ECLI:NL:RBNHO:2026:325

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11852297 CV EXPL 25-5579
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet voldaan vonnis en toewijzing betaling aan beslaglegger

Eiser vordert betaling van €8.000 wegens onrechtmatig beslag op zijn woning, stellende dat hij al aan een eerder vonnis had voldaan. Gedaagde had in 2010 beslag gelegd op de woning wegens onbetaalde factuur. Eiser kon niet aantonen dat hij daadwerkelijk had betaald, ondanks dat hij stelde contant te hebben voldaan aan een deurwaarder in 2012. De kantonrechter oordeelde dat eiser niet aan zijn stelplicht had voldaan en dat het niet vaststond dat hij aan het vonnis had voldaan.

Gedaagde werkte mee aan opheffing van het beslag, waardoor de woning geleverd kon worden. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde niet onrechtmatig had gehandeld. In reconventie vorderde gedaagde betaling van de hoofdsom, rente en kosten, waarvan de kantonrechter het bedrag van €7.075,09 toekende, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

De machtiging aan de notaris om het depotbedrag uit te keren werd afgewezen omdat de depotovereenkomst voldoende duidelijk was. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten in conventie, terwijl de proceskosten in reconventie nihil werden begroot. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vordering eiser afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betaling; gedaagde 1 krijgt betaling van €7.075,09 plus rente en proceskosten toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11852297 \ CV EXPL 25-5579
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. B.F. Eble,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [plaats 1],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden], afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
gemachtigde: mr. J.W.J. Hijnen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de akte vermindering van eis van [eiser]
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- het tussenvonnis waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 9 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 1] heeft in 2002 in opdracht van [eiser] een rapport opgesteld. [eiser] heeft de hiervoor uitgebrachte factuur onbetaald gelaten. Bij vonnis van 6 juni 2007 is [eiser] veroordeeld tot betaling.
2.2.
Op 3 augustus 2010 heeft [gedaagde 1] voor een bedrag van € 4.265,24 beslag laten leggen (verder: het beslag) op de woning van [eiser] op het adres [adres] te [plaats 1] (verder: de woning).
2.3.
In juli 2011 heeft [eiser] € 189.173,65 op zijn bankrekening bijgeschreven gekregen in verband met de verkoop van een woonboot.
2.4.
[eiser] heeft in 2025 de woning verkocht. Het door [gedaagde 1] gelegde beslag verhinderde levering van de woning. [eiser] heeft [gedaagde 1] verzocht om tot opheffing van het beslag over te gaan. Hiertoe was [gedaagde 1] enkel bereid als [eiser] tot betaling over zou gaan. [eiser] heeft [gedaagden] vervolgens in rechte betrokken en veroordeling tot vergoeding van de geleden schade gevorderd.
2.5.
Na het uitbrengen van de dagvaarding door [eiser] heeft [gedaagde 1] aangegeven onder voorwaarden bereid te zijn tot doorhaling van het beslag. In verband hiermee is op 29 augustus 2025 tussen partijen een depotovereenkomst tot stand gekomen. Deze bepaalt, voor zover van belang:
“De notaris houdt (…)€ 7.939,08(…) onder zijn berusting ten behoeve van het doorhalen van bovenbedoeld beslag.Eerst ná ondubbelzinnige gelijkluidende schriftelijke opdracht van partijen 1 en 2; dan wel ná een in kracht van gewijsde gegaan of bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis, tussen partijen gewezen in de op de datum van ondertekening van deze overeenkomst bij rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, locatie Haarlem onder zaaknummer K/4102/11852297 tussen partijen aanhangige procedure; dan wel ná een later in kracht van gewijsde gegaan of bij voorraad uitvoerbaar verklaard arrest betreffende hetzelfde geschil tussen partijen; zal het depotbedrag door de notaris worden uitgekeerd overeenkomstig die opdracht of dat vonnis dan wel arrest.
Over het depotbedrag wordt door de notaris een rente vergoed uit te keren tezamen met dat depotbedrag. Deze rente is gelijk aan de rente die aan de notaris wordt vergoed over het depotbedrag volgens diens boekhouding. De gerechtigde tot het (desbetreffende aandeel in) het depotbedrag ontvangt de hiervoor bedoelde rente. Wegens administratiekosten houdt de notaris op het uit te keren bedrag een vergoeding in, berekend naar 1% van het depotbedrag op jaarbasis met een minimum van € 250,00, exclusief btw.”
2.6.
