ECLI:NL:RBNHO:2026:3350

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
15.144983.25 & 02/403725-24 (ttz. gevoegd) (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36d SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling met vuurwapen tijdens Koningsnacht in Haarlem

Op 27 april 2025 vond tijdens Koningsnacht in de Jansstraat te Haarlem een schietincident plaats waarbij het slachtoffer in de schouder werd geraakt. De verdachte ontkende schutter te zijn, maar de rechtbank achtte op basis van camerabeelden, getuigenverklaringen en forensisch bewijs wettig en overtuigend bewezen dat hij drie keer op het slachtoffer heeft geschoten met een vuurwapen.

Daarnaast werd de verdachte verdacht van het voorhanden hebben van munitie en het rijden zonder rijbewijs terwijl hij nog geen 18 jaar was. De rechtbank sprak de verdachte vrij van schuldheling met betrekking tot een vermoedelijk gestolen auto, maar veroordeelde hem voor het bezit van munitie en het rijden zonder rijbewijs.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 90 dagen op, waarvan 62 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie bij niet-naleving. Tevens werd de verdachte veroordeeld tot betaling van €4.024,95 schadevergoeding aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade. De in beslag genomen telefoon werd onttrokken aan het verkeer, terwijl de zonnebrillen werden teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie (gedeeltelijk voorwaardelijk), 100 uur werkstraf en betaling van schadevergoeding voor poging zware mishandeling met vuurwapen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15.144983.25 & 02/403725-24 (ttz. gevoegd) (P)
Uitspraakdatum: 30 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 16 maart 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officier van justitie [officier van justitie] ;
- wat de verdachte en zijn raadsman mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Haarlem, op zitting naar voren hebben gebracht;
- het advies van [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering);
- de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] en de toelichting hierop door zijn gemachtigde [gemachtigde van de benadeelde partij] , letselschadejurist;
- wat de ouders van de verdachte naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van parketnummer 15.144983.25
Feit 1hij op of omstreeks 27 april 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen, een of meerdere projectielen, op en/of in de richting van die [de benadeelde partij] heeft geschoten, waarbij die [de benadeelde partij] in en/of aan zijn schouder, althans zijn lichaam, is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 april 2025 te Haarlem [de benadeelde partij] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen, een of meerdere projectielen, op en/of in de richting van die [de benadeelde partij] te schieten.
Feit 2hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Bloemendaal munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 140 stuks, American Eagle van het kaliber .22 LR voorhanden heeft gehad.
Ten aanzien van parketnummer 02/403725-24
Feit 1hij op of omstreeks 12 november 2024 te Dorst, gemeente Oosterhout, een personenauto ( [automerk] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 november 2024 te Dorst, gemeente Oosterhout (van) een personenauto ( [automerk] ), althans een of meer voorwerpen,
(sub a)
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den),
en/of
(sub b)
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Feit 2hij op of omstreeks 12 november 2024 te Dorst, gemeente Oosterhout, op de weg, A27, een motorrijtuig van de rijbewijscategorie A1 of B of E bij B of C1 of E bij C1, dan wel in het bezit van een getuigschrift van vakbekwaamheid een motorrijtuig van de rijbewijscategorie C of E bij C of D1 of E bij D1, te weten een personenauto, heeft bestuurd, terwijl hij de minimumleeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van parketnummer 15.144983.25
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit en van het onder feit 2 tenlastegelegde feit.
Ten aanzien van parketnummer 02/403725-24
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling (met partiële vrijspraak van de opzetheling).
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto waarin hij reed van diefstal afkomstig was. De kentekenplaten waren zichtbaar vervalst. Het landenteken in het blauwe gedeelte van de kentekenplaten was niet in de kentekenplaten verwerkt, maar was een sticker op de kentekenplaten. Ook was geen lamineercode aangebracht op de voorzijde van de kentekenplaten. Evenmin zat er een goed leesbaar en onuitwisbaar keurmerk op de kentekenplaten. Daarnaast werkten de knoppen van de autosleutel voor het portier volgens de politie niet, wat het vermoeden gaf dat het om een gekopieerde sleutel ging. De verdachte heeft verklaard dat de auto werd gebruikt door een groep vrienden uit zijn buurt en hij er geen kentekenpapieren bij had gekregen. Onder deze opvallende omstandigheden had de verdachte meer onderzoek naar de auto moeten doen.
