ECLI:NL:RBNHO:2026:3279

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
HAA 25/1471
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:26 AwbArt. 5.1 lid 1 sub a OmgevingswetArt. 22.1 OmgevingswetArt. 4.6 lid 1 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8.0a lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgevingsvergunning voor permanente bewoning recreatiewoning Park de Horn

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan en permanente bewoning van haar recreatiewoning op Park de Horn in Dirkshorn toe te staan. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen heeft deze aanvraag geweigerd, omdat permanente bewoning strijdig is met de recreatieve bestemming en het college wil vasthouden aan de revitalisering van het recreatiepark.

De rechtbank heeft eerst beoordeeld of Lecc Exploitatie De Horn B.V. als derde-partij belanghebbende is, maar concludeert dat de gevolgen van de vergunningverlening te gering zijn om dit aan te nemen. Vervolgens is het toetsingskader vastgesteld: het bestemmingsplan geldt als onderdeel van het omgevingsplan en het gebruik voor permanente bewoning is in strijd met dit plan. Het college heeft de aanvraag terecht geweigerd op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving en het belang van een evenwichtige toedeling van functies.

Eiseres voerde aan dat het college onjuist het oude bestemmingsplan hanteert, dat de 70%-regel onterecht is toegepast en dat sprake is van ongelijke behandeling. De rechtbank oordeelt dat het college de weigering deugdelijk heeft gemotiveerd, dat de 70%-regel passend is bij deze ruimtelijke kwestie en dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn.

Ook het beroep op onevenredigheid faalt, omdat de nadelige gevolgen van de weigering in verhouding staan tot het doel van het bestemmingsplan. Overige klachten over het voortraject en handhaving zijn niet relevant voor de vernietiging van het besluit. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor permanente bewoning van de recreatiewoning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1471

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Dirkshorn, eiseres

(gemachtigde: E. Stoop),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen

(gemachtigde: G. Lukken).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan (het toestaan van permanente bewoning van een recreatiewoning) op het adres Park De Horn [perceel 2] in Dirkshorn te weigeren. Eiseres is het niet eens met de weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 27 april 2024 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 25 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

De totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Eiseres woont aan Park de Horn [perceel 2] in Dirkshorn (hierna: het perceel) en heeft een persoonlijke gedoogbeschikking om de recreatiewoning permanent te bewonen. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het omgevingsplan op het perceel. Bij de projectomschrijving in de aanvraag heeft eiseres geschreven:
‘Huidige bestemming wijzigen van bestemming RV2 naar RV3 zodat er een dubbelstemming is en geen inzet meer nodig is voor handhaving’.
3.2.
Met het primaire besluit van 25 juni 2024 heeft het college de omgevingsvergunning voor het toestaan van het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning geweigerd. Het gebruiken van recreatiewoningen voor permanente bewoning is strijdig binnen deze bestemming en het college wenst vast te houden aan de recreatieve bestemming ter plaatse. Het college wil Park de Horn revitaliseren en een ontwikkeling als permanente bewoning van de recreatiewoning past hier niet.
3.3.
Met het bestreden besluit van 28 januari 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college neemt het advies van de commissie bezwaar gemeente Schagen over en vult de motivering aan.