Het depotbedrag is bij de notaris gestald en op 19 september 2025 is de woning vrij van beslag geleverd aan de kopers.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na vermindering van eis – betaling van een bedrag van € 8.000,00.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld door het beslag te handhaven terwijl [eiser] al heeft voldaan aan het vonnis van 6 juni 2007 door contante betaling aan de deurwaarder en door vervolgens een depotovereenkomst af te dwingen. De schade die hieruit voortvloeit moeten worden vergoed.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. Zij voeren eerst aan dat [gedaagde 2] ten onrechte in rechte is betrokken. [gedaagde 2] in persoon is geen contractspartij geweest, wordt niet in het vonnis genoemd en is in persoon niet betrokken geweest bij het gelegde beslag.
Verder betwisten [gedaagden] dat [eiser] heeft voldaan aan het vonnis van 6 juni 2007. [eiser] heeft verder onvoldoende gesteld dat hij als gevolg van het beslag schade heeft geleden omdat de levering van de woning is doorgegaan zoals gepland.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde 1] vordert, samengevat:
I. te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] nog € 8.007,35 te vermeerderen met rente vanaf 22 oktober 2025 over € 4.265,24 te vorderen heeft van [eiser],
II. te verklaren voor recht dat een notaris verbonden aan notariskantoor Schut | Van Os Notarissen bevoegd is het volledig in depot gehouden bedrag van € 7.939,08 na aftrek van de administratiekosten van € 302,50 uit te keren aan [gedaagde 1],
III. een notaris verbonden aan notariskantoor Schut | Van Os Notarissen te machtigen om het depotbedrag aan [gedaagde 1] uit te keren met het bevel dat partijen zullen gehengen en gedogen dat de notaris van die machtiging gebruik zal maken en dat de uitkering zal plaatsvinden op de in rechte vastgestelde wijze,
IV. te verklaren voor recht dat de kosten voor het notarisdepot van € 302,50 voor rekening van [eiser] komen en [eiser] via het te bij dezen vonnis veroordelen dit bedrag te voldoen,
V. te verklaren voor recht dat [gedaagde 1], naast het depotbedrag aanvullend recht heeft op de na 21 augustus 2025 verschenen rente over het bedrag van € 4.265,24 en [eiser] te veroordelen tot betaling hiervan;
met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.6.
[gedaagde 1] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [eiser] uit hoofde van het vonnis van 6 juni 2007 € 4.265,24 te vermeerderen met rente en een vergoeding van kosten in verband met de rechtsbijstand en het komen tot een depotovereenkomst verschuldigd is. [gedaagde 1] stelt belang te hebben bij een uitspraak over zijn vorderingen omdat hij zich daarmee tot de notaris kan wenden met het verzoek het depotbedrag uit te keren.
3.7.
[eiser] voert verweer. Hij voert onder meer aan dat de vordering niet duidelijk is, dat [gedaagde 1] voor de vordering al beschikt over een executoriale titel, dat daar al aan is voldaan en dat overigens sprake is van rechtsverwerking, dat [gedaagde 1] onrechtmatig handelt of misbruik van recht maakt door niet mee te werken aan de levering van de woning zodat zij geen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten die daaruit voortvloeien, dat geen belang bestaat bij de gevraagde machtiging, dat de depotovereenkomst al voorziet in de kosten daarvan en dat een verklaring voor recht geen betrekking kan hebben op een geldbedrag.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, zowel in conventie als reconventie en voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en reconventie
4.1.
Gezien de samenhang van vorderingen in conventie en reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] bij vonnis van 6 juni 2007 veroordeeld is tot betaling aan [gedaagde 1] en dat [gedaagde 1] in 2010 rechtsgeldig executoriaal beslag heeft gelegd op de woning voor een bedrag van € 4.265,24 te vermeerderen met rente en kosten.
4.3.
Het verweer in conventie dat [gedaagde 2] ten onrechte in rechte is betrokken, slaagt. Vast staat dat niet [gedaagde 2] maar [gedaagde 1] het executoriaal beslag heeft gelegd. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom [gedaagde 2] desondanks (ook) gedagvaard is. De vorderingen in conventie zullen worden afgewezen voor zover ze zijn gericht tegen [gedaagde 2].
4.4.
Voor zowel de vorderingen in conventie en als die in reconventie dient beoordeeld te worden of [eiser] heeft voldaan aan het vonnis van 6 juni 2007.
