Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3358

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/15/375780
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging spoeduithuisplaatsing bekrachtigd, reguliere uithuisplaatsing afgewezen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om bekrachtiging van de voorlopige ondertoezichtstelling en verlenging van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van zes minderjarige kinderen vanwege ernstige zorgen over hun veiligheid en opvoedsituatie. De kinderen verblijven sinds kort in een gespecialiseerd gezinshuis na een crisisplaatsing van de moeder en kinderen op een geheime locatie.

De ouders zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De moeder erkent de noodzaak van ondertoezichtstelling maar verzet zich tegen de verlenging van de uithuisplaatsing, stellende dat minder ingrijpende hulpverlening mogelijk is. De vader verzet zich eveneens tegen de uithuisplaatsing en stelt dat de kinderen bij hem geplaatst zouden moeten worden. De gecertificeerde instelling rapporteert dat het goed gaat met de kinderen in het gezinshuis.

De kinderrechter constateert dat het recht op hoor en wederhoor is geschonden doordat ouders en hun gemachtigden een incompleet dossier ontvingen. Desondanks handhaaft de rechter de voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot 31 maart 2026. De verlenging van de uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat deze niet noodzakelijk is en niet in het belang van de kinderen. De moeder toont bereidheid tot hulpverlening in de thuissituatie, en de rechter benadrukt het belang van rust, stabiliteit en het voorkomen van verdere onderbreking van de schoolgang van de kinderen.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing worden bekrachtigd, maar de verlenging van de uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/375780 / JU RK 26-449
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
[de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 4] ,
[de minderjarige 5], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 5] ,
[de minderjarige 6], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 6] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.F.M. Visscher, kantoorhoudende te Volendam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. M.A. Knobben, kantoorhoudende te Nijverdal,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 17 maart 2026 en de daarbij behorende stukken;
  • de spoedrapportage van de Raad van 18 maart 2026;
  • het verweerschrift van 23 maart 2026 van de advocaat van de moeder met bijlagen.
1.2.
Op 25 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat, beiden aanwezig via videoverbinding,
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] hebben hierover apart van elkaar en via telefonische verbinding, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Door omstandigheden en met instemming van partijen, heeft de kinderrechter de kinderen gehoord na de zitting

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 2026 de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld tot 17 juni 2026. De kinderrechter heeft bij dezelfde beschikking tevens een machtiging verleend de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 31 maart 2026 en heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.
2.3.
Op basis van deze machtiging verblijven de kinderen bij een gespecialiseerd gezinshuis, op een geheim adres.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen te bekrachtigen. Ook verzoekt de Raad de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de resterende duur van het verzoek, te weten voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de Raad het volgende naar voren gebracht.
3.2.
De kinderen groeien vermoedelijk al lange tijd op binnen grote (dreigende) onveiligheid door zorgen over dwingende controle, intieme terreur en fysieke mishandeling door de vader richting de moeder en de kinderen. Met instemming van de moeder is zij samen met de kinderen ongeveer twee weken geleden op een geheime crisisplek geplaatst. Daar is duidelijk geworden dat de moeder onvoldoende in staat is om de zorg te dragen voor de kinderen. Er zijn signalen gezien van fysiek en verbaal geweld tussen de kinderen en van de kinderen naar de moeder. Ook werd verwaarlozing van de kinderen gezien. Daarnaast doen de kinderen allemaal een groter dan gemiddeld beroep doen op hun verzorgers door hun eigen individuele problematiek, zoals spraak- taalproblematiek, traumaproblematiek en autisme. Er wordt ingeschat dat de moeder dermate overbelast en overvraagd is, dat zij niet in staat is om te kunnen profiteren van bijvoorbeeld ambulante spoedhulp. Het is nodig dat met de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing rust en veiligheid gecreëerd wordt, zodat vanuit daaruit verder gewerkt kan worden.
3.3.
Ter zitting heeft de Raad naar voren gebracht zich grote zorgen te maken over de veiligheid van alle gezinsleden. De kinderen groeien al jaren op in een zorgelijke opvoedsituatie. De Raad wil eerst de veiligheid van de kinderen waarborgen en daarna onderzoeken hoe ouders op een veilige manier betrokken kunnen worden.

4.De standpunten

4.1.
Namens de moeder heeft de advocaat zich niet verzet tegen de ondertoezichtstelling. Bij de kinderen is onder meer sprake van autisme en (vermoedens van een ernstige) een taalontwikkelingsachterstand. Ook volgens de moeder heeft zij daar opvoedondersteuning voor nodig. De moeder verzet zich wel tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De periode voor de uithuisplaatsing, verliepen de contactmomenten met de vader niet goed en vonden incidenten plaats tussen de vader en de kinderen. Omdat dat reden was tot zorg en de door de moeder verzochte hulpverlening voor de kinderen niet op gang kwam, is door het Jeugdteam besloten dat de moeder en de kinderen op de crisisplek zouden verblijven. Van daaruit zou de hulp sneller op gang komen, maar dat is niet gebeurd. Integendeel, de situatie werd zorgelijker. De ruimte op de crisisplek was beperkt, de kinderen mochten niet naar buiten en ook niet naar school. Het klopt dat de kinderen daar overprikkeld raakten en ruzie maakten met elkaar, maar dat is niet gek in die situatie en gelet op de problematiek van de kinderen. Dat de kinderen vervolgens uit huis zijn geplaatst, is een te verstrekkende maatregel geweest. Er zijn minder ingrijpende opties, zoals intensieve ambulante hulpverlening, die niet door de Raad zijn onderzocht en wel passend zijn. De huidige gang van zaken, waarbij met de ouders een aangepast raadsrapport is gedeeld, is ten slotte in strijd met de goede procesorde.
4.2.
Namens de vader heeft de advocaat zich niet verzet tegen de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de uithuisplaatsing van de kinderen. De Raad stelt dat bij de vader sprake is van onveiligheid, maar geeft daar geen onderbouwing van. Het is voor de vader niet duidelijk waarom de kinderen bij hem niet veilig zouden zijn. Zonder toelichting is aan de vader medegedeeld dat hij de kinderen niet meer kan zien. De vader is volledig buiten spel gezet. De vader ziet dat de moeder een goede moeder is en wil dat de kinderen weer bij haar gaan wonen. Als toch een uithuisplaatsing nodig is, zouden de kinderen bij de vader geplaatst moeten worden, nu niet is aangetoond waarom het bij hem onveilig is voor de kinderen. Ook de advocaat van de vader stelt dat de huidige gang van zaken, waarbij door de Raad met de ouders een aangepast rapport is gedeeld, in strijd is met de goede procesorde.
4.3.
De GI heeft naar voren gebracht dat het over het algemeen goed gaat met de kinderen in het gezinshuis. De situatie is rustiger en de kinderen gebruiken geen geweld naar elkaar. De GI gaat onderzoeken hoe zij de moeder het beste kunnen helpen en wat voor hulp voor de kinderen ingezet kan worden.

5.De mening van de kinderen

5.1.
[de minderjarige 4] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben verteld dat zij graag terug naar huis en de moeder willen.