De officier van justitie heeft eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van parketnummer 15.144983.25
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Op grond van het dossier kan zijns inziens niet wettig en overtuigend bewezen worden dat het de verdachte is geweest die
- met een tot op heden onbekend gebleven vuurwapen - heeft geschoten op/in de richting van het slachtoffer [de benadeelde partij] . Hiervoor acht de raadsman het volgende van belang.
De verdachte ontkent al vanaf zijn aanhouding dat hij de schutter is geweest. Hij was de bewuste Koningsavond en Koningsnacht met twee vrienden op pad in Haarlem en werd, om voor hem onbekende redenen, op enig moment gevolgd door een grote groep jongens. Omdat de groep in versnelde pas achter hem en zijn vrienden aanliep de Jansstraat in en er van alles naar hen werd geroepen, dacht de verdachte dat de groep het op hem had gemunt. Hij heeft daarom een paar keer achterom gekeken. Dat hij hierbij kennelijk zijn arm een keer naar achteren heeft uitgestrekt, wil niet zeggen dat hij met een vuurwapen heeft geschoten. Dat kan ook gewoon wijzen zijn. Op de camerabeelden is niet te zien dat de verdachte een vuurwapen in zijn hand heeft. Wel is daarop te zien dat wanneer hij de Janstraat inloopt, hij in zijn rechterhand iets vast heeft wat sterk lijkt op een flesje water.
Onbekend is gebleven met welk wapen is geschoten en of dit een vuurwapen betrof. Er is in ieder geval geen vuurwapen aangetroffen op de plaats waar het schietincident heeft plaatsgevonden. Er zou sprake zijn geweest van drie afgevuurde projectielen, maar ook deze zijn niet teruggevonden op of in de buurt van het schietincident. Over het stukje van het projectiel waarmee de aangever zou zijn geraakt, is niets geverbaliseerd. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft bovendien gerapporteerd dat gelet op het te horen geluid ook met een alarmpistool geschoten zou kunnen zijn. Een foto of andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de kleding van het slachtoffer [de benadeelde partij] is doorboord, zit niet in het dossier.
Daarnaast komt de foto op het TikTok account [account] , op grond waarvan het slachtoffer de verdachte heeft herkend, niet overeen met de verdachte. Ook de rechter-commissaris gaf destijds aan dat het goed mogelijk kon zijn dat de foto op het betreffende TikTok account niet de verdachte betreft. Verder is door de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van getuige [getuige 1] en zijn vrienden onbetrouwbaar zijn, ook omdat de verklaringen op elkaar afgestemd zouden kunnen zijn. Ze wilden niet afzonderlijk van elkaar verklaren en zijn pas ruim twee weken na het incident gehoord. Er is ook door getuige [getuige 2] verklaard dat is geschoten door iemand met een donkere huidskleur, wat duidelijk niet de verdachte kan zijn. Misschien is het wel zo dat vanuit de groep van [getuige 1] is geschoten op de verdachte en zijn vrienden.
Voor het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van parketnummer 02/403725-24
De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit van feit 1. Er kan volgens de verdediging op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de auto waarin hij reed, van diefstal afkomstig was. De door de politie vastgestelde valsheidskenmerken waren voor een gewone burger als de verdachte niet opvallend. Met de sleutel kon daarnaaast de auto gewoon worden gestart. Ook voor het subsidiair tenlastegelegde witwassen bevat het dossier onvoldoende bewijs.
Voor het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraakparketnummer 02/403725-24 feit 1
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder parketnummer 02/403725-24 als feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Met de officier van justitie is de rechtbank het eens dat het dossier geen bewijs bevat voor wetenschap bij de verdachte van de illegale herkomst van de auto. Anders dan de officier van justitie kan de rechtbank op basis van het dossier echter ook niet vaststellen dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto waarin hij reed, van diefstal afkomstig was.
