3.3.2Bewijsmotivering
Op 25 september 2025 is bij een controle op de luchthaven Schiphol cocaïne aangetroffen in de koffer van de verdachte en in die van haar medereiziger en [medeverdachte] . In de koffer van de verdachte zaten zes zogenaamde kiloblokken met een totaal netto gewicht van 6013,6 gram. In de koffer van de medeverdachte zaten ook zes zogenaamde kiloblokken met een totaal netto gewicht van 5996,2 gram.
Vol opzet
Voor de beantwoording van de vraag of de aangetroffen cocaïne opzettelijk door de verdachte binnen het grondgebied van Nederland is gebracht, is het uitgangspunt dat een passagier bekend is met de inhoud van zijn bagage en voor die inhoud ook verantwoordelijk is. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat die wetenschap niet heeft bestaan en vol opzet op de invoer van de cocaïne dus ontbreekt.
De verdachte heeft verklaard dat zij niet wist dat er cocaïne in haar koffer of de koffer van de medeverdachte zat. De verdachte heeft over het verloop van de reis de volgende verklaring afgelegd.
De verdachte en de medeverdachte kennen elkaar al enkele jaren en zijn goed bevriend. Nadat de verdachte een drukke periode achter de rug had, heeft de medeverdachte haar aangeboden ter ontspanning mee op reis te gaan naar Sint Maarten. De reis zou vier dagen duren en zowel de reis als het verblijf zou worden betaald door de medeverdachte. Na aankomst op Sint Maarten zijn de verdachte en de medeverdachte met de auto opgehaald door een persoon van wie de medeverdachte vertelde dat het zijn neef was en zijn ze naar het hotel gebracht. Na twee dagen vertelde de medeverdachte dat ze de vakantie vroegtijdig moesten afbreken en eerder terug moesten vliegen vanwege stakingen bij de luchtvaartmaatschappij. De verdachte was hierover teleurgesteld maar heeft dit aanvaard omdat de medeverdachte de vakantie bekostigde. De verdachte en de medeverdachte zijn opnieuw door de neef van de medeverdachte met de auto opgehaald en naar het vliegveld gebracht.
Onderweg naar het vliegveld stopte de neef bij een snackbar en stelde hij voor dat de verdachte en de medeverdachte wat konden eten. De verdachte wilde dit niet omdat ze geen honger had en graag naar het vliegveld wilde omdat ze al laat waren. Toch zijn de verdachte en de medeverdachte uitgestapt. De neef vertelde dat hij souvenirs moest kopen maar dat hij snel weer terug zou zijn. Terwijl de koffers van de verdachte en de medeverdachte nog in de auto lagen, is de neef met deze auto weggereden. De verdachte heeft tegen de medeverdachte gezegd dat ze dit raar vond en dat ze wilde controleren of alles nog in haar koffer zat. De medeverdachte heeft gezegd dat zij zich geen zorgen hoefde te maken en dat zijn neef zo terug zou zijn. Na ongeveer twintig minuten keerde de neef terug en heeft hij de verdachte en de medeverdachte naar het vliegveld gebracht. Op het vliegveld wilde de verdachte haar koffer controleren. Zij is naar het toilet gegaan om deze controle uit te voeren maar dit lukte niet omdat de ruimte daarvoor te klein was. De medeverdachte vertelde haar dat zij zijn neef kon vertrouwen en dat het niet nodig was de koffer te controleren. Omdat er haast was, heeft de verdachte uiteindelijk niet de tijd gehad haar koffer te controleren voordat zij deze heeft ingecheckt.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte over de geschetste gang van zaken aannemelijk, omdat ze wordt bevestigd door de verklaring van de medeverdachte en bovendien niet in strijd is met de overige onderzoeksbevindingen van het Drugsteam Schiphol van de Koninklijke Marechaussee. Daarbij valt in het bijzonder een chatbericht op van een van de afhalers, waarin over de verdachte wordt gezegd: “het meisje weet het niet” en “laat ze lunch kopen en je verstopt het”). De rechtbank gaat ervan uit dat “de neef” van de medeverdachte (waarvan later is gebleken dat dit geen neef van hem was) de pakketten cocaïne in de koffers heeft gestopt in de twintig minuten dat hij met de koffers uit beeld verdween. Dit is gebeurd buiten het zicht en buiten medeweten van de verdachte, die dus niet wist dat zich nadien in de koffers cocaïne bevond. Er kan daarom niet bewezen worden dat zij heeft gehandeld met vol opzet.
Voorwaardelijk opzet
Er kan ook niet worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet. Hiervan zou sprake kunnen zijn geweest als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat cocaïne in de koffer(s) zou zitten (oftewel: het grote risico op de koop toe had genomen). Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de rechtbank niet voor, gelet op het volgende.
De verdachte heeft zelf verklaard dat zij argwaan had nadat de koffers korte tijd waren meegenomen door “de neef” en dat zij wilde controleren of er niets uit de koffers was weggenomen. Zij heeft dit uiteindelijk niet gedaan, omdat de ruimte waar zij dit wilde doen niet geschikt was, de medeverdachte haar op het hart drukte dat er niks aan de hand en de neef te vertrouwen was en er bovendien grote haast was om het vliegtuig te halen.
Het is voorstelbaar dat de verdachte onder deze omstandigheden geen nader onderzoek naar de inhoud van haar koffer heeft ingesteld. Daarbij speelt mee dat zij onder grote tijdsdruk moest handelen en bovendien goed bevriend was met de medeverdachte en zij dus redelijkerwijze mocht vertrouwen op zijn geruststellende woorden. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich cocaïne in haar koffer bevond.
De omstandigheid dat de koffer bij aankomst op het vliegveld in Sint Maarten meer moet hebben gewogen dan daarvoor, maakt dat niet anders. Het betrof immers een rolkoffer en het is niet gebleken dat de verdachte de koffer gedurende de reis (meer dan een kort moment) heeft getild.
Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de invoer van cocaïne in Nederland. In zoverre moet de verdachte dan ook worden vrijgesproken.
Nu niet is bewezen dat de verdachte opzet had op de invoer van cocaïne, zal zij ook worden vrijgesproken van het medeplegen daarvan.
Wel kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat in de bagage van de verdachte een hoeveelheid cocaïne bij binnenkomst in Nederland is aangetroffen. Daarmee kan het impliciet subsidiair als overtreding strafbaar gestelde handelen in strijd met artikel 2, onder A, van de Opiumwet ten laste gelegde bewezen worden verklaard.