Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3629

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/15/370562 / FA RK 25-5197
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 16 lid 4 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:251b BWArt. 22 lid 2 Civil Registration Act 2004Art. 45 Status of Children Act 1987
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek moeder tot eenhoofdig gezag afgewezen wegens rechtsgevolg verhuizing kind naar Nederland

De moeder verzocht de rechtbank om een verklaring voor recht dat zij het eenhoofdig gezag heeft over haar minderjarige kind, dat na erkenning in het buitenland naar Nederland is verhuisd. De moeder stelde dat volgens Iers recht geen gezamenlijk gezag was ontstaan omdat niet aan de voorwaarden voor gezamenlijk gezag was voldaan.

De rechtbank stelde vast dat de vader het kind in het buitenland heeft erkend en als juridische vader op de geboorteakte staat vermeld. Volgens het Haags Kinderbeschermingsverdrag wordt het ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid beheerst door het recht van de gewone verblijfplaats van het kind. Op het moment van geboorte was dat het buitenland, maar na verhuizing naar Nederland geldt Nederlands recht.

Nederlands recht bepaalt dat bij een kind dat na erkenning in het buitenland in Nederland zijn gewone verblijfplaats krijgt, alsnog van rechtswege gezamenlijk gezag ontstaat. De rechtbank concludeerde dat de ouders gezamenlijk gezag hebben en wees het verzoek van de moeder af.

Uitkomst: Het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag wordt afgewezen omdat door de verhuizing van het kind naar Nederland van rechtswege gezamenlijk gezag is ontstaan.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/370562 / FA RK 25-5197
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 7 april 2026
in de zaak van:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. D. Klein, kantoorhoudende te IJmuiden,
tegen
[de vader],
wonende te [land] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek, met bijlagen, van de moeder van 7 oktober 2025.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 februari 2026 in aanwezigheid van de moeder bijgestaan door mr. D. Klein.
De vader is, hoewel opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben van een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] .
2.3.
De moeder is op 15 augustus 2024 met [de minderjarige] van [land] naar Nederland verhuisd.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder heeft verzocht voor recht te verklaren dat zij als enige het ouderlijk gezag heeft over [de minderjarige] .
3.2.
De moeder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij vanaf de geboorte van [de minderjarige] tot 15 augustus 2024 met [de minderjarige] in [land] heeft gewoond, en daarna met [de minderjarige] naar Nederland is verhuisd. Het Ierse recht is daarom van toepassing op de vraag of gezamenlijk gezag tot stand is gekomen. In [land] krijgt de vader alleen gezamenlijk gezag als hij op het moment van geboorte getrouwd is met de moeder, of na 18 januari 2016 op het geboortecertificaat wordt vermeldt én heeft samengewoond met de moeder gedurende een minimale periode van twaalf maanden, waarvan ten minste drie na de geboorte van hun kind. Dit is opgenomen in de Children and Family Relationships Acts 2015. Van deze cumulatieve omstandigheden is geen sprake.
3.3.
De vader heeft middels een emailbericht op 11 februari 2026 laten weten het niet eens te zijn met de moeder en dat hij de vader is van [de minderjarige] en van mening is dat hij wel het gezag over hun dochter heeft.

