Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3619

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
K/4101/11851163
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:96 lid 4 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens niet-afgeronde verbouwingswerkzaamheden door gedaagde

In deze civiele zaak staat centraal of eiser aansprakelijk is voor schadevergoeding wegens ondeugdelijk uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden aan de woning van gedaagde. Eiser voerde de werkzaamheden uit op basis van een aannemingsovereenkomst, maar gedaagde stopte het werk en schakelde een derde partij in om het af te maken.

De kantonrechter stelt vast dat het werk niet was afgerond en dat gedaagde eiser niet de kans heeft gegeven om gebreken te herstellen. De ingebrekestelling was pas na het inschakelen van de derde partij verzonden, waardoor geen sprake is van verzuim van eiser. De vordering tot vervangende schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

De tegenvordering van eiser, bestaande uit onbetaalde facturen en een schadevergoeding voor verloren gereedschap, wordt deels toegewezen. De kantonrechter wijst de vordering voor het gereedschap af wegens onvoldoende onderbouwing, maar kent een bedrag toe voor onbetaalde facturen en een beperkte vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. Het verstekvonnis wordt vernietigd en de oorspronkelijke vordering afgewezen.

Uitkomst: De oorspronkelijke vordering wordt afgewezen, de tegenvordering deels toegewezen en het verstekvonnis vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11851163 \ CV EXPL 25-3013 (rvk)
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij in het verzet, oorspronkelijk gedaagde partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.M. Verbrugge,
[toevoegingsnr.: [nummer] ]
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [naam 1]
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in het verzet, oorspronkelijk eisende partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.E. Smink,

1.De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om de vraag of [eiser] een schadevergoeding moet betalen aan [gedaagde] omdat [eiser] de opgedragen verbouwingswerkzaamheden aan de woning van [gedaagde] niet goed heeft uitgevoerd. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] geen schadevergoeding hoeft te betalen omdat [gedaagde] , zonder dat hij [eiser] in de gelegenheid heeft gesteld de werkzaamheden af te ronden, een derde partij de werkzaamheden heeft laten afronden.
De tegenvordering van [eiser] wordt gedeeltelijk toegewezen.

2.De procedure

2.1.
[gedaagde] heeft met een dagvaarding van 31 januari 2025 een vordering ingesteld tegen [eiser] . De zaak is aanhangig gemaakt bij de kantonrechter te Amsterdam. [eiser] is niet verschenen, waarna [eiser] bij verstekvonnis van 1 april 2025 is veroordeeld.
2.2.
Met een dagvaarding van 12 mei 2025 is [eiser] in verzet gekomen van dat verstekvonnis.
2.3.
In een vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 7 augustus 2025 is de zaak, nadat partijen zich over de bevoegdheid van de kantonrechter Amsterdam hebben uitgelaten, verwezen naar de kantonrechter Alkmaar.
2.4.
Op 30 januari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] en [gedaagde] hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. [gedaagde] heeft op de zitting zijn eis verminderd. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] bij brief van 19 januari 2026 nog stukken toegezonden.

