Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3572

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/15/357284 / FA RK 24-4939
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 3:185 BWArt. 820 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling en vaststelling kinderbijdrage na geschil over omgang en draagkracht

Partijen zijn gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. Zij verzoeken de echtscheiding uit te spreken en voorzieningen te treffen omtrent zorgregeling, hoofdverblijfplaats en kinderbijdrage.

De man wenst een uitgebreidere zorgregeling met extra omgangsmomenten, terwijl de vrouw dit te belastend acht voor de hoog sensitieve minderjarige en wijst op spanningen bij overdrachtsmomenten. De rechtbank oordeelt dat de uitbreiding van de zorgregeling op dit moment te onrustig is en stelt een regeling vast waarbij de kinderen eenmaal per twee weken van donderdagmiddag tot maandagochtend bij de man verblijven.

De kinderbijdrage wordt berekend op basis van het actuele DGA-loon van de man en het inkomen van de vrouw, waarbij rekening wordt gehouden met zorgkorting en draagkracht. De man wordt veroordeeld tot betaling van €456 per kind per maand. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verdeling van de gemeenschap van goederen, waardoor de rechtbank hierover niet beslist.

De rechtbank wijst het verzoek tot echtscheiding toe, stelt de hoofdverblijfplaats bij de vrouw vast, regelt de zorg- en omgangsregeling, bepaalt de verdeling van vakanties en feestdagen en legt de kinderbijdrage vast. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, stelt de hoofdverblijfplaats bij de vrouw vast, wijst een zorgregeling toe en bepaalt een kinderbijdrage van €456 per kind per maand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/357284 / FA RK 24-4939 en
C/15/364305 / FA RK 25-1949
Beschikking d.d. 3 april 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
in de Basisregistratie Personen ingeschreven te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
feitelijk verblijvende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. L.N. Hermes, gevestigd te Noord-Scharwoude,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. C.M.J. Zillikens, gevestigd te Wognum.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 26 september 2024;
- het bericht, met bijlagen, van de man, ingekomen op 30 september 2024;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 10 december 2014;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 15 april 2025;
- het verweerschrift op het aanvullend verzoek tevens aanvullend zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 3 juni 2025;
- het bericht van de vrouw, ingekomen op 13 januari 2026;
- het bericht, met bijlage, van de man, ingekomen op 20 januari 2026;
- het bericht, met bijlagen, van de man, ingekomen op 2 februari 2026;
- het bericht, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 3 februari 2026;
- het bericht, met bijlage, van de man, ingekomen op 3 februari 2026;
- het bericht, met bijlage, van de man, ingekomen op 6 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 februari 2026 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten.
1.3.
Na te noemen minderjarige [de minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] .
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 december 2024 is bij wege van voorlopige voorzieningen:
- bepaald dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) als volgt zal zijn:
de minderjarigen verblijven eenmaal per twee weken van zaterdagochtend naar de voetbal dan wel 9:00 uur tot maandagavond 19:00 uur bij de man. Zodra het voor de man mogelijk is de minderjarigen op vrijdag op te halen, zullen de minderjarigen eenmaal per twee weken van vrijdag na het werk van de man rond 17:00 uur/17:15 uur bij de man verblijven tot maandagavond 19:00 uur. Daarnaast zal de man iedere donderdagavond met de minderjarige [de minderjarige 1] naar de voetbaltraining gaan;
- bepaald dat de vrouw, voor de duur van de procedure, dan wel zoveel eerder als een allesomvattende regeling is getroffen, dan wel zoveel eerder als de woning is verkocht aan derden, bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan de [adres] met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
- bepaald dat de man bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) van € 950,- per maand, oftewel
€ 475,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen, waarbij de wettelijke indexering voor het eerst plaatsvindt per 1 januari 2026;
- bepaald dat de man geen bijdrage verschuldigd is in het levensonderhoud van de vrouw (hierna: partnerbijdrage).
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 december 2025 is bij wege van (wijziging) voorlopige voorzieningen:
- de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken om de bij beschikking van 12 december 2024 vastgestelde zorgregeling en kinderbijdrage te wijzen;
- in aanvulling op de beschikking van 12 december 2024 een verdeling van de kerstvakantie 2025/2026 vastgesteld;
- in aanvulling op de beschikking van 12 december 2024 vastgesteld dat partijen het halen en brengen van de minderjarigen ter uitvoering van de zorgregeling in onderling overleg gelijk moeten verdelen.
