De vader vordert in kort geding dat zijn overleden dochter begraven wordt in plaats van gecremeerd, dat hij de asbus ontvangt en dat hij gelegenheid krijgt om afscheid te nemen. De rechtbank wijst de vordering tot begraven af omdat de wens van de overledene, zoals vastgelegd in een consultverslag, crematie betreft. Ook de vordering tot afgifte van de asbus wordt afgewezen omdat de uitvaartonderneming deze alleen aan de opdrachtgever van de crematie kan afgeven, in dit geval de vrouw.
De rechtbank wijst de vordering toe dat de vader, samen met familieleden, gedurende een uur afscheid mag nemen in het uitvaartcentrum. Dit recht wordt versterkt door het feit dat de vader tijdens de ziekte van zijn dochter geen afscheid kon nemen. De vrouw stemt in met dit moment. De rechtbank legt een dwangsom op van €10.000,- om naleving te waarborgen.
De vordering om politie in te schakelen bij belemmering wordt afgewezen, evenals de vordering om toegang te krijgen tot het crematorium, omdat de vrouw alleen wil zijn bij het laatste moment van de crematie en het belang van een rustig afscheid zwaarder weegt. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.