3.De feiten

3.1.
Op 6 februari 2023 is tussen [gedaagde] en [eiser] een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. [eiser] zou voor [gedaagde] het dak vervangen van de uitbouw en daarin een dakraam plaatsen ter vervanging van de lichtkoepel. [eiser] zou daarvoor per gewerkt uur betaald worden en [gedaagde] zou het materiaal vergoeden.
3.2.
[eiser] is eind september 2023 gestart met de werkzaamheden.
3.3.
[gedaagde] heeft in een Whatsapp-bericht van 1 oktober 2023 geschreven dat het een tegenvaller is dat ‘het totaalbedrag twee keer zo hoog uitvalt als verwacht.’
3.4.
Op 8 oktober 2023 schrijft [gedaagde] in een e-mail dat hij met het project wil stoppen omdat hij ‘het overzicht op de financiën kwijt is’ en omdat ‘de kosten de offerte al ver hebben overschreden’. [gedaagde] doet daarbij een voorstel om de zaak financieel af te ronden.
3.5.
Als [eiser] op 9 oktober 2023 bij [gedaagde] langskomt om zijn gereedschap op te halen, komt het tot een gesprek waarbij besloten wordt het werk voort te zetten. [eiser] heeft op 10 oktober 2023 het werk hervat en hij heeft in een e-mail van diezelfde dag gevraagd om betaling van de factuur van € 3.669,66.
3.6.
[gedaagde] heeft eveneens diezelfde dag in een e-mail het volgende geantwoord:
‘Allereerst zijn we blij dat we onze samenwerking kunnen voortzetten en we hopen van harte dat we de klus tot een goed einde kunnen brengen, met een goed gevoel voor iedereen.
Wij willen je het volgende voorstellen:
We betalen vandaag het bedrag van 3669,66 minus de 900 arbeidskosten voor plaatsen glas. Dat is 2769,66.
Zodra het glas geplaatst is, betalen we de arbeidskosten.
We zouden graag voordatje de offerte voor het plafond/binnenwerk definitief maakt, eerst een gesprekje met je willen hebben met de architect erbij. Over de steunbalken. Dit hoeft niet lang te duren. (…)’
3.7.
Hierna hebben [gedaagde] en [eiser] gesproken over eventuele garanties op de werkzaamheden en de voortgang van het werk en de invloed van de vele regenval daarop.
3.8.
In een Whatsapp-bericht van 5 november 2023 schrijft [gedaagde] :
‘(…) we hebben besloten het werk voor nu stop te zetten. (…) Ik wil deze week een onafhankelijke bouwinspecteur laten kijken en afhankelijk van wat hij zegt besluiten we of we doorgaan, hoe en wanneer. Ik zal jou zeggen wanneer dat is zodat je erbij kan zijn.’
3.9.
[gedaagde] heeft op 10 november 2023 een bouwkundig onderzoek laten uitvoeren. [eiser] was bij dit onderzoek aanwezig. In het rapport van de deskundige (van 14 november 2023) staat de volgende conclusie:
‘Op het moment van mijn opname is er geen actieve lekkage zichtbaar, wel zijn er sporen van lekkage zichtbaar. In de afgelopen dagen na mijn opname is er volgens opgaaf weer actieve lekkage.
De verbouwing van de aanbouw moet aan een aantal eisen voldoen en aan goed en deugdelijk werk. Beide worden hier niet gehaald. Er is al lange tijd actieve lekkage wat zelfs zonder het leveren en monteren van het daklicht te voorkomen is.
De constructie van de dakconstructie is op zijn zachtst gezegd bijzonder te noemen en zeker niet duurzaam gemaakt. Volgens opgaaf van de aannemer is het dakbeschot blijven zitten en is er op het dakbeschot een laag van 4 cm PIR plaat aangebracht en daarop een kleine afmeting balken en watervast plaatmateriaal. Hierover is een dampopen folie gelegd met een laag EPDM wat nu alles afdekt. Gelet de constante regen op dit moment is er door mij voor gekozen het niet los te laten halen.