2.5.
Scheiding
2.5.1.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.5.2.
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
2.5.3.
Door partijen is ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, tweede lid, Rv overgelegd. Nu partijen geen volledige overeenstemming hebben over de voorzieningen ten aanzien van de minderjarigen is het naar het oordeel van de rechtbank voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk om een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen.
2.5.4.
De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
2.6.
Hoofdverblijfplaats
2.6.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.
2.6.2.
De man voert geen verweer tegen dit verzoek van de vrouw.
2.6.3.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw met betrekking tot de hoofdverblijfplaats als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.
2.7.
Zorgregeling
2.7.1.
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen in de even weken van vrijdagmiddag 16:00 uur tot zondagavond 19:00 uur en in de oneven weken van donderdagmiddag 16:00 uur tot zaterdagochtend 10:00 uur bij hem verblijven en waarbij de ouder bij wie de minderjarigen verblijven hen naar de andere ouder brengt. Voorts verzoekt de man de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen te verdelen op de door hem voorgestelde wijze.
2.7.2.
De man geeft aan dat hij de minderjarigen op dit moment een weekend per twee weken ziet en dat de omgangsmomenten goed verlopen. Deze omgang acht de man echter te summier om betrokken te zijn en blijven in het leven van de minderjarigen. De man mist de minderjarigen en stelt dat zij aangeven hetzelfde te voelen. De man zou de huidige zorgregeling graag uitbreiden en hij acht dit ook in het belang van de minderjarigen. De man kan zijn werkrooster zodanig aanpassen dat hij vrij is op de dagen dat de minderjarigen bij hem zijn. Een langer aaneengesloten maar minder frequente periode omgang wil de man niet omdat hij juist het regelmatige contact belangrijk vindt. De man woont samen met zijn partner in [plaats] en de kinderen van zijn partner wonen bij hen. Volgens de man kunnen de minderjarigen en de kinderen van zijn partner het goed met elkaar vinden en kijken ze naar elkaar uit. De man stelt dat er geen redenen zijn om de omgang niet uit te breiden.
2.7.3.
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag 17:00 uur tot en met maandagavond 19:00 uur bij de man verblijven, alsmede iedere donderdagavond voor zover [de minderjarige 1] deel uitmaakt van de keeperstraining op die avond. Verder verzoekt de vrouw te bepalen dat de door haar in de bijlage van haar concept ouderschapsplan uitgewerkte vakantie- en feestdagen regeling zal gelden waarbij deze dagen bij helfte worden verdeeld, jaarlijks wisselend om en om (even en oneven jaren).
2.7.4.
De vrouw geeft aan dat [de minderjarige 1] hoog sensitief is en dat hij snel overprikkeld raakt. Ook is [de minderjarige 1] dyslectisch. Deze diagnoses zijn officieel gesteld en [de minderjarige 1] heeft hiervoor hulp gehad. Volgens de vrouw zijn structuur en voorspelbaarheid erg belangrijk voor [de minderjarige 1] . De vrouw merkt dat [de minderjarige 1] moeite heeft met acclimatiseren bij haar als hij terugkomt van de man. Het is druk bij de man thuis en de overdrachtsmomenten verlopen spanningsvol. De vrouw vindt het belangrijk dat de man de minderjarigen regelmatig ziet en heeft daarom voorgesteld om de omgang een langere aaneengesloten periode te laten plaatsvinden. Hiermee is de man echter niet akkoord gegaan. Extra omgang in de andere week vindt de vrouw te onrustig voor met name [de minderjarige 1] . Verder geeft de vrouw aan dat de minderjarigen het lastig vinden dat zij weinig tijd alleen met de man doorbrengen en dat de reistijd een uitbreiding van de omgang bemoeilijkt. Bij de door de man voorgestelde zorgregeling zou de vrouw ook nooit een volledig weekend met de minderjarigen zijn.
2.7.5.