4.De beoordeling

Erkenning
4.1.
Indien een kind buiten huwelijk wordt geboren, geldt naar Iers recht geen vermoeden van vaderschap. De vader kan het kind evenwel erkennen, waardoor de vader als zodanig wordt geregistreerd op de geboorteakte. Indien de vader als zodanig op de geboorteakte is geregistreerd, dan wordt een vermoeden van vaderschap aangenomen. De vader geregistreerd op de geboorteakte wordt dan vermoed de juridische vader te zijn.
Op grond van artikel 22 lid 2 Civil Pro Registration Act 2004 kan de vader op de geboorteakte worden geregistreerd a) op gezamenlijk verzoek van beide ouders, b) op verzoek van de moeder met een beëdigde verklaring met betrekking tot de identiteit van de vader en een verklaring van erkenning van de vader, c) op verzoek van de vader waarbij hij een verklaring van erkenning overlegt en een beëdigde verklaring van toestemming van de moeder of d) op verzoek van de vader of moeder met een gerechtelijke uitspraak op grond van artikel 45 Status Pro of Children Act 1987.
4.2.
In de onderhavige kwestie volgt uit de geboorteakte dat erkenning van het kind door de vader heeft plaatsgevonden en dat de vader op gezamenlijk verzoek van de ouders is geregistreerd op de geboorteakte. Bij ‘informants’ zijn immers beide ouders opgenomen en zij hebben beiden de geboorteakte ondertekend. Uit de geboorteakte mag dan ook worden afgeleid dat de man de minderjarige heeft erkend en dat hij de juridische vader is van de minderjarige.
Gezag
4.3.
Op grond van artikel 16 lid 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV) wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Op het tijdstip van geboorte had de minderjarige haar gewone verblijfplaats in [land] .
Naar Iers recht verkrijgt een vader, die niet is gehuwd met de moeder, op grond van artikel 6B(3) Guardianship of Infants Act 1964, zoals gewijzigd bij de Children and Family Relationships Act 2015 van rechtswege (mede) het gezag over het kind, indien hij twaalf opeenvolgende maanden met de moeder heeft samengewoond, waarvan ten minste drie maanden met de moeder en het kind na de geboorte van het kind. Over deze termijn dient overeenstemming te bestaan.
Indien niet van rechtswege gezag ontstaat ten behoeve van de ongehuwde vader, dan kunnen de ouders op gezamenlijk verzoek een beëdigde verklaring ondertekenen dat de vader (mede) het gezag zal uitoefenen over het kind ten overstaan van een vredesrechter of beëdigd ambtenaar.
4.4.
Nu door de moeder wordt betwist dat aan de voorwaarden wordt voldaan om van rechtswege gezamenlijk het gezag over het kind te krijgen en de ouders volgens de door haar geschetste omstandigheden korter dan een jaar hebben samengewoond, kan niet worden aangenomen dat de vader van rechtswege (mede) het gezag over het kind heeft gekregen.
Voorts is niet gebleken dat de vader met het gezag over het kind is belast door middel van ondertekening van de hiervoor genoemde beëdigde verklaring. De moeder heeft hierover verklaard dat de ouders geen handelingen hebben verricht om het gezamenlijke gezag over [de minderjarige] te verkrijgen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de moeder op het moment van de verhuizing naar Nederland met [de minderjarige] het eenhoofdig gezag over haar had.
Verhuizing naar Nederland
4.5.
Na de verhuizing naar Nederland geldt artikel 16 lid 4 HKBV Pro: indien de gewone verblijfplaats van het kind wordt verplaatst, wordt het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst door het recht van de staat van de nieuwe gewone verblijfplaats.
Gelet op het gegeven dat het kind nu haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, wordt het van rechtswege ontstaan van gezag beheerst door Nederlands recht (art. 1:251b BW).
In de Kamerstukken II 2020/21, 34605, nr. 9, p. 22-23 wordt aandacht gegeven aan de internationaal privaatrechtelijke aspecten van deze wettelijke bepaling. Daaruit volgt dat wanneer een kind na erkenning in het buitenland in Nederland zijn gewone verblijfplaats krijgt, in een situatie van eenoudergezag alsnog van rechtswege gezamenlijk gezag ontstaat over een reeds erkend kind.
4.6.
Voor kinderen die vanaf 1 januari 2023 zijn erkend, geldt dat de erkennende ouder automatisch ook gezag krijgt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de ouders gezamenlijk het gezag hebben over [de minderjarige] . Het verzoek van de moeder wordt daarom afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.A Onderwater, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.J. van Schie als griffier en in het openbaar uitgesproken op
7 april 2026
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.