Zo bevat het dossier onvoldoende concrete gegevens over de wijze waarop de auto kon worden geopend en gestart. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de verdachte enkel
op basis van het feit dat de knoppen van de autosleutel voor het ver– en ontgrendelen van de auto niet werkten, had moeten vermoeden dat het om een gestolen auto ging. De verdachte kon de auto immers starten met de sleutel en hij heeft ermee van Haarlem naar Breda kunnen rijden. Ook over de valsheidskenmerken van de kentekenplaten bevat het dossier onvoldoende feitelijke informatie om vast te kunnen stellen dat deze afwijkingen ten opzichte van een echte kentekenplaat van dusdanige van aard waren, dat zij voor een gewone burger zoals de verdachte redelijkerwijs had moeten opvallen en aanleiding hadden moeten geven nader onderzoek te doen naar de echtheid daarvan. Het dossier bevat verder ook geen informatie om uit te kunnen sluiten dat de verklaring van de verdachte, dat de bewuste auto niet van hem was, maar werd gedeeld in zijn vriendengroep, juist is. Dat de verdachte in deze omstandigheden niet heeft gevraagd om de kentekenpapieren, maar ervanuit ging dat die in de auto lagen zoals hij heeft verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende om te stellen dat hij had moeten vermoeden dat er iets niet in orde was met de herkomst van de auto. Ook voor het subsidiair ten laste gelegde witwassen, ziet de rechtbank gelet op het voorgaande onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt in parketnummer 15.144983.25 tot bewezenverklaring van de onder
feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten, namelijk (respectievelijk) poging zware mishandeling en het voorhanden hebben van munitie, en in parketnummer 02/403725-24
van het onder feit 2 ten laste gelegde feit, namelijk rijden zonder rijbewijs, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering parketnummer 15.144983.25 feit 1 primair
Tijdens Koningsnacht 2025 is in de Jansstraat in Haarlem met een vuurwapen geschoten waarbij het slachtoffer [de benadeelde partij] is geraakt in zijn linkerschouder. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het de verdachte is geweest die heeft geschoten op het slachtoffer.
Anders dan de verdediging acht de rechtbank op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op de bewuste Koningsnacht de schutter is geweest. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op grond van de bewijsmiddelen staat het volgende vast. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij de langste was ten opzichte van de twee vrienden met wie hij die avond was, een donkere muts op had met horizontale streep en witte sneakers droeg. De verdachte erkent de persoon te zijn die in het proces-verbaal van bevindingen met een uitwerking van de camerabeelden van pagina 47 en verder door verbalisant [verbalisant] ‘de verdachte’ wordt genoemd. De aangever heeft de schutter omschreven als de lange jongen, die met twee anderen was en achter wie de aangever met een groepje is aangelopen om deze lange jongen te confronteren. Deze jongen heeft volgens de aangever een revolver op hem gericht en geschoten, op een afstand van ongeveer drie meter.
Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte en zijn twee vrienden op enig moment de Jansstraat inlopen, waarbij een grote groep jongens achter hen aanloopt en de verdachte meermalen achterom kijkt. De verdachte heeft ter zitting bevestigd dat dit zo is gegaan.
De verdachte loopt vervolgens nog verder, waarna hij op een gegeven moment stilstaat en
drie harde knallen te horen zijn. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte, terwijl hij achterom kijkt, zijn rechterarm naar achteren strekt in de richting van het slachtoffer [de benadeelde partij] . Te zien is dat terwijl hij zijn rechterarm meermalen naar achteren uitstrekt ook de wijsvinger van zijn rechterhand gestrekt is. Dit past volgens de wapenexpert van de politie bij het richting geven aan schoten en het ter hand hebben van een vuurwapen. Daarna rent de verdachte weg, terwijl zijn rechterhand naar zijn jaszak beweegt. Op de camerabeelden is te zien dat het slachtoffer [de benadeelde partij] na de geloste schoten naar zijn linkerschouder grijpt. De verbalisant bij wie slachtoffer [de benadeelde partij] zich direct na het voorval heeft gemeld, zag een rood wondje op de linkerschouder van het slachtoffer. Het slachtoffer overhandigde die verbalisant een kleine kogel die hij eruit had gehaald. Een fragment van dit projectiel is de wapenexpert van de politie getoond en past naar zijn deskundig oordeel bij een loden projectiel van een verschoten kaliber .22 patroon. Vast staat dat bij een doorzoeking (ongeveer een maand na het schietincident) in de slaapkamer van de verdachte drie doosjes met patronen van het kaliber .22 (longrifle) zijn aangetroffen. Zij waren in goede staat en bruikbaar om verschoten te worden. Een van de doosjes was niet meer volledig gevuld.
De voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht
de rechtbank redengevend voor het oordeel dat de verdachte geschoten heeft op aangever. Hiertegenover heeft de verdachte verklaard dat hij alleen een waterflesje in zijn handen heeft gehad. Deze verklaring acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. De rechtbank kan de verdediging volgen in de stelling dat wat in de hand van de verdachte te zien is op het moment dat hij aan het begin van de Jansstraat is, lijkt op een waterflesje. Maar anders dan de verdediging wil, is daarmee niet aannemelijk dat de verdachte nadat hij een stuk verder de Jansstraat in is gelopen nog steeds een waterflesje in zijn hand had. Hij heeft tussen het begin van de Jansstraat en de plek waar hij stilstond toen de schoten klonken immers gelegenheid gehad iets anders, een wapen, ter hand te nemen.
Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte op de bewuste nacht de schutter is geweest.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte door te schieten
op slachtoffer [de benadeelde partij] de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat dit inderdaad het geval is en overweegt daartoe als volgt.
Op basis van de camerabeelden is door de wapenexpert van de politie de afstand tussen
de schutter en het slachtoffer, op het moment van het eerste schot, geschat op vijf meter.
Op het moment dat het tweede en het derde schot werden gelost, liep het slachtoffer door, maar liep de schutter niet of nauwelijks vooruit. Hierdoor werd de onderlinge afstand korter, wat past bij de verklaring van het slachtoffer dat de schutter op het moment van schieten op ongeveer drie meter bij hem vandaan stond. Op deze korte afstand tot het slachtoffer heeft de verdachte drie schoten gelost in de richting van het slachtoffer. Dit terwijl het donker was en de situatie druk en hectisch was. Het projectiel is door twee lagen kleding heen geboord en heeft een wondje op de schouder veroorzaakt. Het projectiel moet dus met enige kracht zijn aangekomen. Het slachtoffer is geraakt in zijn rechterschouder, niet ver van zijn hals en hoofd, zijnde kwetsbare lichaamsdelen, nabij de halsslagader, ogen en oren. Door onder genoemde omstandigheden dit projectiel op het slachtoffer af te vuren heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan bij het slachtoffer [de benadeelde partij] .
De primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling is dus wettig en overtuigend bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in parketnummer 15/144983-25 de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en het in parketnummer 02/403725-24 onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
Ten aanzien van parketnummer 15.144983.25
Feit 1hij op 27 april 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een wapen, meerdere projectielen, op en/of in de richting van die [de benadeelde partij] heeft geschoten, waarbij die [de benadeelde partij] in zijn schouder is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2hij op 23 mei 2025 te Bloemendaal munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 140 stuks, American Eagle van het kaliber .22 LR voorhanden heeft gehad.
Ten aanzien van parketnummer 02/403725-24
Feit 2
hij op 12 november 2024 te Dorst, gemeente Oosterhout, op de weg A27, een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B, te weten een personenauto, heeft bestuurd, terwijl hij de minimumleeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 15.144983.25
Feit 1Poging zware mishandeling
Feit 2Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Ten aanzien van parketnummer 02/403725-24
Feit 2
Overtreding van artikel 110 van Pro de Wegenverkeerwet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de verdachte te veroordelen tot 90 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 62 dagen voorwaardelijk, met een
proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, namelijk dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en moet meewerken met de begeleiding en hulpverlening vanuit Co-Fiducia. De officier van justitie acht het passend om de bijzondere voorwaarden voor de duur van een jaar op te leggen.
Daarnaast heeft de officier gevorderd om de verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen voor de duur van 120 uur, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 dagen jeugddetentie.
6.2
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak blijft voor de verdediging enkel een veroordeling over voor het bezit van munitie en het rijden zonder rijbewijs terwijl de verdachte nog geen achttien jaar was. Voor deze feiten is de verdachte al genoeg gestraft door de periode die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Daarom is door de verdediging bepleit om de op te leggen straf te beperken tot 28 dagen onvoorwaardelijke jeugddetentie, gelijk aan de periode van de voorlopige hechtenis.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft
de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten,
de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals
uit de hieronder te noemen rapportage van de Raad van 10 maart 2026 en het onderzoek op de zitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee misdrijven, te weten een poging zware mishandeling en het voorhanden hebben van munitie en aan een overtreding, het rijden zonder rijbewijs terwijl hij de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.