Op [eiser] rust ter zake de stelplicht en bewijslast in conventie en in reconventie [1] . [eiser] stelt dat hij in 2012 contant aan een deurwaarder heeft betaald, maar niet beschikt over een betaalbewijs. In de dagvaarding heeft [eiser] toegelicht dat hij zijn woonboot heeft verkocht om [gedaagde 1] uit de opbrengst te kunnen voldoen. Ter onderbouwing heeft [eiser] een bankafschrift in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij op 5 juli 2011 € 189.173,65 heeft ontvangen. Desgevraagd heeft [eiser] ter zitting toegelicht dat hij hiermee wil aantonen dat hij over voldoende middelen beschikte en dat hij dus geen reden had om niet te betalen. [eiser] heeft ter zitting echter ook verklaard dat hij het niet eens was met het vonnis en om die reden niet tot betaling wilde overgaan. [eiser] heeft voorts niet voldoende toegelicht wanneer en onder welke omstandigheden de betaling aan de deurwaarder in 2012 zou hebben plaatsgevonden. Het niet onderbouwde betoog van [eiser] ter zitting dat hij op zeker moment motor reed met de deurwaarder, met hem gesproken heeft over de zaak en hem contant heeft betaald is volstrekt onvoldoende. Ook heeft [eiser] er geen verklaring voor gegeven waarom hij pas in 2012 tot contante betaling zou zijn overgegaan terwijl hij ook stelt dat hij daarvoor zijn woonboot heeft verkocht en daarom al in juli 2011 over voldoende financiële middelen heeft beschikt. Verder heeft [eiser] niet duidelijk kunnen maken wanneer de gelden voor de gestelde contante betaling van de bankrekening zijn gehaald. In dit verband is opmerkelijk te noemen dat [eiser] wel in staat is geweest een rekeningafschrift uit 2011 te overleggen waaruit de beschikbaarheid van middelen voor de betaling kan worden afgeleid, maar niet een rekeningafschrift waaruit een opname uit die middelen ten behoeve van contante betaling kan worden afgeleid. Ter zitting heeft [eiser] nog aangevoerd dat de deurwaarder die de betaling in ontvangst heeft genomen inmiddels failliet is gegaan, maar dat hij van een andere deurwaarder heeft begrepen dat die meent dat het mogelijk moet zijn in het archief van de failliete deurwaarder een bewijs van ontvangst van de betaling te vinden. Op de vraag waarom ter zake dan bijvoorbeeld geen verklaring van die andere deurwaarder ter onderbouwing is overgelegd heeft [eiser] geen overtuigend antwoord gegeven. De kantonrechter is al met al van oordeel dat [eiser] zowel in conventie als in reconventie niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Aan het leveren van bewijs van betaling door het horen van een getuige zoals in conventie en in reconventie door [eiser] is aangeboden komt de kantonrechter daarom niet toe.
4.5.
De conclusie is dat niet vast is komen te staan dat [eiser] al aan het vonnis van 7 juni 2007 heeft voldaan. Wel staat vast dat [gedaagde 1] heeft meegewerkt aan opheffing van het executoriaal beslag met als gevolg dat levering van de woning heeft kunnen plaatsvinden als gepland. In deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde 1] met het executoriaal beslag op de woning onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De vordering in conventie van [eiser] zal worden afgewezen.
4.6.
Uit de beoordeling in conventie volgt dat [gedaagde 1] niet kan worden verweten dat zij het aangaan van de depotovereenkomst als voorwaarde heeft gesteld voor het meewerken aan het opheffen van het beslag. Partijen hebben over de uitbetaling van het depot blijkens de depotovereenkomst geen nadere afspraken gemaakt, dan dat uitbetaling zal plaatsvinden overeenkomstig gelijkluidende opdracht van partijen of rechterlijke uitspraak. Het depotbedrag van € 7.939,08 is na ontvangst van de koopprijs voor de woning van [eiser] in depot gehouden in verband met een geschil tussen partijen waarin met dit vonnis een beslissing wordt genomen. Uit het voorstel dat [gedaagde 1] op 25 augustus 2025 aan [eiser] heeft toegezonden en de onderbouwing van haar vorderingen in reconventie leidt de kantonrechter af dat dit bedrag naar de kennelijke bedoeling van partijen betrekking heeft op de hoofdsom vermeerderd met circa 30% (€ 5.500,00) plus wettelijke rente tot 21 augustus 2025 (2.439,08). Gelet op het verweer van [eiser] in reconventie dient eerst te worden beoordeeld op welke bedragen [gedaagde 1] aanspraak kan maken, alvorens de vraag kan worden beantwoord aan wie (welk deel van) het depotbedrag moet worden uitbetaald.