De aannemer geeft aan dat hij hier niets meer doet. De aannemer wil zijn geld en levert dan het daklicht. Op mijn verzoek heeft de aannemer een foto gestuurd van het frame wat gelast is gemaakt bij [naam 2] in [plaats 3] . Het licht daar blijkbaar al heel lang in weer en wind en is aan het roesten. Het frame wordt deze week nog in de primer gezet en gespoten. Van de foto af beoordelen wij dit frame als niet bruikbaar op dit dak zoals aangetroffen.
Het werk is verre van deugdelijk uitgevoerd en zal door een ander aannemer moeten worden hersteld. Dit betekend dat alles gesloopt moet worden en opnieuw opgebouwd moet worden. Daarbij adviseren wij om de aannemer in gebreke te stellen en uw rechtsbijstand op de hoogte te brengen of een advocaat in te huren. Deze willen een BouwGebreken Onderzoek (BGO) met daarin beantwoording van vragen en kostenramingen van het aangebrachte en nog uit te voeren werk. Een ander weg is de aannemer zijn gewerkte uren betalen en afscheid te nemen.’
3.10.
In een e-mail van 14 november 2023 schrijft [eiser] het volgende:
“Ik heb de levering van het glas en het frame op donderdag as staan. De plaatsings en leverings kosten van het frame en het glas is € 150,00.
Als jij de openstaande facturen zijnde € 900,00 minus € 150,00 en week 44 betaald dan kom ik het frame en het glas donderdag as brengen.
Het totaal bedrag komt dan op € 169743.
Het totaal bedrag moet dan voor donderdag op mijn rekening staan.
Ik wil wel zeker weten of je hier mee akkoord gaat want de afspraak staat in de agenda van de glashandel. Gaat het niet door dan moet ik de afspraak tijdig afzeggen.”
3.11.
[gedaagde] heeft op de e-mail van [gedaagde] als volgt gereageerd:
‘Ik ga hier niet mee akkoord.
De openstaande rekening van 900 zijn de arbeidskosten voor plaatsing van het glas.
Deze ga ik niet betalen.
Ik wacht op het rapport van de bouwinspecteur, voordat ik beslis wat ik verder doe.
De afspraak van donderdag kun je dus afzeggen.’
3.12.
[eiser] heeft vervolgens in een WhatsApp-bericht het volgende geschreven:
“Waar staat het dat de plaatsing kosten 900 Euro zijn. Helemaal nergens dat heb je zelf verzonnen. Je zou als het glas kwam die 900 Euro betalen. Niet meer niet minder. Het frame was 4750 Euro inclusief glas en plaatsingskosten. Nergens staan de kosten apart gespecificeerd. Je geloofd toch zelf niet dat het plaatsen van het frame en het glas 900 Euro kost. Dat is het frame erop schoeven band rondom het glas en afkitten en het vervoer. Dat kost geen 900 Euro. Ik zeg de afspraak van donderdag af. Maar ik wil dit voor volgende week geregeld hebben. Zoniet dan regel je zelf maar een nieuw frame en nieuw glas.”
3.13.
In een brief van 16 november 2023 aan [eiser] schrijft [gedaagde] dat hij hem in gebreke stelt:
‘Op 6 februari 2023 heb ik met u een overeenkomst gesloten voor het repareren van het dak van mijn uitbouw, timmer en schilderwerkzaamheden binnen en buiten, en het plaatsen van een dakraam.
Helaas bent u onze afspraken niet (volledig) nagekomen. Ik heb de volgende klachten:
De werkzaamheden duren veel langer dan afgesproken.
Er is geen transparantie over de voortgang van de werkzaamheden.
