Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3287

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/15/374756 / JU RK 26-252
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met gedragsproblematiek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die kampt met hevige gedragsproblematiek en een bedreigde ontwikkeling. De minderjarige verblijft sinds oktober 2025 in een speciaal voor hem gecreëerde kleinschalige woonvoorziening waar hij intensieve begeleiding ontvangt.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de ouders, een vertegenwoordiger van de GI en een begeleider van de minderjarige aanwezig. De minderjarige zelf is gehoord en gaf aan het verblijf op de groep acceptabel te vinden. De moeder en vader stemden in met het verzoek, hoewel de vader kritiek uitte op de GI vanwege beperkte bereikbaarheid en het stagneren van het contact met zijn zoon.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld. De minderjarige heeft een complexe problematiek met hechtings- en gedragsproblemen, en de huidige woonvoorziening biedt hem de noodzakelijke structuur en begeleiding. De verlenging is noodzakelijk om de hulpverlening voort te zetten en de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt tot 17 maart 2027.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 17 maart 2027 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374756 / JU RK 26-252
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van 4 februari 2026 met bijlagen, ontvangen op 5 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader;
  • [begeleider] , een begeleider van [de minderjarige] vanuit ZIJN;
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI, telefonisch aanwezig.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] heeft in de periode 2017/2018 onder toezicht gestaan. Bij beschikking van de kinderrechter van 17 maart 2022 is [de minderjarige] (opnieuw) onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 14 maart 2025, en duurt nu nog voort tot 17 maart 2026.
2.3.
[de minderjarige] heeft vanaf februari 2020 in een netwerkpleeggezin gewoond. Bij beschikking van 17 maart 2022 is deze plaatsing door de kinderrechter geformaliseerd met een machtiging tot uithuisplaatsing binnen het netwerk. Vervolgens is bij beschikking van 1 september 2022 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend waardoor [de minderjarige] naar de crisisgroep [crisisgroep] van Kenter Jeugdhulp is gegaan. De machtiging tot uithuisplaatsing is vervolgens telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 16 september 2025 en duurt nog voort tot 17 maart 2026.
2.4.
Op basis van bovengenoemde machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [de minderjarige] sinds oktober 2025 op een kleinschalige voorziening van ZIJN en Parlan.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Bij [de minderjarige] is sprake van hevige gedragsproblematiek en er bestaan zorgen over zijn sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk zodat de GI duidelijke kaders kan stellen en regie kan voeren op de nodige hulpverlening. Daarnaast is de GI van mening dat de opvoedsituatie bij zowel de moeder als de vader op dit moment onvoldoende veilig is voor [de minderjarige] om te wonen. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] moet daarom verlengd worden.
3.3.
Ter zitting heeft de GI aangegeven dat er een toetsing na 2 jaar-rapport van de Raad is van 31 januari 2025, waarin de Raad instemt met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft ingestemd met het verzoek. De moeder ziet [de minderjarige] elke woensdagmiddag, wanneer de andere kinderen niet thuis zijn, en dat gaat goed. [de minderjarige] en de vader zijn met elkaar in conflict geraakt, waarna [de minderjarige] de vader niet meer wilde zien.
4.2.
De vader heeft ook ingestemd met het verzoek. Wel laat de GI in de ogen van de vader steken vallen. Zo is de schoolgang van [de minderjarige] nog steeds zeer beperkt en is de GI slecht bereikbaar voor de ouders. Het bemiddelingsgesprek gericht op het contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] kon niet doorgaan omdat de GI afwezig was. De vader hoopt dat snel een nieuwe jeugdbeschermer beschikbaar is voor het gezin. Hij is bang dat hoe langer hij geen contact heeft met [de minderjarige] , hoe meer hun onderlinge band beschadigt. Dat [de minderjarige] de vader opeens niet meer wil zien, komt omdat hij vanuit de moeder wordt belast met volwassenzaken. De vader vindt het knap van [de minderjarige] dat hij vandaag naar de rechtbank durfde te komen en ziet daarin een positieve verandering bij [de minderjarige] ten opzichte van een half jaar geleden.
4.3.
