Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3584

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/15/375702 / KG ZA 26-127
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wet op de LijkbezorgingArt. 59 Wet op de LijkbezorgingArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering vader tot afscheid nemen en begraven van overleden dochter afgewezen

De vader vordert in kort geding dat zijn overleden dochter begraven wordt in plaats van gecremeerd, dat hij de asbus ontvangt en dat hij gelegenheid krijgt om afscheid te nemen. De rechtbank wijst de vordering tot begraven af omdat de wens van de overledene, zoals vastgelegd in een consultverslag, crematie betreft. Ook de vordering tot afgifte van de asbus wordt afgewezen omdat de uitvaartonderneming deze alleen aan de opdrachtgever van de crematie kan afgeven, in dit geval de vrouw.

De rechtbank wijst de vordering toe dat de vader, samen met familieleden, gedurende een uur afscheid mag nemen in het uitvaartcentrum. Dit recht wordt versterkt door het feit dat de vader tijdens de ziekte van zijn dochter geen afscheid kon nemen. De vrouw stemt in met dit moment. De rechtbank legt een dwangsom op van €10.000,- om naleving te waarborgen.

De vordering om politie in te schakelen bij belemmering wordt afgewezen, evenals de vordering om toegang te krijgen tot het crematorium, omdat de vrouw alleen wil zijn bij het laatste moment van de crematie en het belang van een rustig afscheid zwaarder weegt. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vader krijgt het recht om afscheid te nemen van zijn dochter, maar de vorderingen tot begraven en afgifte van de asbus worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
Zittingsplaats Haarlem
Zaak-/rekestnr.: C/15/375702 / KG ZA 26-127
proces-verbaal zitting in kort geding van 17 maart 2026, houdende mondeling vonnis
in de zaak van :
[eiser] ,
wonende te [plaats]
,
eiser,
advocaat mr. mr. S. Kievit te Breda,
-tegen-
[gedaagde] ,
wonende te [plaats]
,
gedaagde,
advocaat mr. H. Carrière te Haarlem.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.
Tegenwoordig zijn mr. J. van der Kluit, voorzieningenrechter, en mr. M.C. Anema
,griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- [de moeder van de man] (de moeder van de man) en [de tante van de man] (de tante van de man);
- de advocaat van de vrouw;
- [de broer van de vrouw] (de broer van de vrouw) en [de vader van de vrouw] (de vader van de vrouw).
Partijen blijven bij de eerder door hen ingenomen standpunten. De rechter wijst het volgende vonnis.

1.De beslissing

De voorzieningenrechter:
1.1.
veroordeelt de vrouw om de man in de gelegenheid te stellen om, tezamen met zijn familieleden, gedurende een uur afscheid te nemen van [de dochter] op donderdagochtend 19 maart 2026 van 10.00 uur tot 11.00 uur in het Uitvaarcentrum in [plaats] , of zoveel langer als de uitvaartonderneming mogelijk acht en de uitvaartonderneming in overleg met de man aan hem toestaat;
1.2.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 10.000,- indien zij niet aan de in 1.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet;
1.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
1.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
1.5.
wijst af het meer of andere gevorderde.

2.De gronden van de beslissing

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
De vordering van de man om de vrouw te verplichten om opdracht te geven aan de uitvaartonderneming om [de dochter] te begraven, wijst de voorzieningenrechter af. De wet bepaalt dat de lijkbezorging plaatsvindt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene. [1] Uit het consultverslag van de kinderoncoloog van 19 februari 2026 blijkt dat met [de dochter] is besproken hoe zij wenst dat haar uitvaart eruit komt te zien, “inclusief de urn”. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat met [de dochter] is gesproken over een crematie en dat zij daarmee heeft ingestemd. Van bezwaren van [de dochter] tegen crematie blijkt uit dat verslag niet.
De vordering van de man om de vrouw te veroordelen om de uitvaartonderneming of het crematorium te verzoeken de asbus aan hem ter beschikking te stellen waarna de man de as zal verdelen en de helft aan de vrouw ter beschikking zal stellen, wijst de voorzieningenrechter af. De uitvaartonderneming zal de asbus alleen kunnen afgeven aan de nabestaande die de opdracht heeft gegeven tot crematie [2] . Dat is in dit geval de vrouw.
De vordering van de man om de vrouw te veroordelen om hem de gelegenheid te geven om afscheid te nemen van [de dochter] wijst de voorzieningenrechter toe als volgt. De man zal in de gelegenheid worden gesteld om tezamen met zijn familieleden, afscheid te nemen van [de dochter] op donderdagochtend van 10.00 uur tot 11.00 uur in het Uitvaarcentrum in [plaats] , of zoveel langer als mogelijk en de uitvaartonderneming hem toestaat. De man zal daarvoor telefonisch contact opnemen met de uitvaartonderneming.
Iedereen heeft recht op respect voor zijn familieleven [3] . Dat brengt voor de man als vader van [de dochter] ook het recht mee om op een waardige manier afscheid te kunnen nemen van zijn dochter. Dat geldt in dit geval nog sterker, omdat de man tijdens de ziekte van [de dochter] niet de gelegenheid heeft gekregen om bij leven afscheid te nemen van [de dochter] . De vrouw heeft ingestemd met dit afscheidsmoment voor de man.
De vordering van de man om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden, wijst de voorzieningenrechter toe om er zeker van te zijn dat de vrouw haar toezegging ook nakomt, met dien verstande dat deze wordt gematigd tot een bedrag van € 10.000,-.
De vordering van de man om hem te machtigen de hulp van de sterke arm van politie en justitie in te schakelen als hij wordt gehinderd in de mogelijkheid om afscheid te nemen van [de dochter] , wijst de voorzieningenrechter af, omdat de voorzieningenrechter er vertrouwen in heeft dat de dwangsom voldoende is en de vrouw zal meewerken aan dit afscheidsmoment voor de man, nu zij daar zelf ook mee instemt.
De vordering van de man om de vrouw te veroordelen hem toegang te verlenen tot de uitvaart wijst de voorzieningenrechter af. De vrouw heeft toegelicht dat er geen uitvaartceremonie zal zijn. Na het afscheidsmoment in het Uitvaartcentrum in [plaats] zal [de dochter] naar het crematorium worden gebracht. De vrouw heeft als wens alleen te zijn als [de dochter] naar de crematieruimte wordt gebracht. De man heeft als vader belang om aanwezig te zijn bij (ook) dit laatste afscheidsmoment. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang bij een rustig en waardig laatste moment van afscheid zwaarder weegt. Het risico op spanningen die dat moment verstoren als de man en de vrouw samen in de crematieruimte aanwezig zouden zijn, acht de voorzieningenrechter te groot. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de man kort daarvoor op donderdagochtend zijn eigen afscheidsmoment met familie in het Uitvaartcentrum in [plaats] heeft.
De vordering van de man om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wijst de voorzieningenrechter toe.
Gelet op de familierelatie tussen partijen, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten van de procedure zal dragen.
De voorzieningenrechter sluit de zitting.
Waarvan proces-verbaal,
mr. J. van der Kluit

Voetnoten

1.Artikel 18 lid Pro 1, tweede zin van de Wet op de Lijkbezorging (Wlb)
2.Artikel 59 lid Pro 2, onder c Wlb
3.Artikel 8 lid 1 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM)