Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3456

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
15/228043-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstraf voor opzettelijk teweegbrengen explosie met levensgevaar en schade

De rechtbank Noord-Holland heeft op 30 maart 2026 uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een minderjarige verdachte die op 8 juli 2025 te Haarlem een explosie teweegbracht bij een woning, waarbij levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen ontstond. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte een vuurwerkbom (shell) met benzine tot ontbranding bracht bij de voordeur van een woning in een appartementencomplex, waardoor schade ontstond en de bewoners, waaronder jonge kinderen, gevaar liepen.

De verdediging voerde aan dat onvoldoende bewijs bestond voor levensgevaar en gemeen gevaar, maar de rechtbank verwierp dit op basis van forensisch onderzoek en getuigenverklaringen. De verdachte werd deels vrijgesproken voor het gevaar voor geparkeerde voertuigen en personen in aangrenzende woningen wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 120 dagen jeugddetentie, waarvan 96 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 60 uur, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie bij niet-naleving. Tevens werd een contactverbod met slachtoffers opgelegd en bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke straf. De benadeelde partijen kregen een schadevergoeding van €1.000 per persoon toegewezen, met uitzondering van een jongste minderjarige die niet-ontvankelijk werd verklaard. De schadevergoedingen worden beheerd via een BEM-clausule voor de minderjarigen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie (96 dagen voorwaardelijk) en 60 uur werkstraf; schadevergoeding van €1.000 per benadeelde toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/228043-25 (P)
Uitspraakdatum: 30 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 16 maart 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officier van justitie [officier van justitie] ;
- wat de verdachte en zijn raadsman, mr. F.F. Kool, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht;
- het advies van [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering);
- de vorderingen van de benadeelde partijen en de onderbouwing hiervan door hun raadsvrouw mr. N. Pronk.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Haarlem, in elk geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerkbrandstofcombinatie bij (de voordeur van) de woning aan de [straat] [nummer] te plaatsen en/of een of meer flessen benzine met brandbare vloeistof bij de voordeur te plaatsen en/of (vervolgens) de brandstof en/of een explosief (te weten een shell) aan te steken en/of tot ontsteking te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een of meer (aangrenzende) woningen en/of (geparkeerde) voertuigen aan de
[straat] , te duchten was
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten aanwezigen in de woning aan de [straat] [nummer] en/of aanwezigen in aangrenzende woningen en/of (een) passant(en) te duchten was.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde
feit, te weten het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen
en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit, omdat het dossier onvoldoende bewijs
bevat dat door de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen dan wel gemeen gevaar voor aangrenzende panden of geparkeerde voertuigen te duchten was.
De verdediging heeft ter onderbouwing hiervan het volgende aangevoerd.
Volgens het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zijn verschillende factoren van invloed op de aard en omvang van de uiteindelijke effecten van vuurwerk in combinatie met brandstof en is een generieke gevaarzetting niet te geven.
Uit het onderzoek is niet gebleken hoeveel brandbaar materiaal is gebruikt bij het teweegbrengen van de ontploffing. Op de camerabeelden van de ringdeurbel is te zien dat
het om een kleine vuurwerkbom ging en uit het dossier blijkt dat het vuur dat na de ontploffing ontstond, snel was gedoofd. De bewoners konden volgens de brandweer diezelfde nacht alweer terugkeren naar de woning.
Er is schade geconstateerd aan de voordeur van de woning, het kozijn en de gevel. Of deze schade het gevolg is van de ontploffing die de verdachte teweeg heeft gebracht, kan niet worden vastgesteld. Enkele dagen daarvoor, op 2 juli 2025, vond bij dezelfde woning immers ook een ontploffing plaats, met de nodige schade tot gevolg. Een buurtbewoner benoemt dat de knal dit keer minder hard was dan die vorige keer.
Wat betreft de gevaarzetting voor personen is relevant dat uit het dossier blijkt dat de kinderen voor hun veiligheid die nacht niet op de begane grond sliepen maar in een slaapkamer op de eerste verdieping. De ontploffing vond plaats aan de voorzijde van de woning, maar aan de achterzijde konden de bewoners zonder problemen de woning verlaten.
Verder is onduidelijk of de directe buren die nacht thuis waren en blijkt uit het dossier niet dat er mensen in de buurt van de woning liepen ten tijde van de ontploffing.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2
Bewijsoverweging
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen alsmede levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
voor personen te duchten was.
De rechtbank neemt hierbij op grond van de in de bijlage bij dit vonnis genoemde bewijsmiddelen het volgende in overweging.
Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat bij de ontploffing gebruikt is gemaakt van een zogenaamde shell, professioneel vuurwerk dat een hoog risico met zich brengt. De shell is met benzine, een ontbrandbare stof, tot ontploffing gebracht bij de voordeur van de woning, waarna een vuurbal ontstond. Het toevoegen van brandstof aan de shell dient volgens de experts geen ander doel dan het veroorzaken van schade en/of letsel aan personen door brand.
Vaststaat dat de ontploffing plaats vond in de nachtelijke uren en dat ten tijde van de ontploffing de moeder van het gezin aanwezig was in de woning en ook haar vijf (deels
nog heel jonge) kinderen in de woning laten te slapen. Deze woning maakt onderdeel uit
van een appartementencomplex met aan meerdere kanten aangrenzende woningen. Door
het veroorzaken van een ontploffing en brand bij de voordeur van de woning, werd de voornaamste vluchtweg van de woning geblokkeerd en bestond het risico op uitbreiding
van de brand naar binnen en rookontwikkeling in de woning.
Als gevolg van de tenlastegelegde explosie en de (korte) brand die daarop ontstond, is schade aan de voordeur, het kozijn en de gevel van de woning ontstaan. Dit heeft de forensische opsporing vastgesteld door vergelijking met de foto’s van de schade van de vorige explosie op 2 juli 2025. De forensische opsporing concludeert al met al dat levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest alsook gemeen gevaar voor goederen
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat door de ontploffing gevaar te duchten was voor geparkeerde voertuigen in de buurt van de woning, personen in de aangrenzende woningen dan wel passanten, omdat het dossier geen feitelijke vaststellingen bevat omtrent concrete aanwezigheid van voertuigen of andere personen dan de bewoners van [straat] [nummer] .
De verdachte zal voor dit gedeelte van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 8 juli 2025 te Haarlem, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerkbrandstofcombinatie bij de voordeur van de woning aan de [straat] [nummer] te plaatsen en een fles benzine bij de voordeur te plaatsen en vervolgens een explosief (te weten een shell) aan te steken en tot ontsteking te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (aangrenzende) woningen te duchten was
en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten aanwezigen in de woning aan de [straat] [nummer] te duchten was.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
Opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot
120 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 96 dagen voorwaardelijk,
met een proeftijd van twee jaar.
Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten volgens de officier van justitie de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, te weten een positieve dagbesteding in de vorm van werk en/of school en het meewerken aan de hulpverlening en begeleiding vanuit Nova Forte Zorg of een soortgelijke instelling.
Ook dient een contactverbod met de slachtoffers van de ontploffing te worden opgelegd, met uitzondering van contact dat nodig is in het kader van herstelbemiddeling.
Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 60 uur, bij het niet of het niet naar behoren verrichtten daarvan te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, gevorderd.
6.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om bij de strafoplegging rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte, zijn belaste voorgeschiedenis en blanco strafblad. Ook heeft de verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden gehouden, die een behoorlijke inperking in zijn bewegingsvrijheid inhielden. Zijn voorarrest heeft bovendien een behoorlijke impact op de verdachte gehad. Tot slot heeft de verdachte veel spijt van zijn handelen en is hij gemotiveerd om zijn leven goed op de rit te krijgen en te houden. De verdediging kan zich vinden in het strafadvies van de Raad, te weten een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke werkstraf.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals uit
de hierna te noemen rapportage van de Raad van 11 maart 2026 en uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing, door het afsteken van een vuurwerkbom bij een woning in de nachtelijke uren. De verdachte heeft dit in opdracht van een onbekende gedaan en heeft hiervoor € 1.200 gekregen. De opdracht kreeg de verdachte via Snapchat; er was een oproep geplaatst of iemand snel geld wilde verdienen. De verdachte had dit moeten negeren, maar is in plaats daarvan actief op het voorstel ingegaan en heeft de opdracht uiteindelijk aanvaard.
Ten tijde van de ontploffing waren de moeder met haar vijf (deels nog heel jonge) kinderen in de woning aanwezig. Zij moesten door de ontploffing plotseling en midden in de nacht hun woning verlaten. Hierdoor hebben zij veel gevoelens van angst en onveiligheid ervaren. Dit blijkt uit wat de vader op de zitting heeft gezegd over de gevolgen voor zijn gezin, als ook uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de moeder en twee van de oudere dochters. De verdachte heeft niet nagedacht over de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers, maar heeft zich enkel laten leiden door “snel geld”. De getroffen woning maakt onderdeel uit van een appartementencomplex waar meerdere mensen wonen. Dat kennelijk zomaar een vuurwerkbom bij de voordeur van een woning in een appartementencomplex kan worden gelegd, moet ook voor de buren ongetwijfeld een zeer beangstigende gedachte zijn.
De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.
Strafblad van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet
op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 februari 2026. Hieruit blijkt dat hij geen eerdere veroordelingen op zijn naam heeft staan.
Persoonlijke omstandigheden
Uit de rapportage van de Raad blijkt dat er voor de verdachte verschillende risicofactoren bestaan en dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. De verdachte heeft een belast verleden. Hij heeft in de afgelopen tijd veel woonwisselingen meegemaakt en heeft zijn moeder ruim een jaar niet gezien doordat zij gedetineerd zat op Curaçao. De verdachte, destijds 14 jaar, woonde in die periode niet huis, maar inmiddels weer wel. Omdat in de thuissituatie nog steeds zorgen bestaan, zal bekeken worden wat voor de verdachte een passende toekomstige woonplek is.
Verder gaat de verdachte, mede vanwege de vele woonwisselingen, al twee jaar niet naar school en heeft hij daardoor geen gestructureerde en zinvolle dagbesteding, wat negatieve effecten kan hebben op zijn ontwikkeling. Positief is dat verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden heeft weten te houden, een positieve vrijetijdsbesteding heeft (intensieve voetbaltraining) en een goed contact heeft met zijn Nova Forte-coach, bij wie hij steeds meer open durft te zijn.
De Raad acht hulpverlening en begeleiding vanuit de jeugdreclassering voor de verdachte nodig, zodat hij zich op een positieve manier kan ontwikkelen en zo recidive zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zal de positieve ontwikkelingen en ingezette hulpverlening doorkruisen. Gelet op de kwetsbaarheid van de verdachte acht de Raad jeugddetentie als voorwaardelijke strafmodaliteit niet passend.
De Raad heeft geadviseerd om aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke jeugddetentie, zo mogelijk gelijk aan de duur van zijn voorarrest, en een voorwaardelijke werkstraf als ‘stok achter de deur’.
Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen als bijzondere voorwaarden te worden verbonden een meldplicht bij de jeugdreclassering, het meewerken aan het vinden en behouden van een positieve dagbesteding in de vorm van school/werk en het meewerken aan hulpverlening en begeleiding vanuit Nova Forte Zorg of een soortgelijke instelling.
Namens de jeugdreclassering is hierop aangevuld dat de verdachte een voorzichtige positieve ontwikkeling laat zien, maar nog wel een weg te gaan heeft. De verdachte heeft een goede klik met zijn huidige coach, dat is positief. Op een passende school voor de verdachte is helaas nog geen zicht. Hier wordt vanuit de jeugdreclassering zoveel mogelijk druk op gezet.
De verdachte heeft op de zitting aangegeven dat hij spijt heeft van zijn handelen en dat hij gemotiveerd is om iets van zijn toekomst te maken. Hij heeft hierbij in zijn ogen echter geen hulpverlening nodig.
De straf
Vanwege de ernst van het feit is in beginsel een jeugddetentie een passende reactie. Het was ook voor de verdachte natuurlijk duidelijk dat een vuurwerkbom plaatsen heel gevaarlijk en heel kwaadaardig is. Aan de gevolgen voor de slachtoffers heeft de verdachte niet gedacht, hij dacht alleen maar aan het geld.
De rechtbank houdt er wel rekening mee dat de verdachte jong was, geen ouderlijke begeleiding had ten tijde van het feit en misbruikt is door criminelen om hun vuile werk op te knappen. De verdachte op de zitting rechtstreeks spijt betuigd aan het slachtoffer, dat op de zitting aanwezig was. Deze spijtbetuiging kwam op de rechtbank oprecht over.
Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte hulpverlening nodig heeft om zich op een positieve manier te kunnen ontwikkelen, zijn belaste verleden te kunnen verwerken en hiermee recidive te kunnen voorkomen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend
is. Na de 24 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft vastgezeten hoeft hij niet opnieuw terug naar de jeugdgevangenis. De rechtbank is van oordeel dat dit de prille positieve ontwikkelingen in het leven en de houding van de verdachte en de daarvoor noodzakelijke voortzetting van de hulpverlening zou doorkruisen. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte opleggen 120 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, 96 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de hiervoor genoemde, door de Raad geadviseerde, bijzondere voorwaarden verbinden.
Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte een contactverbod op te leggen met de slachtoffers, (tenzij met goedvinden van de jeugdreclassering en onder begeleiding van professioneel betrokkenen contact eventueel nodig is in het kader van herstelbemiddeling).
Voor een contactverbod met de nog op te sporen/te vervolgen/te veroordelen mededaders, zoals namens de benadeelde partijen is verzocht, ziet de rechtbank geen mogelijkheden, reeds omdat bij gebreke van gegevens over welke personen dat betreft daaraan geen praktische uitvoering kan worden gegeven.
Vanwege de ernst van het feit zal de rechtbank verder aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen voor de duur van 60 uur, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte ook nu nog de gevolgen dient te
ondervinden van zijn handelen. Daarbij heeft de verdachte op dit moment geen zinvolle
en gestructureerde dagbesteding en is een werkstraf ook vanuit pedagogisch oogpunt passend.

9.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

De slachtoffers van de ontploffing bestaan uit een gezin met een vader, een moeder en hun vijf (deels minderjarige) dochters.
[de benadeelde partij 1] (de vader), [de benadeelde partij 2] (de moeder), [de benadeelde partij 3] (meerderjarige dochter) en [de benadeelde partij 4] (meerderjarige dochter) hebben zich gesteld als benadeelde partijen en vorderen ieder voor zich de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade per persoon wegens het ten laste gelegde feit, vermeerderd met de wettelijke rente.
[de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] hebben zich tevens als benadeelde partijen gesteld namens
hun minderjarige dochters [de benadeelde partij 5] , [de benadeelde partij 6] en [de benadeelde partij 7] , en vorderen de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade per persoon wegens het ten laste gelegde feit, vermeerderd met de wettelijke rente.
Ten aanzien van alle vorderingen is verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Wat betreft de minderjarige benadeelde partijen is verzocht om te bepalen dat de
vordering zal worden uitbetaald door middel van storting op een ten behoeve van elk van de minderjarigen te openen rekening, met een zogenoemde BEM-clausule, ter bescherming van belangen van de minderjarigen.
9.1
Standpunt van de officier van justitie
Gelet op de aard en de ernst van de normschending, bestaande uit het met een vuurwerkbom bij de woning veroorzaken van een ontploffing met onder meer levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen, is sprake van een ‘aantasting in de persoon’. Dat de ontploffing impact heeft gehad op het gezin is evident. Dit geldt wat betreft de officier van justitie ook voor de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] , de vader van het gezin, die op het moment van de ontploffing weliswaar niet thuis was, maar wiens woning en wiens gezin het betrof.