De begeleider van [de minderjarige] vanuit ZIJN heeft naar voren gebracht dat, sinds [de minderjarige] op de groep verblijft, vooruitgang zichtbaar is. Recent is hij gestart met school en huiswerk. [de minderjarige] vindt het af en toe lastig om bepaalde zaken te benoemen en kan dan boos worden. De begeleiders op de groep weten hoe zij met het gedrag van [de minderjarige] moeten omgaan en hanteren daarbij de Triple-C methodiek, wat betekent dat zij ook kijken waar het gedrag van [de minderjarige] vandaan komt. [de minderjarige] heeft een mentor op de groep met wie hij gesprekken voert. Het is nog onduidelijk of, en op welke termijn er andere kinderen op de groep komen wonen. De begeleiders hebben de afgelopen periode gesprekken gevoerd met [de minderjarige] over het contact met de vader. [de minderjarige] hield het contact met de vader af, maar wilde met Valentijnsdag wel een cadeautje voor hem kopen en is toen bij de vader langsgegaan.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
heeft verteld dat het goed gaat op de groep en dat hij fijne begeleiders heeft. Hij vindt het oké om de komende tijd op de groep te blijven. Hij ziet de moeder af en toe en heeft de vader al een tijdje niet gezien.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [de minderjarige] heeft veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt in zijn leven en woont al lange tijd niet meer thuis. Daarnaast is er sprake van spanning en strijd tussen de ouders en wordt [de minderjarige] belast met volwassenproblematiek. Als gevolg hiervan is [de minderjarige] belast met heftige hechtings- en gedragsproblematiek. Hij heeft moeite met vertrouwen en nabijheid en met het reguleren van zijn emoties. Hij kan verbaal en fysiek agressief gedrag laten zien, waarbij hij een gevaar vormt voor zichzelf en voor zijn omgeving. Ook kan hij zich op momenten juist terugtrekken waarbij hij niet meer goed te bereiken is. [de minderjarige] gaat al lange tijd niet meer (volledig) naar school en heeft daardoor nauwelijks contact met leeftijdsgenoten. Recent is op een laagdrempelige wijze de schoolgang weer opgepakt, waarbij [de minderjarige] twee dagdelen naar school gaat en voor de rest zelfstandig huiswerk maakt.
6.3.
[de minderjarige] is in oktober 2025 verhuisd naar een kleinschalige woonvoorziening van ZIJN en Parlan. De plek is speciaal gecreëerd voor [de minderjarige] , en het is de bedoeling dat hij daar kan opgroeien. Op de groep, waar gewerkt wordt met de triple-C methodiek, heeft hij vaste begeleiders en [de minderjarige] heeft elke dag twee-op-één begeleiding. Sinds [de minderjarige] op de groep woont, is een positieve ontwikkeling zichtbaar. Hij krijgt de duidelijkheid, voorspelbaarheid en nabijheid die hij nodig heeft. [de minderjarige] lijkt minder gespannen en er hebben minder incidenten plaatsgevonden.
6.4.
Het is nodig dat de huidige plek van [de minderjarige] voortgezet en geborgd wordt. Daarbij is het belangrijk dat de komende tijd aandacht is voor de opbouw van de schoolgang van [de minderjarige] en voor het contact tussen [de minderjarige] en de vader. Gezien de complexiteit van de problematiek en de verstoorde verstandhouding tussen de ouders, is betrokkenheid van de GI noodzakelijk. Daarbij merkt de kinderrechter op dat bij de start van de zitting, de GI niet aanwezig was. Via contact met de manager [manager] , is [vertegenwoordiger van de GI] bereid bevonden om de zitting via een telefoonverbinding bij te wonen. Zij gaf te kennen dat de vaste jeugdbeschermer van het gezin al enkele weken ziek is en dat nog geen vervanger voor haar is aangewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat op zeer korte termijn door de GI een vervangende jeugdbeschermer wordt aangesteld omdat het van groot belang is dat de hulp aan dit gezin geen vertraging oploopt, zeker gelet op de nu gestagneerde omgang tussen de vader en [de minderjarige] .
6.5.
De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] zijn daarom nog steeds nodig. Mede gelet op de instemmende toetsing van de Raad, is aan de vereisten voldaan. De kinderrechter zal beide maatregelen verlengen voor de verzochte duur van een jaar.
6.6.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
6.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 17 maart 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 17 maart 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.W. van Dongen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 26 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.