De rechtbank stelt vast dat op dit moment een zorgregeling geldt waarbij de minderjarigen eenmaal per twee weken van zaterdagochtend 10:00 uur tot maandagavond 19:00 uur bij de man verblijven. De door de man gewenste uitbreiding van deze regeling met een extra omgangsmoment in de andere week acht de rechtbank op dit moment te onrustig en te belastend voor de minderjarigen. Het is de rechtbank op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting duidelijk geworden dat er veel strijd is tussen partijen en dat de overdrachtsmomenten spanningsvol verlopen. Extra omgang met overdrachtsmomenten zal gelet hierop een negatief effect hebben op het welzijn van de minderjarigen en de verstandhouding tussen partijen. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de man is gaan samenwonen met zijn partner en dat de kinderen van zijn partner bij hen wonen. Als de minderjarigen bij de man verblijven dan zijn de kinderen van zijn partner ook altijd aanwezig. Deze situatie is pril en de woning moet nog worden verbouwd om voor alle kinderen een eigen plek te realiseren. De omgeving van de man zal het nodige van de minderjarigen vergen, met name van [de minderjarige 1] gezien zijn hoog sensitiviteit. Ook houdt de rechtbank rekening met de reistijd van de verblijfplaats van de man in [plaats] naar de woning van de vrouw en de school van de minderjarigen in [plaats] . Een extra omgangsmoment in de andere week betekent voor de minderjarigen dat zij extra zullen moeten reizen. Alles overziend acht de rechtbank de door de man gewenste uitbreiding van de zorgregeling op dit moment niet in het belang van de minderjarigen. De rechtbank ziet gelet op de huidige zorgregeling, de verzoeken van partijen en hetgeen ter zitting is besproken aanleiding om een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen eenmaal per twee weken van donderdagmiddag 17:00 uur tot maandagochtend naar school bij de man verblijven en waarbij de vrouw de minderjarigen op donderdagmiddag naar de man brengt en de man de minderjarigen op maandagochtend naar school brengt. De minderjarigen verblijven dus niet langer op maandag na school tot 19.00 uur bij de man, omdat de rechtbank dit gelet op de reistijd van school naar [plaats] en van [plaats] weer naar de vrouw te onrustig acht. De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij op vrijdag vrij kan nemen, de minderjarigen verblijven bij deze regeling alsnog een ruim weekend bij de man en er zal een overdrachtsmoment minder tussen partijen plaatsvinden ten opzichte van de huidige regeling. Deze zorgregeling acht de rechtbank op dit moment het meest in het belang van de minderjarigen.
2.7.6.
Partijen hebben tijdens de zitting overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen. Partijen hebben afgesproken dat de zomervakantie en de kerstvakantie in onderling overleg bij helfte worden gedeeld, dat de minderjarigen tijdens Vaderdag bij de man verblijven, dat de minderjarigen tijdens Moederdag bij de vrouw verblijven en dat tijdens de overige vakanties, feestdagen en bijzondere dagen voormelde zorgregeling doorloopt.
2.7.7.
Het is belangrijk dat partijen de komende periode gaan werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en het vormgeven van het gezamenlijk ouderschap zodat zij als opvoerders met elkaar kunnen gaan samenwerken en de situatie voor de minderjarigen zal verbeteren. Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij zich hebben aangemeld bij het wijkteam van de gemeente [gemeente] voor hulpverlening zodat de benodigde hulp naar verwachting spoedig zal starten. Het is van groot belang dat partijen zich hiervoor maximaal zullen inzetten. De rechtbank kan zich voorstellen dat er in de loop van het hulpverleningstraject ruimte komt om een mogelijke uitbreiding van de zorgregeling te bespreken die in het belang is van de minderjarigen.
2.8.
Kinderbijdrage
2.8.1.
Partijen verzoeken beiden een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vast te stellen.
2.8.2.
De rechtbank zal bij het berekenen van de kinderbijdrage de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport) tot uitgangspunt nemen. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen en overweegt met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten als volgt.
Ingangsdatum
2.8.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ingangsdatum van de vast te stellen kinderbijdrage moet worden bepaald op datum van de beschikking, te weten 4 april 2026. Deze ingangsdatum neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt.
Behoefte
2.8.4.
Bij de berekening van de kinderbijdrage wordt eerst gekeken naar de kosten van een kind. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd.
2.8.5.