De vorderingen zijn uitvoerig onderbouwd, maar een deel daarvan gaat uit van schade
die is ontstaan door een aan de tenlastegelegde explosie voorafgegane langere periode van belaging/bedreigingen. Deze schade valt niet te verhalen op de verdachte, nu niet is gebleken dat hij iets te maken heeft met andere strafbare feiten die jegens de benadeelde partijen zijn gepleegd.
De officier van justitie heeft dan ook geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen tot een bedrag van € 5.000,- per persoon, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de officier van justitie geconcludeerd tot hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte met de mededaders (opdrachtgevers) nu het opsporingsonderzoek naar de medeverdachten en de opdrachtgever van de ontploffing nog loopt.
De benadeelde partijen dienen voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen.
9.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om de vordering van de benadeelde [de benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Hij was ten tijde van de explosie niet thuis. Bij deze omstandigheid is de aard en de ernst van de normschending niet dusdanig dat geestelijk letsel dan wel een ‘aantasting in de persoon’ zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen.
Wat betreft de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] is bepleit om deze te matigen tot een bedrag van € 1.000,-. De vorderingen van alle dochters moeten volgens de verdediging primair niet-ontvankelijk worden verklaren dan wel worden afgewezen, subsidiair moeten deze worden gematigd tot een bedrag van € 1.000,- per persoon.
9.3
Oordeel van de rechtbank
De raadsvrouw van de benadeelde partijen heeft de vorderingen – kort samengevat – primair gebaseerd op het geheel aan stelselmatige en langdurige bedreigingen/intimidaties waardoor de slachtoffers schade hebben geleden.
Subsidiair is deze bewezenverklaarde explosie van 8 juli 2025 aan de vorderingen ten grondslag gelegd.
De rechtbank stelt ten aanzien van de primaire grondslag vast dat uit het dossier blijkt dat de verdachte alleen betrokken is geweest bij de explosie op 8 juli 2025 en geen verband bestaat tussen hem en enig ander strafbaar feit dat eerder jegens de benadeelde partijen is gepleegd. Er is verder niet gesteld of gebleken dat de verdachte op de hoogte was van de context van stelselmatige eerdere bedreigingen/intimidaties rondom de benadeelden. Schade door de eerdere stelselmatige eerdere bedreigingen/intimidaties kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan de verdachte worden toegerekend.
Enkel schade veroorzaakt door en toe te rekenen aan de explosie zoals bewezenverklaard komt voor vergoeding in aanmerking.
Aantasting in persoon op andere wijze
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam
of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade)
heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen, is de rechtbank van oordeel dat zij door het bewezenverklaarde feit op andere wijze in hun persoon zijn aangetast nu de nadelige gevolgen voor hen voor de hand liggen.
Duidelijk is geworden dat de explosie op 8 juli 2025 psychische gevolgen voor het gezin heeft gehad, in die zin dat zij kampen met gevoelens van angst en onveiligheid. Dit geldt
ook voor [de benadeelde partij 1] . Hij was weliswaar niet aanwezig in de woning ten tijde van
de ontploffing, maar het betrof wel zijn woning en zijn gezin was daarin wel aanwezig. Daarmee is hij ook rechtstreeks slachtoffer van dit feit en is ook voor hem dat geestelijk letsel aan te nemen.
De rechtbank is echter van oordeel dat niet is gebleken dat de jongste dochter, [de benadeelde partij 6] , die ten tijde van de explosie 4 jaar was, bewust was van de aard en de ernst van het strafbare feit, gelet op haar jonge leeftijd, zodat een aantasting in de persoon in haar geval niet zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Onderbouwing van eventueel geestelijk letsel bij [de benadeelde partij 6] ontbreekt. Zij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de namens haar ingediende vordering.