Het zwaartepunt ligt voor de rechtbank bij de poging zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer [de benadeelde partij] drie maal, van korte afstand, beschoten met een wapen. Het slachtoffer is hierbij geraakt in zijn linkerschouder, waarbij het slachtoffer een relatief kleine verwonding aan zijn schouder opliep, maar dit letsel had makkelijk zwaarder kunnen zijn. De verdachte heeft hiermee niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachoffer geschonden, maar ook zijn gevoel van veiligheid aangetast. Het slachtoffer heeft nog een paar maanden last gehad van zijn schouder en heeft onder meer nog steeds pijn als hij voor zijn werk zware spullen moet tillen. Daarnaast is het slachtoffer nog een paar maanden angstig geweest, waardoor hij niet heeft kunnen werken. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank kan zich voorstellen dat de verdachte zich ongerust maakte toen de groep van het slachtoffer achter hem aanliep. De reactie van de verdachte hierop, het gebruik maken van een wapen dat hij klaarblijkelijk tot zijn beschikking had, is echter buitensporig en onacceptabel geweest. De schietpartij vond plaats op straat, tijdens een drukke Koningsnacht, met veel mensen in de stad. Door zijn handelen had de verdachte ook een willekeurige voorbijganger met een schot kunnen treffen. Nadat de schoten waren afgevuurd, rende men alle kanten op en ontstond veel commotie. Dit soort heftige incidenten geven veel gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft verder munitie voorhanden gehad. Volgens de verdachte bewaarde hij tegen betaling de munitie voor een ander, maar ook als dat waar zou zijn, is dat zorgelijk. Met een wapen voorzien van munitie kunnen slachtoffers worden gemaakt, zoals in deze zaak ook daadwerkelijk is gebeurd.
Het rijden zonder rijbewijs terwijl de verdachte nog geen achttien was, is een serieus te nemen overtreding. De verdachte heeft hiermee zeer onverantwoordelijk gedrag laten zien. Als hij een ongeval had veroorzaken, hadden daarbij ook andere mensen betrokken kunnen raken en zou er geen verzekeringsdekking zijn geweest.
Strafblad van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam
van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 februari 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf. Wel heeft hij op 25 april 2023 een strafbeschikking gekregen wegens baldadigheid. Dit neemt de rechtbank echter niet mee in de strafoplegging, gelet op de aard van dat strafbare feit.
Persoonlijke omstandigheden
Uit de rapportage van de Raad komt onder meer naar voren dat uitsluitend beschermende factoren rondom de verdachte worden gezien, waardoor het risico op recidive als erg laag wordt ingeschat. De verdachte groeit op bij liefdevolle ouders, volgt een opleiding en heeft een baan in de elektrotechniek. Daarnaast werkt hij op een positieve manier mee aan de coaching van Co-Fiducia en heeft hij zich aan alle andere opgelegde schorsingsvoorwaarden gehouden.
De Raad heeft op de zitting aangevuld dat bij een bewezenverklaring wel zorgen bestaan over de gewetensontwikkeling van de verdachte. Dit betekent immers dat hij al die tijd geen openheid van zaken heeft gegeven over zijn handelen. De vraag is waarom hij dit niet doet.
Ook zijn op de zitting punten aan de orde gekomen die voor de Raad niet bekend waren, omdat de Raad helaas niet over het gehele strafdossier beschikte. De benoemde punten, onder meer informatie uit de telefoon met betrekking tot wapens en drugs, zijn in het kader van het coachingstraject van de verdachte het bespreken waard. Wel heeft de Raad er vertrouwen in dat de verdachte in staat is om zijn positieve ontwikkeling door te zetten en dat hij niet meer met de verkeerde personen omgaat.
Gelet op het voorgaande en de ernst van het feit, heeft de Raad geadviseerd om aan de verdachte, bij een bewezenverklaring, een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan zijn voorarrest. De Raad acht opnieuw naar de jeugdgevangenis moeten niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte.