4.7.
De kantonrechter gaat als onvoldoende onderbouwd voorbij aan het betoog van [eiser] dat de vorderingen in reconventie geheel moeten worden afgewezen omdat deze niet duidelijk zijn. Het betoog van [eiser] dat [gedaagde 1] geen aanspraak meer kan maken op betaling omdat sprake is van rechtsverwerking slaagt evenmin. Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop onvoldoende, en [eiser] heeft geen beroep gedaan op bijkomende omstandigheden.
4.8.
Het betoog van [eiser] dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen omdat [gedaagde 1] opnieuw de vordering instelt waarover bij vonnis van 7 juni 2007 al is beslist slaagt evenmin. In dat vonnis is de vraag of [eiser] moest betalen voor dienstverlening van [gedaagde 1] bevestigend beantwoord. Omdat in het onderhavige geschil in conventie is geoordeeld dat [eiser] niet aan dat vonnis heeft voldaan, gaat het in reconventie over de vraag hoeveel [gedaagde 1] gelet daarop en met inachtneming van de gang van zaken rond de verkoop van de woning van [eiser] te vorderen heeft.
4.9.
Vast staat dat [eiser] [gedaagde 1] uit hoofde van het vonnis van 7 juni 2007 een hoofdsom van € 4.265,24 moet betalen. [eiser] heeft de gevorderde wettelijke rente tot en met 22 oktober 2025 van € 2.507,35 en de gevorderde kosten voor de depotovereenkomst van € 302,50 niet weersproken. Ter onderbouwing van het verschil tussen de hoofdsom en het gevorderde bedrag van € 5.500,00 heeft [gedaagde 1] verklaard dat zij de hoofdsom heeft verhoogd met ongeveer 30% overeenkomstig de beslagsyllabus ter dekking van de kosten van rechtsbijstand naar aanleiding van de dagvaarding, het komen tot ondertekening van een depotovereenkomst en de onderhavige procedure. De kantonrechter acht dit niet voldoende. Een percentage van 30% wordt gebruikt voor het (vooraf) globaal inschatten van te maken kosten bij conservatoir beslag, terwijl het in dit geval gaat om daadwerkelijk gemaakte kosten die voldoende moeten zijn onderbouwd en gespecifieerd om vergoeding te kunnen verkrijgen. Voor zover deze vordering betrekking heeft op de kosten van onderhavige procedure zal het wettelijke proceskostenregime [2] worden toegepast.
4.10.
Dat betekent dat aan [gedaagde 1] toekomt (€ 4.265,24 + € 2.507,35 + € 302,50) = € 7.075,09 te vermeerderen met wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 22 oktober 2025 en de proceskostenvergoeding. De in reconventie sub I en sub II gevorderde verklaringen voor recht zullen in die zin worden toegewezen omdat [gedaagde 1] daar met het oog op de uitbetaling van het depotbedrag door de notaris belang bij heeft.
4.11.
De in reconventie sub III gevorderde machtiging aan de notaris zal worden afgewezen. Ten eerste is de depotovereenkomst voldoende duidelijk om een notaris tot uitkering over te laten gaan en ten tweede is niet gebleken dat de notaris zonder machtiging niet zal meewerken aan uitkering van de gelden. Bij deze stand van zaken heeft [gedaagde 1] evenmin belang bij het in reconventie sub IV en sub V gevorderde.
4.12.
[eiser] is in conventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] in conventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punt × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
813,00
4.13.
[eiser] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Gezien de samenhang met de vordering in conventie worden de proceskosten van [gedaagde 1] in reconventie begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten in conventie van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe uitsluitend voor zover het in overweging 5.5 van dit vonnis bedoelde bedrag niet tot uitkering komt, alsdan te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] per 22 oktober 2025 nog van [eiser] te vorderen heeft een bedrag van € 7.075,09, te vermeerderen met de na 22 oktober 2025 te verschijnen rente over € 4.265,24,
5.5.
verklaart voor recht dat een notaris verbonden aan notariskantoor Schut | Van Os Notarissen bevoegd is van het onder zijn berusting gehouden een bedrag van € 7.888,09 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 uit te keren aan [gedaagde 1],
5.6.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten in reconventie, begroot op nihil,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 150 Rechtsvordering Pro (Rv)
2.Artikel 237 Rv Pro