Er is langere tijd actieve lekkage die nog steeds voortduurt.
De dakconstructie is niet duurzaam en niet deugdelijk gemaakt.
Er is geen transparantie over de inkoop en kwaliteit van materialen.
Ik heb betaald voor een frame en glas die na twee maanden nog niet geleverd zijn. Het vorige week op een foto getoonde frame blijkt van onvoldoende kwaliteit en niet geschikt voor het dak.
Met deze brief stel ik u in gebreke.
U krijgt een laatste kans om uw afspraken na te komen
Ik verzoek u vriendelijk om alsnog binnen twee weken na de datum van deze brief de bovengenoemde verplichting na te komen. Dat betekent dat de dakconstructie gesloopt moet worden en opnieuw gemaakt moet worden. Er moet een geschikt en kwalitatief goed frame met dito glas geplaatst worden. Tijdens de werkzaamheden mag er geen lekkage plaatsvinden. Alle herstelkosten, inclusief materiaalkosten zijn voor uw rekening. Een deskundig persoon zal voor mij toezicht houden op uw werkzaamheden.
Wanneer u dit niet doet, bent u in verzuim, In dat geval behoud ik mij het recht voor om juridische stappen te nemen en stel ik u nu alvast aansprakelijk voor alle schade die ik heb geleden en nog zal lijden, vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente. (…)’
3.14.
Op 4 december 2023 heeft [gedaagde] opnieuw een bouwkundig onderzoek laten uitvoeren. [eiser] is niet uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn. De deskundige heeft op 6 februari 2024 een rapport uitgebracht. In dat rapport schrijft de deskundige dat bij het aanbrengen van een groter daklicht de constructie daarop aangepast dient te worden en dat er een doorrekening door een constructeur dient plaats te vinden. Volgens de deskundige is er ondeskundig gehandeld waardoor een gevaarlijke situatie (gevaar voor instorting) kan ontstaan als het daklicht uiteindelijk geplaatst wordt en dat komt doordat de nieuwe balken te weinig samenhang hebben met de dragende onderdelen van de gevel en de stalen balk boven de schuifpui. De constructeur schrijft ook dat er nieuwe EPDM dakbedekking moet worden aangebracht en dat er op 27 november 2023 een offerte is uitgebracht voor de herstelwerkzaamheden, met een marktconform bedrag van € 16.773,02 inclusief btw.
3.15.
[gedaagde] heeft een andere aannemer, [naam 3] , werkzaamheden laten uitvoeren. [naam 3] heeft hiervoor een factuur van € 17.502,65 aan [gedaagde] gestuurd.
3.16.
Op 14 juni 2024 schrijft [gedaagde] in een brief dat hij de overeenkomst met betrekking tot de koop van het dakraam wil ontbinden en hij verzoekt om terugbetaling van het daarmee gemoeide bedrag van € 3.850,-. Ook schrijft [gedaagde] dat [eiser] in de gelegenheid is gesteld om tot herstel over te gaan maar daar niet toe is overgegaan en dat [gedaagde] gelet op de ernst van de gebreken en de opmerking van [eiser] van 10 november 2023 ‘dat hij niets meer zou doen’ genoodzaakt was het herstel door een derde te laten uitvoeren.
3.17.
Op 2 juli 2024 schrijft [gedaagde] nogmaals dat hij er van mocht uitgaan dat [eiser] niet meer tot herstel zou overgaan en dat hij op basis van de bouwkundige rapportage, mede gelet op de hevige wateroverlast het herstel met spoed door een andere aannemer mocht laten verrichten. [gedaagde] schrijft verder dat hij de herstelkosten in rechte zal vorderen en dat [eiser] daarvoor een dagvaarding kan verwachten.