6.De beoordeling

6.1.
In verband met de door de Raad gestelde grote zorgen over de veiligheid van de kinderen, heeft de Raad besloten om aan de ouders een aangepast rapport te verstrekken. Ook de gemachtigden hebben alleen inzage gekregen in dat aangepaste rapport. Ter zitting is gebleken dat de gemachtigden evenmin de beschikking van 17 maart 2026 hebben ontvangen, waarin de zorgen over het gezin zijn verwoord. De kinderrechter is het met de gemachtigden eens dat sprake is van strijd met de goede procesorde. Het recht van hoor en wederhoor is immers geschonden. De ouders en hun gemachtigden beschikken over een incompleet dossier, waardoor zij onvoldoende in staat zijn geweest om een goed en gemotiveerd verweer te voeren.
6.2.
De Raad heeft toegezegd het oorspronkelijke verzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan de beschikking van 17 maart 2026 direct na de zitting aan partijen te verstrekken. Ook de beschikking is (nogmaals) aan partijen verstrekt. Omdat de kinderrechter in deze beschikking het verzoek om de kinderen langer uit huis te plaatsen zal afwijzen, ziet de kinderrechter geen aanleiding om het verzoek aan te houden voor een nader inhoudelijk standpunt van partijen.
De voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
6.3.
Op grond van de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, ziet de kinderrechter geen aanleiding om het oordeel geformuleerd in de beschikking van
17 maart 2026 over de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te wijzigen. Deze beslissing zal dan ook worden gehandhaafd.
De machtiging tot uithuisplaatsing
6.4.
Ten aanzien van de verdere machtiging tot uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter als volgt. De moeder is een maand geleden op 27 februari 2026 vanwege ernstige zorgen over onder meer intieme terreur vanuit de vader naar een geheime crisisplek gebracht. Gedurende het verblijf van de moeder en de kinderen op de crisisplek, kwamen zorgen naar voren over de relatie tussen de moeder en de kinderen en in hoeverre de moeder de zorg voor de kinderen kon dragen. Omdat grote zorgen waren over de veiligheid van de kinderen, de situatie op de geheime crisisplek niet langer houdbaar was en om rust te creëren voor de moeder enerzijds en de kinderen anderzijds, zijn de kinderen bij beschikking van 17 maart 2026 voorlopig onder toezicht gesteld en is een spoedmachtiging verleend om de kinderen gezamenlijk in een gespecialiseerd gezinshuis te plaatsen.
6.5.
Op grond van de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is een langere uithuisplaatsing naar het oordeel van de kinderrechter echter niet noodzakelijk en niet in het belang van de kinderen.
6.6.
Duidelijk is dat de verblijfssituatie op de geheime crisisplek voor zowel de moeder als de kinderen niet langer houdbaar was. De kinderrechter acht het voorstelbaar dat het plotselinge vertrek van de kinderen uit hun vertrouwde omgeving en de beperkte ruimte aldaar voor veel onrust heeft gezorgd bij de kinderen en – in elk geval deels – zijn weerslag op hun gemoedstoestand heeft gehad. Juist voor deze kinderen, met hun individuele problematiek, is rust, voorspelbaarheid en stabiliteit noodzakelijk. Inmiddels verblijven de kinderen op een andere, grotere, locatie en heeft de GI naar voren gebracht dat de situatie daar tussen de kinderen onderling rustig is.
6.7.
Het is de kinderrechter niet gebleken dat voor de plaatsing op de crisisplek hele grote zorgen waren over de opvoedcapaciteiten van de moeder. De zorgen waren vooral gericht op de vader en het onvermogen van de moeder om weerstand aan hem te bieden in verband met de zorgen over intieme terreur. Bij de kinderen is vanwege hun individuele kind kenmerken sprake van een verzwaarde zorgbehoefte. Ter zitting is voor de kinderrechter echter duidelijk geworden dat de moeder doende was daar hulp voor in te schakelen, wat door de Raad niet is betwist. Onweersproken is dat in de thuissituatie nog geen passende hulpverlening is ingezet, terwijl de moeder daar kennelijk wel voor open staat. De inschatting van de Raad dat de moeder niet in staat zou zijn om te kunnen profiteren van hulpverlening in de thuissituatie, lijkt dan ook voorbarig te zijn geweest.
6.8.
De kinderrechter overweegt verder dat de oudste vijf kinderen op een speciale (basis)school zitten en [de minderjarige 6] binnenkort op een speciale school zou starten. Sinds hun vertrek naar de crisisplek zijn de kinderen niet meer naar school geweest. Ook op de huidige opvangplek gaan de kinderen niet naar school. Ter zitting heeft de GI naar voren gebracht dat het lastig is om een passende speciale (basis)school voor de kinderen te vinden en dat nog geen zicht is op een school. Juist nu deze kinderen naar het speciaal onderwijs gaan, acht de kinderrechter een nog grotere onderbreking van hun schoolgang extra schadelijk voor hen.
6.9.
De kinderrechter begrijpt dat de Raad in de gegeven omstandigheden van dit gezin voorzichtig is en vanuit die voorzichtigheid de kinderen langer op de huidige locatie wil laten verblijven om zicht te krijgen. De grootste zorg ziet echter niet op de moeder, maar op de gestelde intieme terreur en de onveiligheid vanuit de vader. Het is daarom van belang dat zicht komt op de rol van de vader, zijn relatie met de kinderen en dat de veiligheid van de kinderen in kaart wordt gebracht. Een uithuisplaatsing van de kinderen is hiervoor echter niet noodzakelijk. Niet uit het oog moet worden verloren dat de huidige uithuisplaatsing van deze kinderen, waarbij zij gescheiden zijn van hun hoofdopvoeder waar in de relatie moeder – kind geen grote veiligheidszorgen zijn, schadelijk voor hen is. Van belang is om nu stevige hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder in te zetten, gericht op opvoedondersteuning en de weerbaarheid van de moeder. In het vrijwillig kader is de hulpverlening kennelijk niet goed van de grond gekomen of bleek deze niet passend voor de kinderen, vanwege hun problematiek. Het is daarom van belang dat de GI regie gaat voeren en de moeder ondersteunt bij het vinden van passende hulpverlening.
6.10.
Bovenstaande betekent dat het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing wordt bekrachtigd tot 31 maart 2026, zoals ook is verleend in het spoedverzoek. Voor het overige wordt het verzoek afgewezen.

7.De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verdere verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.