ECLI:NL:RBNHO:2026:337

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
15/252492-25 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het invoeren van cocaïne zonder opzet

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het invoeren van 6 kilogram cocaïne op 25 september 2025 te Schiphol. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, zonder vaste woon- of verblijfplaats, in de koffer cocaïne had, maar dat er geen bewijs was voor opzet. De officier van justitie had gevorderd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, maar de verdediging pleitte voor vrijspraak op basis van afwezigheid van schuld. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet wist dat er cocaïne in haar koffer zat, omdat deze door een medereiziger was toegevoegd zonder haar medeweten. De rechtbank kwam tot de conclusie dat er geen opzet of voorwaardelijk opzet kon worden bewezen, en sprak de verdachte vrij van het opzettelijk invoeren van cocaïne. Wel werd vastgesteld dat de verdachte in strijd met de Opiumwet had gehandeld, wat leidde tot een veroordeling tot 3 maanden gevangenisstraf.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/252492-25 (P)
Uitspraakdatum: 6 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 en 23 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in P.I. [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Sobering en van hetgeen de verdachte en haar raadsman (mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam) naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 25 september 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het opzettelijk invoeren van cocaïne wegens het ontbreken van opzet. Ten aanzien van het niet opzettelijk invoeren van cocaïne verzoekt de raadsman de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat sprake zou zijn van afwezigheid van alle schuld.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis.
3.3.2
Bewijsmotivering
Op 25 september 2025 is bij een controle op de luchthaven Schiphol cocaïne aangetroffen in de koffer van de verdachte en in die van haar medereiziger en [medeverdachte] . In de koffer van de verdachte zaten zes zogenaamde kiloblokken met een totaal netto gewicht van 6013,6 gram. In de koffer van de medeverdachte zaten ook zes zogenaamde kiloblokken met een totaal netto gewicht van 5996,2 gram.
Vol opzet
Voor de beantwoording van de vraag of de aangetroffen cocaïne opzettelijk door de verdachte binnen het grondgebied van Nederland is gebracht, is het uitgangspunt dat een passagier bekend is met de inhoud van zijn bagage en voor die inhoud ook verantwoordelijk is. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat die wetenschap niet heeft bestaan en vol opzet op de invoer van de cocaïne dus ontbreekt.
De verdachte heeft verklaard dat zij niet wist dat er cocaïne in haar koffer of de koffer van de medeverdachte zat. De verdachte heeft over het verloop van de reis de volgende verklaring afgelegd.
De verdachte en de medeverdachte kennen elkaar al enkele jaren en zijn goed bevriend. Nadat de verdachte een drukke periode achter de rug had, heeft de medeverdachte haar aangeboden ter ontspanning mee op reis te gaan naar Sint Maarten. De reis zou vier dagen duren en zowel de reis als het verblijf zou worden betaald door de medeverdachte. Na aankomst op Sint Maarten zijn de verdachte en de medeverdachte met de auto opgehaald door een persoon van wie de medeverdachte vertelde dat het zijn neef was en zijn ze naar het hotel gebracht. Na twee dagen vertelde de medeverdachte dat ze de vakantie vroegtijdig moesten afbreken en eerder terug moesten vliegen vanwege stakingen bij de luchtvaartmaatschappij. De verdachte was hierover teleurgesteld maar heeft dit aanvaard omdat de medeverdachte de vakantie bekostigde. De verdachte en de medeverdachte zijn opnieuw door de neef van de medeverdachte met de auto opgehaald en naar het vliegveld gebracht.
Onderweg naar het vliegveld stopte de neef bij een snackbar en stelde hij voor dat de verdachte en de medeverdachte wat konden eten. De verdachte wilde dit niet omdat ze geen honger had en graag naar het vliegveld wilde omdat ze al laat waren. Toch zijn de verdachte en de medeverdachte uitgestapt. De neef vertelde dat hij souvenirs moest kopen maar dat hij snel weer terug zou zijn. Terwijl de koffers van de verdachte en de medeverdachte nog in de auto lagen, is de neef met deze auto weggereden. De verdachte heeft tegen de medeverdachte gezegd dat ze dit raar vond en dat ze wilde controleren of alles nog in haar koffer zat. De medeverdachte heeft gezegd dat zij zich geen zorgen hoefde te maken en dat zijn neef zo terug zou zijn. Na ongeveer twintig minuten keerde de neef terug en heeft hij de verdachte en de medeverdachte naar het vliegveld gebracht. Op het vliegveld wilde de verdachte haar koffer controleren. Zij is naar het toilet gegaan om deze controle uit te voeren maar dit lukte niet omdat de ruimte daarvoor te klein was. De medeverdachte vertelde haar dat zij zijn neef kon vertrouwen en dat het niet nodig was de koffer te controleren. Omdat er haast was, heeft de verdachte uiteindelijk niet de tijd gehad haar koffer te controleren voordat zij deze heeft ingecheckt.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte over de geschetste gang van zaken aannemelijk, omdat ze wordt bevestigd door de verklaring van de medeverdachte en bovendien niet in strijd is met de overige onderzoeksbevindingen van het Drugsteam Schiphol van de Koninklijke Marechaussee. Daarbij valt in het bijzonder een chatbericht op van een van de afhalers, waarin over de verdachte wordt gezegd: “het meisje weet het niet” en “laat ze lunch kopen en je verstopt het”). De rechtbank gaat ervan uit dat “de neef” van de medeverdachte (waarvan later is gebleken dat dit geen neef van hem was) de pakketten cocaïne in de koffers heeft gestopt in de twintig minuten dat hij met de koffers uit beeld verdween. Dit is gebeurd buiten het zicht en buiten medeweten van de verdachte, die dus niet wist dat zich nadien in de koffers cocaïne bevond. Er kan daarom niet bewezen worden dat zij heeft gehandeld met vol opzet.
