Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het (verdere) verloop van de procedure
- de beschikking van 13 januari 2026, met de daarin genoemde stukken;
- de toetsing van het voorgenomen besluit van de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na 2 jaar van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) van 23 december 2025;
- het geactualiseerde plan van aanpak van de GI van 12 februari 2026;
- een brief van de GI, inhoudende het perspectiefbesluit en de aanvulling hierop, van 12 februari 2026;
- een bericht van de advocaat van de vader, inhoudende het standpunt van de vader, van 10 maart 2026;
- de pleitnotitie van de advocaat van de vader van 11 maart 2026.
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
- [de pleegzorgbegeleidster] , de pleegzorgbegeleidster werkzaam bij Parlan (hierna: de pleegzorgbegeleidster).
.
2.De feiten
3.De verzoeken
4.De standpunten
De vader legt ten grondslag aan zijn standpunten artikel 3 en Pro artikel 18 IVRK Pro en verwijst naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Er zijn geen maatregelen genomen door de nationale autoriteiten gericht op hereniging van de ouder en kind. Dit is een verplichting op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (hierna: EVRM) en dit is ook uitgewerkt in jurisprudentie van het EHRM. Een uithuisplaatsing is het laatste redmiddel. Het is goed dat [de minderjarige] destijds uit huis is geplaatst, maar daarna is de vader totaal uit beeld geraakt. Het is voor de vader onduidelijk waarom hij zo lang gepasseerd is en wat de reden is voor het beleid van de GI dat er geen contact tussen hem en [de minderjarige] mocht zijn. Er is geen onderzoek gedaan naar verblijf van [de minderjarige] bij de vader: er is aangenomen dat verblijf van [de minderjarige] bij de vader niet in zijn belang is. De vader heeft de wens om betrokken te zijn. Er is ook een periode geweest dat de vader zelf een stap achteruit heeft gedaan, door alles wat er gebeurd is. De uithuisplaatsing heeft de vader erg aangegrepen. De vader heeft er veel verdriet van dat hij [de minderjarige] zo lang niet heeft gezien. De vader is de gebeurtenissen inmiddels weer te boven gekomen.
De vader heeft aangegeven dat in de periode voor de uithuisplaatsing [de minderjarige] veel bij hem was, maar dat hij niet weet waar de trauma’s van [de minderjarige] vandaan komen. De moeder vertelt in dit verband onwaarheden en heeft dat jarenlang gedaan, en beide kinderen volgen de moeder daarin. [de minderjarige] heeft veel van de moeder opgevangen en onthouden. [de oudste zoon] is een moederskindje.
5.De (verdere) beoordeling
6.De beslissing
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voor de duur van negen maanden, tot 16 januari 2027;
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een voorziening voor pleegzorg, voor de duur van negen maanden tot 16 januari 2027;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.