4.Het geschil

4.1.
[gedaagde] heeft bij inleidende dagvaarding van 31 januari 2025, betaling gevorderd van € 23.501,65 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2024 en € 2.225,17 aan buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] op grond van de overeenkomst van aanneming van werk gehouden is het werk deugdelijk uit te voeren. Het werk is echter niet deugdelijk uitgevoerd en er is sprake van een onveilige situatie. Omdat [eiser] ondanks dat hem een redelijke termijn is gegund, niet tot herstel van de gebreken is overgegaan en zelfs heeft verklaard geen werkzaamheden meer voor [gedaagde] te willen verrichten, verkeert [eiser] vanaf 10 november 2023 in verzuim. [gedaagde] was gelet op de onveilige situatie in een noodsituatie beland een heeft met grote spoed begin 2024 herstelwerkzaamheden moeten laten verrichten. [gedaagde] heeft vervolgens in een brief van 14 juni 2024 laten weten niet langer prijs te stellen op nakoming en de vordering omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.
Deze schadevergoeding begroot [gedaagde] op de kosten van herstel van € 17.502,65.
4.2.
Verder was [eiser] op grond van een koopovereenkomst gehouden een deugdelijk frame voor het dakraam te leveren. Het frame is echter niet geschikt voor de woning en is uiteindelijk ook nooit geleverd. [gedaagde] was daarom bevoegd de overeenkomst te ontbinden en [eiser] dient de koopprijs van € 4.850,- terug te betalen.
4.3.
[eiser] is ook de kosten voor het vaststellen van de schade en aansprakelijkheid verschuldigd. Deze kosten worden begroot op € 1.149,- en bestaan uit de expertisekosten.
4.4.
Omdat [eiser] ondanks betalingsverzoeken en sommaties niet is overgegaan tot betaling, heeft [gedaagde] zijn incassogemachtigde ingeschakeld en maakt hij aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.225,17.
4.5.
[eiser] is de wettelijke rente over de hoofdsom verschuldigd vanaf 28 juni 2024.
4.6.
[eiser] is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde. Ook de nevenvorderingen zijn toegewezen.
4.7.
[eiser] vordert, in de verzetdagvaarding, ontheffing van de veroordeling en afwijzing van de oorspronkelijke vordering. Daartoe voert [eiser] aan dat er geen sprake is van ondeugdelijk werk. Die conclusie kan hoe dan ook niet getrokken worden omdat het werk nog helemaal niet gereed was. Het dak van de aanbouw was nog niet dicht en de constructie was nog niet gereed. [gedaagde] heeft bovendien zelf de overeenkomst opgezegd en daarmee [eiser] de mogelijkheid ontnomen om het werk af te maken of eventuele gebreken te herstellen.
4.8.
Ook het frame van het dakraam was niet ondeugdelijk en [eiser] is op dit punt niet in gebreke gesteld. [gedaagde] was daarom niet bevoegd de overeenkomst met betrekking tot het dakraam te ontbinden en [eiser] is niet gehouden om het bedrag van € 4.850,- terug te betalen.
4.9.
[eiser] is evenmin gehouden de expertisekosten te vergoeden. Hij is bovendien niet uitgenodigd aanwezig te zijn bij de onderzoeken of vragen te stellen aan de deskundige of commentaar te geven.

5.De tegenvordering

5.1.
[eiser] heeft bij de verzetdagvaarding ook een tegenvordering ingesteld. [eiser] vordert betaling van € 3.596,44. [eiser] stelt daartoe dat [gedaagde] ten onrechte een bedrag van € 900,- heeft ingehouden op het verschuldigde bedrag van € 3.669,66 (werkzaamheden september en oktober 2023) en dat [gedaagde] ook de factuur van 3 november 2023 van € 947,43 niet heeft betaald. Verder heeft [gedaagde] gereedschappen en materialen van [eiser] verloren laten gaan door deze onvoldoende afgedekt en beschermd buiten in de regen te zetten. De waarde van de gereedschappen en materialen bedraagt € 1.749,01 en [gedaagde] dient dit te vergoeden. [eiser] heeft buitengerechtelijke werkzaamheden moet verrichten om en hij maakt daarom aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 484,-.
5.2.
[gedaagde] betwist de tegenvordering. [gedaagde] stelt daartoe dat hij het bedrag van € 900,- dat hij heeft ingehouden, niet hoeft te betalen, omdat dit bedrag betrekking heeft op de arbeidskosten voor het plaatsen van het dakraam. Het dakraam is niet geplaatst en dus zijn de arbeidskosten ook niet verschuldigd.
5.3.
[gedaagde] erkent dat hij de factuur van € 947,43 van 3 november 2023 voor materialen en werkzaamheden over week 44 verschuldigd is, maar dit bedrag is door [gedaagde] verrekend.
5.4.
[gedaagde] betwist dat hij een schadevergoeding voor het gereedschap van [eiser] moet betalen. [gedaagde] heeft het gereedschap uit de schuur gehaald en in de tuin gezet en zo goed als mogelijk afgedekt tegen de regen. [eiser] heeft bovendien niet met bewijsstukken onderbouwd dat het gereedschap daadwerkelijk is beschadigd en dat er causaal verband is. Verder ontbreekt een betrouwbare en deugdelijke waardering van de schade.

6.De beoordeling

de vordering
vooraf
6.1.
De zaak is gelet op de woonplaats van [eiser] , [plaats 1] , in de [gemeente] , met een vonnis van de kantonrechter te Amsterdam verwezen om verder behandeld te worden door de kantonrechter te Alkmaar. De kantonrechter te Alkmaar is aan die verwijzing gebonden.
6.2.
[gedaagde] heeft, gelijktijdig met zijn reactie op het bevoegdheidsverweer, zijn eis gewijzigd tot betaling van € 23.501,65 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2024 tot de dag van betaling en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 1.010,01. [gedaagde] heeft, voor zover de vordering door het oplopen van de wettelijke rente de competentiegrens van de kantonrechter van € 25.000,- overschrijdt, zijn vordering beperkt tot maximaal € 25.000,-. [gedaagde] heeft op de zitting zijn vordering nogmaals verminderd met een bedrag van € 4.850,- en daarbij gezegd dat dit gaat om de gevorderde ‘terugbetaling uit hoofde van ontbinding’. De kantonrechter zal de vordering van [gedaagde] , gelet op deze eisverminderingen en de toelichting daarop, zo opvatten dat [gedaagde] nog vordert de vervangende schadevergoeding van € 17.502,65, de expertisekosten van € 1.149,-, de wettelijke rente over voorgaande bedragen vanaf 28 juni 2024 en de buitengerechtelijke kosten van € 1.010,01.
6.3.
Verder is tussen partijen niet in geschil dat het verzet tijdig is ingesteld.
6.4.
Partijen zijn het er ook over eens dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst niet is opgetreden in de hoedanigheid van consument, maar heeft gehandeld in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
inhoudelijk
6.5.
Beoordeeld moet worden of [eiser] veroordeeld moet worden om een vervangende schadevergoeding van € 17.502,65 te betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet zo is. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
6.6.
[gedaagde] stelt dat [eiser] het afgesproken werk niet deugdelijk heeft uitgevoerd en dat hij in de gelegenheid is gesteld de gebreken te herstellen, maar dat [eiser] op 10 november 2023 heeft gezegd ‘niet meer te komen werken, ook al word ik betaald’. Gelet op die mededeling mocht [gedaagde] overgaan tot het inschakelen van een derde, een andere aannemer, om de gebreken te herstellen en het werk af te maken, aldus [gedaagde] .
6.7.
[eiser] betwist dat er sprake was van een gebrek, de werkzaamheden waren nog niet afgerond toen [eiser] op 16 november 2023 van het werk werd gestuurd. En [eiser] is niet in de gelegenheid gesteld het werk af te maken dan wel te herstellen.
6.8.
De kantonrechter stelt vast, op grond van wat [gedaagde] en [eiser] daarover hebben gezegd, dat is afgesproken dat [eiser] voor [gedaagde] het dak van de uitbouw zou repareren en de lichtkoepels zou verwijderen om er vervolgens een dakraam (of lichtstraat) te plaatsen. De kantonrechter heeft partijen op de zitting gevraagd of er een concrete termijn is afgesproken, maar zowel [gedaagde] als [eiser] hebben geantwoord dat dit niet zo is. Ook hebben partijen desgevraagd verklaard dat er geen totaalprijs is afgesproken of een indicatie is gegeven.
6.9.
Verder staat vast dat [gedaagde] tot tweemaal toe het werk heeft stopgezet, op 8 oktober 2023 en daarna op 5 november 2023 (zie hiervoor onder 3.4. en 3.8.).
6.10.
Vervolgens heeft een deskundige, de heer [kantoorplaats] , op 10 november 2023 een onderzoek ter plaatse uitgevoerd. [eiser] was bij dat onderzoek aanwezig en hij heeft op enig moment gezegd ‘niets meer te doen, ook niet wanneer hij betaald krijgt’. Volgens [gedaagde] is dit een mededeling waaruit afgeleid moet worden dat [eiser] in de nakoming tekort zal schieten zodat het verzuim op dat moment zonder ingebrekestelling is ingetreden zoals in artikel 6:83 sub c Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Anders dan [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat die opmerking, gelet op het feit dat [gedaagde] zelf reeds tot twee keer toe de werkzaamheden heeft willen beëindigen en gelet op de ingebrekestelling die enkele dagen later, op 16 november 2023 door [gedaagde] zelf is verzonden, niet gezien kan worden als een mededeling waaruit volgt dat [eiser] niet meer wil nakomen. Dat betekent dat er geen sprake van is dat het verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden (artikel 6:83 sub c BW Pro).