Partijen zijn in de zomer van 2024 feitelijk uit elkaar gegaan. Het gebruikelijk inkomen van partijen voorafgaand aan dit uiteengaan is dan ook bepalend voor het berekenen van de behoefte van de minderjarigen.
2.8.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarigen in 2024 € 1.523,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 1 januari 2026 bedraagt de behoefte dan € 1.696,- per maand, oftewel € 848,- per kind per maand. Van deze behoefte zal de rechtbank dan ook uitgaan.
Draagkracht van partijen
2.8.7.
Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd.
2.8.8.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2026, vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.365 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 70. Voor inkomens beneden een NBI van € 2.200,- per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
2.8.9.
Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.10.
De man is fulltime in loondienst werkzaam bij [werkgever] De man heeft zijn jaaropgave 2025 in het geding gebracht. Uit deze jaaropgave volgt dat de man in 2025 een salaris bij deze werkgever heeft genoten van € 61.909,90 bruto.
2.8.11.
Daarnaast was de man vennoot bij [vof] . De vof is met terugwerkende kracht per 1 januari 2025 ingebracht in [B.V.] waarvan de man directeur-grootaandeelhouder (hierna: DGA) is. Tussen partijen is niet in geschil dat de man uit deze werkzaamheden een DGA-loon van € 14.500,- bruto per jaar geniet. De vrouw is echter van mening dat in dit verband een hoger inkomen aan de man moet worden toegerekend.
2.8.12.
De vrouw licht toe dat partijen bij het berekenen van de kinderbijdrage in de voorlopige voorzieningenprocedure voor de draagkracht van de man zijn uitgegaan van een gemiddelde fiscale winst uit [vof] over de jaren 2021 tot en met 2023 van € 24.000,- bruto per jaar. Het huidige DGA-loon van de man ligt lager. De vrouw is van mening dat de man in staat moet worden geacht een inkomen te verdienen gelijk aan het inkomen toen hij nog vennoot in [vof] was. Van deze verdiencapaciteit moet volgens de vrouw worden uitgegaan.
2.8.13.
De man licht toe dat dat hij reeds fulltime werkzaam is bij [werkgever] en dat daarom is gekozen voor een verloning van 10 uur per week als DGA. Hierbij is uitgegaan van het gebruikelijke DGA-loon op basis van 40 uur per week. Rekening houdend met alle inhoudingen is dit inkomen volgens de man ongeveer gelijk aan het inkomen dat hij genoot als vennoot bij [vof] . Dit wordt ook bevestigd door de maandelijkse privé onttrekkingen die de man als vennoot van de vof deed van € 500,- per maand.
2.8.14.
De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een ander inkomen van de man dan hij op dit moment daadwerkelijk aan DGA-loon ontvangt. De fiscale winst die de man realiseerde als vennoot bij [vof] kan niet zonder meer worden vergeleken met zijn DGA-loon. Door de vrouw is niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre deze inkomens per saldo netto van elkaar verschillen. Daarbij acht de rechtbank niet aannemelijk dat de man zich meer dan 10 uur per week kan laten verlonen als DGA. De man werkt immers reeds fulltime bij [werkgever] zodat naar het oordeel van de rechtbank niet van hem niet kan worden gevergd dat hij nog meer uren gaat werken.
2.8.15.
Uitgaande van een salaris bij [werkgever] van € 61.909,90 bruto per jaar, een
DGA-loon van € 14.500,- bruto per jaar en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 4.043,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de man dan een draagkracht van € 1.026,- per maand, oftewel € 513,- per kind per maand.
2.8.16.
Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.17.
De vrouw ontvangt een uitkering op grond van de Ziektewet. Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw € 50,- per maand bedraagt, oftewel € 25,- per kind per maand. Van deze draagkracht zal de rechtbank dan ook uitgaan.
2.8.18.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 538,- per kind per maand. Nu de gezamenlijke draagkracht lager is dan de behoefte van de minderjarigen van € 848,- per kind per maand kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Partijen worde in dat geval immers geacht hun volledige draagkracht te benutten om zoveel mogelijk in de behoefte van de minderjarigen te voorzien.
Zorgkorting
2.8.19.
Op het berekende aandeel van de man dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Tremarapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg.
2.8.20.