Bespreking van de beroepsgronden

Is Lecc Exploitatie De Horn B.V. derde-partij in deze procedure?
4.1.
Voordat de rechtbank aan de inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden toekomt, zal de rechtbank eerst bespreken of Lecc Exploitatie De Horn B.V. (hierna: Lecc Exploitatie) in deze procedure als derde-partij moet worden aangemerkt. Uit het eerste lid van artikel 6:26 van Pro de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een belanghebbende kan worden aangemerkt als derde-partij.
4.2.
Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 26 juni 2019 [1] geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit – zoals een omgevingsvergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit.
Het criterium “gevolgen van enige betekenis” dat is vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016 [2] , dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
4.3.
Het college heeft op de zitting aangegeven dat Lecc Exploitatie verantwoordelijk is voor het onderhouden van de aanliggende (algemene delen) delen van Park de Horn. Daarmee zijn kosten gemoeid, waaraan de aanwonenden moeten bijdragen, aldus het college.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat Lecc Exploitatie geen belanghebbende is bij deze procedure om een omgevingsvergunning voor het gebruik van één recreatiewoning als permanente woning. Daarbij zoekt de rechtbank aansluiting bij een uitspraak die zij eerder heeft gedaan. [3] De door eiseres aangevraagde vergunning kan hoogstens leiden tot toename van één recreatiewoning die permanent zal worden bewoond, waarbij opgemerkt wordt dat eiseres deze recreatiewoning volgens het college al permanent mag bewonen op basis van een persoonlijke gedoogbeschikking. De gevolgen, als die er al zijn, die een eventuele vergunningverlening met zich zal brengen zijn dus gering. Zo gering dat dit naar het oordeel van de rechtbank niet leidt tot gevolgen voor de bedrijfsvoering van Lecc Exploitatie van enige betekenis. Lecc Exploitatie kan daarom niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit.
Wat is het toetsingskader?
5. Eiseres voert aan dat het college achterloopt. Sinds 1 januari 2024 zijn er flink wat zaken veranderd met de nieuwe Omgevingswet. Het is volgens eiseres onjuist om vast te houden aan het oude bestemmingsplan.
5.1.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [4] Dat omgevingsplan bestaat op dit moment onder andere uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die op 1 januari 2024 golden. Ten tijde van het bestreden besluit gold het bestemmingsplan “Recreatieterreinen Harenkarspel ” (hierna: het bestemmingsplan) dus als onderdeel van het omgevingsplan. Het college heeft de aanvraag in het bestreden besluit dus terecht getoetst aan het bestemmingsplan.
Is sprake van strijdigheid met het omgevingsplan?
6. Op basis van het bestemmingsplan geldt ter plaatse van het perceel de bestemming ‘Recreatie — Verblijfsrecreatie 2’ met de dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie’. In artikel 6.4 van het bestemmingsplan staat dat het gebruik van gebouwen, met uitzondering van beheerderswoningen, voor permanente bewoning in strijd is met de bestemming ‘recreatie – verblijfsrecreatie 2’.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat er bij permanente bewoning op het perceel dus sprake is van strijd met het bestemmingsplan (en dus het omgevingsplan). Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. [5] Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan geen bepaling kent op grond waarvan afgeweken kan worden van het daar bepaalde. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent
.In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat de mogelijkheid van het college om buiten het omgevingsplan om een omgevingsvergunning te verlenen voor een omgevingsplanactiviteit. Een omgevingsvergunning kan ik dat geval alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
7.1.1.
Volgens eiseres is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Eiseres voert aan dat er nu al geen sprake is van een recreatiepark of parkeigenaar. De recreatiewoningen zijn allemaal van particuliere eigenaren inclusief de ondergrond. Er zijn 340 eigenaren en niet 1 parkeigenaar. In 2003 is de bedrijfsmatige exploitatie gestopt en door middel van uitponding is alles verkocht. Dat er geen bedrijfsmatige exploitatie is blijkt ook uit het bestemmingsplan. Iedere keer dat door het college wordt gesproken over recreatiepark en de parkeigenaar is er sprake van valsheid in geschrifte; het is een straat met 340 eigenaren. Eiseres wil een bewijs zien dat Lecc Exploitatie, of haar directeur, de parkeigenaar zou zijn.
7.1.2.
Eiseres voert verder aan dat de tellingen suggestief zijn en er nooit uitslagen bekend zijn gemaakt. De 70/30 regel is misplaatst om de bestemming te wijzigen. Ook is het niet juist om dit toe te passen op Park de Horn omdat dit 340 eigenaren met opstal en eigen grond heeft. De andere parken met Recreatie – verblijfsrecreatie 2 bestemming waar deze onderzoeken plaatsvinden hebben geen eigen grond in tegenstelling tot de Horn. Door het college had volgens eiseres de 49/51 regel gebruikt moeten worden. Bovendien is een deel van de stemmen uitgebracht via volmacht, dit is onder druk van de ‘parkeigenaar’. Er dient opnieuw een stemming plaats te vinden van de eigenaren, los van een ‘parkeigenaar’, aldus de eiseres.
7.2.1.
De rechtbank overweegt dat de vraag of sprake is van een recreatiepark of parkeigenaar voor deze beoordeling niet van belang is en daarom buiten de beoordeling in deze procedure valt. Alleen al daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om bij Lecc Exploitatie B.V. of haar directeur eigendomsbewijzen op te vragen zoals door eiseres is verzocht.