6.11.
In de brief van 16 november 2023 wordt [eiser] een termijn gesteld om herstelwerkzaamheden te verrichten en die brief kan als een ingebrekestelling gezien worden. Vaststaat dat [eiser] geen verdere werkzaamheden of herstelwerkzaamheden meer heeft verricht en dat leidt er toe dat beoordeeld moet worden of [eiser] na ommekomst van de gestelde termijn in verzuim is komen te verkeren. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet zo is.
6.12.
[eiser] heeft niet alleen betwist dat er sprake was van gebreken waarbij hij er op wijst dat het werk nog in volle gang was, maar hij voert ook aan dat [gedaagde] hem, in weerwil van de brief van 16 november 2023, niet in de gelegenheid heeft gesteld gebreken te herstellen of het werk af te ronden. De kantonrechter volgt [eiser] daarin en licht dat als volgt toe.
6.13.
[gedaagde] verwijst in zijn brief van 16 november 2023 naar het rapport van de deskundige inzake het onderzoek op 10 november 2023, maar hij sluit dat rapport niet bij. Op 5 december 2023 kondigt [gedaagde] aan dat hij een onderzoek zal laten uitvoeren op
11 december 2023. De gemachtigde van [eiser] heeft op 6 december 2023 gevraagd het rapport van het onderzoek van 10 december 2023 toe te sturen. Op het moment dat [eiser] dat rapport toegestuurd krijgt, op 7 december 2023, blijkt dat het door [gedaagde] aangekondigde nieuwe onderzoek van 11 december 2023, al op 4 december 2023 is uitgevoerd. Daarnaast blijkt dat [gedaagde] op dat moment al een derde, [naam 3] , heeft ingeschakeld. [naam 3] heeft een aantal facturen naar [gedaagde] gestuurd, te beginnen vanaf 8 december 2023 betreffende
“30 % aanbetaling Divers en plafond werkzaamheden”.
6.14.
Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat [eiser] in de gelegenheid is gesteld om het werk af te maken of eventuele gebreken te herstellen. Dat er sprake was van een noodsituatie op grond waarvan verder afwachten van [gedaagde] niet kon worden gevergd is onvoldoende onderbouwd en doordat een derde partij reeds werkzaamheden heeft verricht kan dat ook niet meer vastgesteld worden. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om als hij [eiser] daadwerkelijk een mogelijkheid tot herstel had willen bieden, hem tijdig het onderzoeksrapport van 10 november 2023 te verstrekken en niet al een derde in te schakelen. [eiser] heeft dus niet de gelegenheid gehad om het werk af te maken of tot herstel over te gaan, terwijl hij die mogelijkheid wel had moeten krijgen. [eiser] is dus niet in verzuim geraakt.
6.15.
De conclusie is dat de vordering tot vervangende schadevergoeding moet worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de gevorderde kosten van de deskundigenonderzoeken en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.
proceskosten
6.16.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Reeds omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
Totaal
1.298,00
de tegenvordering
6.17.
In de verzetdagvaarding staat dat [eiser] dat de kantonrechter verzoekt voor recht te verklaren dat de ontbinding van de overeenkomst ten aanzien van het dakraam ongerechtvaardigd is. Omdat dit verzoek niet terugkeert in het petitum, de uiteindelijke eis, zal dit verzoek verder onbesproken blijven.
6.18.