Voorwaardelijk opzet
Er kan ook niet worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet. Hiervan zou sprake kunnen zijn geweest als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat cocaïne in de koffer(s) zou zitten (oftewel: het grote risico op de koop toe had genomen). Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de rechtbank niet voor, gelet op het volgende.
De verdachte heeft zelf verklaard dat zij argwaan had nadat de koffers korte tijd waren meegenomen door “de neef” en dat zij wilde controleren of er niets uit de koffers was weggenomen. Zij heeft dit uiteindelijk niet gedaan, omdat de ruimte waar zij dit wilde doen niet geschikt was, de medeverdachte haar op het hart drukte dat er niks aan de hand en de neef te vertrouwen was en er bovendien grote haast was om het vliegtuig te halen.
Het is voorstelbaar dat de verdachte onder deze omstandigheden geen nader onderzoek naar de inhoud van haar koffer heeft ingesteld. Daarbij speelt mee dat zij onder grote tijdsdruk moest handelen en bovendien goed bevriend was met de medeverdachte en zij dus redelijkerwijze mocht vertrouwen op zijn geruststellende woorden. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich cocaïne in haar koffer bevond.
De omstandigheid dat de koffer bij aankomst op het vliegveld in Sint Maarten meer moet hebben gewogen dan daarvoor, maakt dat niet anders. Het betrof immers een rolkoffer en het is niet gebleken dat de verdachte de koffer gedurende de reis (meer dan een kort moment) heeft getild.
Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de invoer van cocaïne in Nederland. In zoverre moet de verdachte dan ook worden vrijgesproken.
Nu niet is bewezen dat de verdachte opzet had op de invoer van cocaïne, zal zij ook worden vrijgesproken van het medeplegen daarvan.
Wel kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat in de bagage van de verdachte een hoeveelheid cocaïne bij binnenkomst in Nederland is aangetroffen. Daarmee kan het impliciet subsidiair als overtreding strafbaar gestelde handelen in strijd met artikel 2, onder A, van de Opiumwet ten laste gelegde bewezen worden verklaard.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
zij op 25 september 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld. Zij is zich verontschuldigbaar niet bewust geweest van de aanwezigheid van drugs in haar koffer.
De rechtbank verwerpt dit verweer omdat zij van oordeel is dat ter zake van de overtreding de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld, omdat niet is gebleken dat de verdachte alle maatregelen heeft genomen die in redelijkheid van haar konden worden gevergd om naleving van de Opiumwet te verzekeren. Onder de gegeven omstandigheden zoals hiervoor weergegeven onder 3.3, mocht immers van de verdachte worden verlangd dat zij – gelet op haar eigen argwaan – meer onderzoek had uitgevoerd en haar koffer daadwerkelijk had geopend.
Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte een straf op te leggen die de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht, niet overschrijdt.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren van een materiaal bevattende cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van mensen zeer schadelijke stof is, waarvan het gebruik moet worden ontmoedigd. De ingevoerde hoeveelheid van 6013,6 gram was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verdachte heeft aan de invoer van die hoeveelheid cocaïne een bijdrage geleverd, weliswaar niet opzettelijk maar niettemin verwijtbaar.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 7 november 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Dit weegt dan ook niet in haar nadeel mee.
Op te leggen straf
De aangetroffen hoeveelheid cocaïne brengt mee dat niet met een andere sanctie kan worden volstaan dan met een vrijheidsbenemende sanctie. Nu het opzet op de invoer echter ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat moet worden volstaan met een gevangenisstraf van drie maanden.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,
mr. I.M. Hendriks en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.C. ten Klooster,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 januari 2025.