Verder heeft de Raad geadviseerd om aan het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarden te verbinden dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en dient mee te (blijven) werken aan de coaching vanuit Co-Fiducia. Wat betreft de bijzondere voorwaarden acht de Raad een periode van zes maanden voldoende, omdat deze met name gericht zijn op de delict bespreking en het bespreken van mogelijk andere zaken waar de verdachte zich in het verleden mee bezig heeft gehouden.
De jeugdreclassering heeft zich op de zitting aangesloten bij het advies van de Raad.
De straf
Gelet op de ernst van de feiten, waarbij het zwaartepunt ligt op de poging zware mishandeling en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, is in beginsel een jeugddetentie passend. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij zich sinds zijn schorsing op 19 juni 2025 aan de opgelegde (strenge) bijzondere voorwaarden heeft gehouden (waarbij hij door een avondklok van zes maanden nog een tijd in zijn vrijheid beperkt is geweest), zich daar goed voor heeft ingezet, de positieve ontwikkeling die hij mede door de coaching van Co-Fiducia doormaakt en het laag ingeschatte risico op recidive. De rechtbank volgt de Raad daarom in het advies een straf op te leggen waardoor de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. De rechtbank is van oordeel dat dit zijn positieve ontwikkeling zal doorkruisen en hiermee het risico op recidive zal vergroten.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een jeugddetentie van 90 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de jeugddetentie, te weten 62 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, te weten het houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en het (blijven) meewerken aan de coaching van Co-Fiducia.
De rechtbank vindt met de Raad belangrijk dat in het kader van de hulpverlening de delict bespreking kan plaatsvinden, zodat de verdachte alsnog verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Ook omdat de bijzondere voorwaarden met name hierop gericht zullen zijn en de positieve ontwikkeling van de verdachte en het lage risico op recidive een lange proeftijd onnodig maken volgens de Raad, legt de rechtbank een proeftijd op voor de duur van één jaar in plaats van de door de officier van justitie gevorderde twee jaar.
Om voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten, zal de rechtbank daarnaast aan de verdachte opleggen een werkstraf voor de duur van 100 uur, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 dagen jeugddetentie. Het is belangrijk dat de verdachte ook nu nog de gevolgen ondervindt van zijn keuze om strafbaar te handelen.
De duur van de werkstraf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van schuldheling komt.
7. Vordering benadeelde partij parketnummer 15.144983.25 feit 1
[de benadeelde partij] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert om de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ter hoogte van € 4.024,95, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gestelde schade bestaat uit € 24,95 materiële schade (een kapot T-shirt) en € 4.000,00 aan immateriële schade (fysiek en psychisch letsel).
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot gehele toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is gelet op het gevoerde vrijspraakverweer, bepleit om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden door het bewezenverklaarde, voor het gevorderde bedrag.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast
in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval is gebaseerd op het lichamelijk letsel en aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. In dit geval staat vast dat het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen doordat hij beschoten is.Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgt uit
de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling door met een vuurwapen, van korte afstand, drie maal te schieten in de richting van de benadeelde partij, waarbij de benadeelde partij is geraakt in zijn schouder. De benadeelde partij heeft hierdoor enkele maanden met gevoelens van angst gekampt en durfde gedurende drie maanden nauwelijks de deur meer uit. De schietpartij heeft grote impact op het slachtoffer gehad, waarbij hij langere tijd het gevoel heeft gehad dat het zijn laatste dag had kunnen zijn.
Gelet op bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en nu de vordering door de verdediging onbetwist is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, in het bijzonder de categorie voor algemeen geestelijk letsel van minder ernstige aard. De rechtbank wijst ook dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij voor een totaalbedrag van € 4.024,95 zal worden toegewezen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 27 april 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet.

8.Beslag

Uit de beslaglijst blijkt dat bij de doorzoeking van de slaapkamer van de verdachte,
in het kader van het opsporingsonderzoek naar de onder parketnummer 15/144983-25
ten laste gelegde feiten, onder meer een telefoon van het merk en type Samsung A05 (voorwerpnummer [voorwerpnummer] ) in beslag is genomen en twee zonnebrillen van Cartier (voorwerpnummers [voorwerpnummer] en [voorwerpnummer] ).