[eiser] vordert betaling van het bedrag van € 900,- dat volgens [eiser] ten onrechte door [gedaagde] is ingehouden op een verzonden factuur uit oktober 2023. [gedaagde] heeft deze factuur van € 3.669,66 slechts voor een bedrag van € 2.769,66 betaald en [gedaagde] geeft als rechtvaardiging voor het inhouden van € 900,- dat dit bedrag ziet op de arbeidskosten voor het plaatsen van het dakraam. Omdat het dakraam niet geplaatst is, is [gedaagde] die kosten niet verschuldigd, aldus [gedaagde] . [eiser] heeft op de zitting volgehouden dat het bedrag van € 900,- niet ziet op arbeidskosten voor het plaatsen van het dakraam, maar op verrichte andere werkzaamheden en geleverd materiaal. Omdat [gedaagde] daar verder alleen op heeft gereageerd door te zeggen dat het onduidelijk is waar dat bedrag op ziet, is zijn verweer onvoldoende onderbouwd en zal de kantonrechter de vordering van [eiser] op dit punt toewijzen.
6.19.
[eiser] vordert daarnaast de betaling van een factuur van € 947,43 van 3 november 2023. [gedaagde] erkent dat deze factuur verschuldigd is, maar hij voert aan dat hij dit bedrag betaald heeft door middel van verrekening. [gedaagde] heeft echter niet toegelicht welke schuld van [eiser] hij daarbij op het oog had en het is ook niet gebleken dat [gedaagde] aan [eiser] heeft meegedeeld dat hij zou overgaan tot verrekening. Het beroep op verrekening faalt. Dit betekent dat de vordering van [eiser] op dit punt zal worden toegewezen.
6.20.
Tot slot maakt [eiser] aanspraak op een schadevergoeding vanwege het teloorgaan van gereedschap. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] zijn gereedschap in november 2023 buiten in de tuin in de regen gezet zonder het goed af te dekken en daarom is het beschadigd geraakt en onbruikbaar geworden. [gedaagde] is daarvoor aansprakelijk en hij moet daarom een schadevergoeding betalen. De kantonrechter vindt het op zich voorstelbaar dat gereedschap, en zeker elektrisch gereedschap, waterschade oploopt als het niet of ondeugdelijk afgedekt in de regen in de tuin wordt gezet. [gedaagde] heeft echter betwist dat er sprake is van waterschade, hij stelt dat hij voor een goede waterdichte afdekking heeft gezorgd. Gelet daarop had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn stelling dat zijn gereedschap is beschadigd, nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van foto’s, of een verklaring van een onafhankelijk persoon of een deskundige. Dit heeft [eiser] niet gedaan en daarom is zijn vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd en zal deze worden afgewezen.
6.21.
[gedaagde] heeft te laat betaald en is daarom de wettelijke handelsrente verschuldigd. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing van de ingangsdatum – de datum van
10 oktober 2023 kan niet kloppen omdat het ook gaat om betaling van een factuur van
3 november 2023 – zal de wettelijke handelsrente (over de facturen – niet over de schadevergoeding) worden toegewezen vanaf de datum van het instellen van de tegenvordering, 22 mei 2025.
6.22.
[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 484,-. Omdat [eiser] niet voldoende heeft gespecificeerd waaruit de gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden hebben bestaan, is [gedaagde] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst waarbij de wettelijke betalingstermijn van artikel 6:119a BW is verstreken, zodat op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW Pro een bedrag van € 40,- toewijsbaar is, ook als geen buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
6.23.
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.
6.24.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7.De beslissing

De kantonrechter
de vordering
7.1.
verklaart het verzet gegrond en vernietigt het verstekvonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2025 met zaak- en rolnummer 11561770 CV EXPL 25-3480,
7.2.
wijst de oorspronkelijke vordering alsnog af,
7.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
7.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
de tegenvordering
7.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.887,43 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 1.847,43 vanaf 22 mei 2025 tot de dag van voldoening,
7.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
7.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
7.8.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.