Gelet op de onder overweging 2.7.5 en 2.7.6. vastgestelde zorgregeling en verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen heeft de man gemiddeld 2 dagen per week omgang met de minderjarigen zodat de rechtbank rekening houdt met een zorgkorting van 25% van de behoefte van de minderjarigen. De zorgkorting bedraagt dan € 212,- per kind per maand.
2.8.21.
Op de regel dat de zorgkorting de kinderbijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van partijen gezamenlijk onvoldoende is om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. In dit geval is de gezamenlijke draagkracht van partijen voor de minderjarigen € 538,- per kind per maand, zodat er een tekort is van € 310,- per kind per maand. Het tekort wordt aan beide ouders voor de helft toegerekend, oftewel € 155,- per kind per maand. De man moet daarom in de kosten van de minderjarigen bijdragen met een bedrag van € 456,- per kind per maand (513 – (212 – 155)).
Conclusie
2.8.22.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van 4 april 2026 bij vooruitbetaling een kinderbijdrage van € 456,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen.
2.9.
Verdeling
2.9.1.
Partijen verzoeken beiden om de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen te verdelen, waarbij zij ieder een eigen (wijze van) verdeling voorstaan. Verder stellen partijen dat bij de verdeling rekening moet worden gehouden met vergoedingsrechten.
2.9.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen en dat zij voor 1 januari 2018 zijn getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan.
2.9.3.
Partijen hebben tijdens de zitting meegedeeld dat zij overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de gemeenschap. Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt:
- De overwaarde van de echtelijke woning aan de [adres] zal bij helfte tussen partijen worden verdeeld;
- In het kader van verrekening van de
* achterstallige kinderbijdrage,
* de aanslag inkomstenbelasting,
* de onroerende zaakbelasting,
* de waarde van de auto van het merk [merk] met kenteken [kenteken] en
* de waarde van [vof] ,
dient de man een bedrag van € 15.951,90 aan de vrouw te betalen en dient de vrouw een bedrag van € 14.837,30 aan de man te betalen. Per saldo zal de man nog een bedrag van
€ 1.114,60 aan de vrouw betalen uit zijn aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning;
- De man zal de achterstallige hypotheekbetaling van € 9.244,95 voldoen uit zijn aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning;
- De auto van het merk [merk] met kenteken [kenteken] wordt aan de vrouw toebedeeld.
Gelet op deze overeenstemming hebben partijen hun verzoeken in het kader van de verdeling ingetrokken.
2.9.4.
Nu partijen overeenstemming hebben over de verdeling van de gemeenschap is de rechtbank op grond van artikel 3:185 van Pro het Burgerlijk Wetboek niet bevoegd om de (wijze van) verdeling vast te stellen. De rechtbank zal hierover dan ook niets opnemen in het dictum van deze beschikking. Dit laat onverlet dat partijen aan de door hen overeengekomen afspraken gebonden zijn.
2.10.
Overige ingetrokken verzoeken
2.10.1.
De vrouw heeft ter zitting haar verzoeken ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en de partnerbijdrage ingetrokken. De rechtbank begrijpt dat de vrouw ook haar verzoek op grond van artikel 843a Rv heeft ingetrokken. Op deze verzoeken hoeft de rechtbank dan ook niet meer te beslissen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
3.3.
stelt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en voormelde minderjarigen vast waarbij de minderjarigen eenmaal per twee weken van donderdagmiddag 17:00 uur tot maandagochtend naar school bij de man verblijven en waarbij de vrouw de minderjarigen op donderdagmiddag naar de man brengt en de man de minderjarigen op maandagochtend naar school brengt;
3.4.
stelt de volgende verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen ten aanzien van voormelde minderjarigen vast:
- de zomervakantie wordt in onderling overleg bij helfte tussen partijen verdeeld;
- de kerstvakantie wordt in onderling overleg bij helfte tussen partijen verdeeld;
- op Vaderdag verblijven de minderjarigen bij de man;
- op Moederdag verblijven de minderjarigen bij de vrouw;
- tijdens de overige vakanties, feestdagen en bijzondere dagen loopt de onder 3.3 vermelde regeling door;
3.5.
bepaalt dat de man met ingang van 4 april 2026 bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarigen van € 456,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen;
3.6.
verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 3 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.