Standpunt van de officier van justitie
De telefoon diende ter voorbereiding van feiten als het bewezenverklaarde voorhanden hebben van munitie. De beide brillen zijn door de douane beoordeeld als vals
(pagina 113 dossier) en zijn daarmee in strijd met de wet. De officier van justitie heeft gevorderd om telefoon en de zonnebrillen te onttrekken aan het verkeer.
Beslissing van de rechtbank ten aanzien van de telefoon
De rechtbank gaat er, in tegenstelling tot wat de verdachte hierover heeft verklaard, vanuit dat de Samsung A05 de telefoon van de verdachte is. De rechtbank baseert zich hierbij op de bevindingen over de historische gegevens van deze telefoon op pagina 65 en verder. De telefoon is namelijk aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte. Daarnaast straalden de twee zendmasten in de gebruiksperiode voornamelijk aan bij het adres van de moeder en het adres van de vader van de verdachte. Verder heeft de telefoon veel contact gehad met de nummers van de vader en moeder van de verdachte.
De rechtbank is op grond van de inhoudelijk analyse van de telefoon in het proces-verbaal van pagina 90 en verder van oordeel dat de telefoon moet worden onttrokken aan het verkeer op grond van artikel 36d Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). In de betreffende telefoon zijn veel video's en foto’s aangetroffen waarin wapens worden getest en foto’s van vuurwapens en daarmee verband houdende chats. De verdachte is onder meer veroordeeld voor een poging zware mishandeling door te schieten met een vuurwapen en voor het voorhanden hebben van munitie. De inbeslaggenomen telefoon is daarmee van zodanig aard dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met het algemeen belang, terwijl het kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.
Beslissing van de rechtbank ten aanzien van de zonnebrillen
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de zonnebrillen deels dan wel geheel zijn verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten, zoals bedoeld in artikel 36c onder 1 Sr.
Ook artikel 36d Sr biedt geen grondslag om de zonnebrillen aan het verkeer te onttrekken.
Het ongecontroleerde bezit van de namaak zonnebrillen is weliswaar in strijd met de wet
- blijkens het proces verbaal determinatie op dossierpagina 113 zijn de zonnebrillen ‘inbreukmakend’ - maar deze kunnen niet dienen tot het begaan of de voorbereiding van de strafbare feiten die bewezen zijn verklaard, dan wel tot de belemmeringen van de opsporing daarvan.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de teruggave gelasten van de in beslaggenomen zonnebrillen van Cartier.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36b, 36d, 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302, 417bis van het Wetboek van Strafrecht;
26, 55 van de Wet wapens en munitie;
110, 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte in parketnummer 02/403725-24 onder feit 1 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de in parketnummer 15/144983-25 onder 1 en 2 en de in parketnummer 02/403725-24 onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
negentig(
90) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, te weten twee en zestig (62) dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
één jaar.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten acht en twintig (28) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich meldt bij de gecertificeerde instelling de Jeugd- en Gezinsbeschermers,
afdeling jeugdreclassering, en zich daarna gedurende de proeftijd en op de door de
jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;
- meewerkt en blijft meewerken aan begeleiding en coaching door Co-Fiducia, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de Jeugd- en Gezinsbeschermers, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van honderd
(100) urentaakstraf in de vorm van een
werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijftig (50) dagen jeugddetentie.
Beslissing ten aanzien van het beslag
Onttrekt aan het verkeer het in beslag genomen goed, te weten een telefoon van het merk Samsung A05 (voorwerpnummer [voorwerpnummer] ).
Gelast de teruggave aan de veroordeelde van twee zonnebrillen van Cartier (voorwerpnummers [voorwerpnummer] en [voorwerpnummer] ).
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] toe en veroordeelt de verdachte
tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 4.024,95, bestaande uit
€ 24,95materiële schade en
€ 4.000,-immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
27 april 2025tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij] van een bedrag van
€ 4.024,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
27 april 2025tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Bevel schorsing voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.E. van der Veen, voorzitter,
mr. A.K. Mireku en mr. J. Lintjer, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier S. Rebel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 maart 2026.
mr. A.K. Mireku en mr. J. Lintjer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.