De rechtbank zal de overige vorderingen toewijzen tot een bedrag van € 1.000,- per persoon. De vorderingen zijn in zoverre ook niet betwist door de verdediging en de rechtbank acht dit bedrag passend bij de situatie. Dit bedrag is lager dan verzocht door de benadeelde partijen en de officier van justitie, omdat de rechtbank van oordeel is dat de vorderingen voor het overige onvoldoende zijn onderbouwd. De onderbouwing ziet voor een groot gedeelte op de nadelige gevolgen van een lange periode van eerdere belaging en bedreigingen/intimidaties, waaronder de explosie op 2 juli 2025 en incidenten die ten aanzien van overige familieleden hebben plaatsgevonden. De rechtbank kan zich voorstellen dat deze langslepende situatie een grote impact heeft op het gezin, zoals ook op de zitting is gebleken. Ook is voorstelbaar dat deze context de impact van de explosie op 8 juli 2025 nóg groter heeft gemaakt, maar de rechtbank kan niet vaststellen welk deel van de vorderingen – boven het juistgenoemde bedrag van € 1.000,- – verder nog rechtstreeks in verband kan worden gebracht met de explosie van 8 juli 2025. Nader onderzoek hiernaar levert gelet op de complexiteit van de situatie bovendien een onevenredige belasting van de strafprocedure op.
De rechtbank zal de benadeelde partijen dan ook voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vorderingen eventueel aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen toewijzen tot een bedrag van
€ 1.000,- per benadeelde partij (met uitzondering van [de benadeelde partij 6] ), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025.
Omdat de verdachte het bewezenverklaarde feit samen met nog onbekende mededaders
heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk, in juridische termen betreft dit de zogenaamde hoofdelijke aansprakelijkheid.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partijen [de benadeelde partij 5] en [de benadeelde partij 7] minderjarig zijn, bepaalt de rechtbank ten aanzien van deze benadeelde partijen dat de schadevergoeding
moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).
Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarigen.
De minderjarigen en hun wettelijke vertegenwoordigers kunnen – tot de minderjarigen achttien jaar zijn – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet.
De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1000,- per benadeelde partij aan de Staat moet betalen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
honderd en twintig (120) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot zes en negentig (96) dagen
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 24 dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
* zich zal melden bij de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, te Flevoland, afdeling jeugdreclassering, en zich daarna gedurende de proeftijd en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;
* zal meewerken aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school/werk/dagbesteding en zijn rooster zal volgen, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* zal meewerken aan hulpverlening en begeleiding vanuit Nova Forte Zorg of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de hierna te noemen personen, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, tenzij met goedvinden van de jeugdreclassering en onder begeleiding van professioneel betrokkenen contact eventueel nodig is in het kader van herstelbemiddeling:
- [de benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 3] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 4] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 7] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 5] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 6] , geboren op [geboortedatum] .
Geeft opdracht aan de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde gehouden is om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
zestig (60) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.
Beslissing op de vorderingen benadeelde partijen Rakas en Zamrani:
Wijst de vordering van de benadeelde partijen:
- [de benadeelde partij 1] ,
- [de benadeelde partij 2] ,
- [de benadeelde partij 3] ,
- [de benadeelde partij 4] ,
- [de benadeelde partij 7] ,
- [de benadeelde partij 5] ,
gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 1.000,- (immateriële schade)
perbenadeelde partij,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de hiervoor genoemde benadeelde partijen van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd
Verklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van:
- [de benadeelde partij 1] ,
- [de benadeelde partij 2] ,
- [de benadeelde partij 3] ,
- [de benadeelde partij 4] ,
- [de benadeelde partij 7] ,
- [de benadeelde partij 5] ,
aan de Staat
€ 1.000,00perbenadeelde partijte betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de
medeverdachten aan de benadeelde partijen en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre
van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partijen in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen.
BEM-clausule
Bepaalt dat ten aanzien van de benadeelde partijen:
- [de benadeelde partij 7] ;
- [de benadeelde partij 5] ;
de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op ten behoeve van de benadeelde partijen te openen rekeningen met een BEM-clausule.
[de benadeelde partij 6]
Verklaart [de benadeelde partij 6] niet-ontvankelijk in de vordering.
Beslissing over voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter tevens kinderrechter,
mr. P.E van der Veen en mr. J. Lintjer, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier S. Rebel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 maart 2026.
mr. A.K. Mireku en mr. J. Lintjer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.