In deze civiele procedure vordert een Nederlands advocatenkantoor namens haar cliënten vergoeding van buitengerechtelijke kosten van een Poolse aansprakelijkheidsverzekeraar naar aanleiding van een verkeersongeval in Nederland. De verzekeraar erkende aansprakelijkheid en betaalde voorschotten en een slotbetaling. De cliënten droegen hun vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten over aan het advocatenkantoor.
De kantonrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van de plaats van het schadebrengende feit en dat Nederlands recht van toepassing is. De vordering van het advocatenkantoor is beperkt tot het bedrag dat zij via cessie heeft ontvangen, namelijk € 3.117,63 minus reeds betaalde € 2.500, dus maximaal € 617,63.
De kantonrechter stelt vast dat de gevorderde kosten boven dit bedrag niet redelijk zijn. Hoewel het uurtarief niet expliciet onredelijk wordt bevonden, is de tijdsbesteding voor het dossier onredelijk hoog geacht gezien de directe erkenning van aansprakelijkheid en de eenvoudige aard van het dossier. De gevorderde resterende kosten worden daarom afgewezen.
Het advocatenkantoor wordt niet-ontvankelijk verklaard voor het meerdere en moet de proceskosten van de verzekeraar betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.