7.2.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de vergunning is geweigerd met het oog op evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit de motivering blijkt dat het college primair de vergunning heeft geweigerd omdat zij wenst vast te houden aan de recreatieve functie – in lijn met de recreatieve bestemming – van Park de Horn. Het college wil Park de Horn revitaliseren en een ontwikkeling als permanente bewoning van de recreatiewoning past daar niet bij. Het college geeft daarbij aan dat het ruimtelijk gezien niet wenselijk is om de functies wonen en recreatie te combineren; de vele wisselingen van bezoekers aan vakantiewoningen kan voor overlast zorgen aan de permanente bewoners.
7.2.3.
Aan het bestreden besluit ligt daarnaast het onderzoek naar de mogelijkheden voor permanente bewoning (uitgevoerd door een extern gespecialiseerd bureau) onder de grondeigenaren ten grondslag. Het college geeft aan dat is afgesproken dat een recreatiepark alleen onderzocht wordt voor permanente bewoning als 70% van de grondeigenaren daarmee akkoord gaat. De rechtbank kan – anders dan eiseres – volgen dat het college het percentage van 70% heeft gehanteerd, omdat het gaat om een ingrijpende ruimtelijke kwestie. Het college heeft toegelicht dat de grondeigenaren konden stemmen via de website van de gemeente. Uit de stemmen blijkt dat er geen 70% is behaald. Ook de uitkomst van dit onderzoek heeft gemaakt dat het college niet van haar primaire standpunt (vasthouden aan de recreatieve functie) is afgeweken. Het college heeft uitgelegd hoe zij na de stemming controle heeft uitgevoerd op de legitimiteit van de stemmen. De grondeigenaren hebben bij de stemming hun persoonsgegevens moeten invullen, zodat het college de gegevens kon toetsen bij het kadaster. Daarbij is naar voren gekomen dat een deel van de tegenstemmen is uitgebracht bij volmacht. Deze heeft het college ingezien en daarbij is vastgesteld dat de ingevulde persoonsgegevens van grondeigenaren op de volmachten overeenkomen met hetgeen tijdens de stemming is ingevuld. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
8.1.
Eiseres voert aan dat op 23 december 2025 door het college wel medewerking is verleend aan een bopa om recreatie/logies om te zetten in wonen. Eiser voert aan dat daarin is beslist:
‘verleende omgevingsvergunning met een Bopa voor het wijzigen van de bestemming van een beheerderswoning van recreatie naar wonen op de locatie [adres] in Dirkshorn.’
Ook is er een aanvraag gedaan voor omzetten van agrarisch naar wonen, deze zal binnen afzienbare tijd worden verleend.
8.2.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.. Het enige concrete geval dat eiseres noemt is [adres] in Dirkshorn. De rechtbank kan het college volgen in de op zitting gegeven uitleg dat geen sprake is van gelijke gevallen. De situatie is reeds anders omdat het in dat geval ging om een beheerderswoning die onderdeel uitmaakt van een afgescheiden recreatiegebied. Hoewel sprake is van hetzelfde bestemmingsplan ligt die beheerderswoning in een ander deel (aan de overkant van de weg) en is de beheerderswoning daar omgeven door reguliere woningen aan weerszijden. De ruimtelijke impact is daarom in dat geval anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheid
9.1.
Eiseres voert aan dat het besluit onevenredig is. Er wordt al 17 á 18 jaar op hetzelfde adres gewoond. De nadelige gevolgen van het besluit staan niet in verhouding tot de aanvraag tot wijziging naar wonen. Er verandert feitelijk niets, behalve dat er geen handhaving kan plaatsvinden, het ‘postadres’ erkend wordt en een wateraansluiting kan worden gevraagd. Er is enorm veel onrust door alle handhavingsverzoeken van derde-partij.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onevenredig besluit. Het college stelt zich op het standpunt dat de nadelige gevolgen van de beslissing, namelijk het weigeren van een omgevingsvergunning voor permanente bewoning van de recreatiewoning, in verhouding zijn tot de te dienen doelen. Eiseres woont al jaren in de recreatiewoning op basis van een individuele gedoogbeschikking. De enkele omstandigheid dat eiseres op dit moment geen postadres en waterafsluiting zou kunnen aanvragen maakt het bestreden besluit niet onevenredig. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
10. Eiseres voert verder aan dat het hele voortraject rommelig is verlopen. Eiseres heeft een paar keer contact gehad met een ambtenaar die uiteindelijk ziek en onbereikbaar werd. Vervolgens was er geen mogelijkheid meer om in contact te komen met de gemeente.
Eiseres voert aan dat het college niet standvastig is. Om de twee jaar komen er nieuwe ambtenaren die geen nieuw verschil kunnen maken. Ook wordt er door de gemeente ruim
€ 200.000,- per jaar uitgegeven om handhavend op te treden op de Horn. Dit geld wordt misplaatst ingezet om een ‘parkeigenaar’ te ondersteunen die geen park bezit. Het is een dictatuur van boa’s die zonder aankondiging of onderbouwing langskomen om te handhaven, aldus eiseres. Wat er van de voorgaande standpunten ook zij, deze standpunten kunnen niet resulteren in een gegrond beroep. Hetgeen is aangevoerd kan namelijk niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit of valt buiten de omvang van deze procedure.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Uitspraak van 24 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:12508
4.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
5.Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.