaan vanwege het vermoeden van eergerelateerd geweld door de vader. Ook de plek bij oma (vz) is niet veilig voor [de minderjarige] , omdat opa (vz) eerder geweld heeft gebruikt tegen het gezin van [de minderjarige] . De ouders van [de minderjarige] stemmen niet meer in met het noodbed voor [de minderjarige] .
4.2.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen, de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen en nader onderzoek te doen naar de thuissituatie van [de minderjarige] .
4.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, alsmede haar veiligheid, dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2]
4.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.6.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde zitting. [de minderjarige] zal opgeroepen worden voor een kindgesprek om haar in de gelegenheid te stellen haar mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 7 april 2026 tot 7 juli 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige], geboren op
[geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 april 2026 tot 5 mei 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. M.C.A. Onderwater op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.7.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, en op schrift gesteld en ondertekend door mr. S. Ok, kinderrechter op
8 april 2026 in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 Burgerlijk Pro Wetboek.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.