Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3226

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
C/15/372951
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 3 IVRKArt. 26 Verdrag van IstanbulArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij pleegouders

De rechtbank Noord-Holland heeft op 25 maart 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds oktober 2023 uit huis is geplaatst vanwege een onveilige thuissituatie. De minderjarige kampt met ernstige traumagerelateerde klachten, veroorzaakt door problematiek bij zowel de moeder als de vader. De gecertificeerde instelling (GI) heeft een perspectiefbesluit genomen dat het opgroeiperspectief van de minderjarige bij de pleegouders ligt, niet bij de ouders of grootouders.

De moeder is niet in staat om te voorzien in de verzwaarde zorgbehoeften van de minderjarige en het contact met haar is tijdelijk stilgelegd vanwege de traumatische reacties van het kind. De vader is sinds de uithuisplaatsing uit beeld, vertoont geen erkenning van de trauma’s en er zijn signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag door hem. De rechtbank acht een plaatsing bij de vader niet in het belang van het kind.

De rechtbank concludeert dat de aanvaardbare termijn voor onzekerheid over het perspectief van de minderjarige is verstreken en dat het kind gebaat is bij voorspelbaarheid en stabiliteit bij de pleegouders. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor negen maanden en het perspectiefbesluit bekrachtigd. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij pleegouders en bekrachtigt het perspectiefbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/372951 / JU RK 25-1815
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Alkmaar,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. W.G. Nieman, kantoorhoudende te Leiden,
[de pleegouder 1] en [de pleegouder 2](volledige namen bekend bij de rechtbank),
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 13 januari 2026, met de daarin genoemde stukken;
  • de toetsing van het voorgenomen besluit van de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na 2 jaar van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) van 23 december 2025;
  • het geactualiseerde plan van aanpak van de GI van 12 februari 2026;
  • een brief van de GI, inhoudende het perspectiefbesluit en de aanvulling hierop, van 12 februari 2026;
  • een bericht van de advocaat van de vader, inhoudende het standpunt van de vader, van 10 maart 2026;
  • de pleitnotitie van de advocaat van de vader van 11 maart 2026.
1.2.
De voortzetting van de zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op
11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
  • [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
  • [de pleegzorgbegeleidster] , de pleegzorgbegeleidster werkzaam bij Parlan (hierna: de pleegzorgbegeleidster).
1.3.
De pleegouders hebben zich voor de zitting afgemeld. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [de minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt
.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] staat sinds 17 oktober 2023 onder toezicht. Deze maatregel is voor het laatst
bij beschikking van 13 januari 2026 verlengd tot 16 april 2026, waarbij de beslissing op het overige deel van het verzoek is aangehouden tot onderhavige zitting.
2.3.
[de minderjarige] is sinds 17 oktober 2023 uit huis geplaatst in een pleeggezin. Deze
maatregel is voor het laatst bij beschikking van 13 januari 2026 verlengd tot 16 april 2026, waarbij de beslissing op het overige deel van het verzoek is aangehouden tot onderhavige zitting.
2.4.
[de minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij de pleegouders.
2.5.
Op 14 december 2025 heeft de GI een perspectiefbesluit genomen, dat inhoudt dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet bij de ouders of grootouders moederszijde (hierna: mz) ligt, maar bij de pleegouders. De GI is in dit perspectiefbesluit alleen ingegaan op de thuissituatie van de moeder. Op 12 februari 2026 heeft de GI dit perspectiefbesluit aangevuld, inhoudende dat het opgroeiperspectief evenmin bij de vader ligt.

3.De verzoeken

3.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden. Ook handhaaft de GI het resterende deel van het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van negen maanden. Daarnaast verzoekt de GI om bekrachtiging van het (geactualiseerde) perspectiefbesluit van 12 februari 2026. De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI onderbouwt haar verzoeken als volgt. [de minderjarige] is sinds 17 oktober 2023 uit huis geplaatst. De uithuisplaatsing is destijds uitgesproken vanwege een acute en ernstig onveilige situatie. Er was sprake van middelengebruik bij de moeder, een ernstig auto-ongeluk waarbij de moeder en de oudere broer betrokken waren, en het alleen achterlaten van [de minderjarige] en zijn halfzus in een vervuilde woning. [de minderjarige] is getuige geweest van huiselijk geweld. [de minderjarige] verbleef eerst in een crisispleeggezin. Sinds zijn plaatsing in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin in december 2024 wordt hem structuur, stabiliteit, veiligheid en ondersteuning om zijn trauma’s te verwerken geboden. Er is sprake van een geheime plaatsing in de zin dat het adres van de pleegouders niet bekend is bij de ouders. Naast het volgen van traumabehandeling, heeft [de minderjarige] dagbesteding op de zorgboerderij en krijgt hij begeleiding in het onderwijs. [de minderjarige] heeft zeer intensieve en specialistische opvoedings- en begeleidingsbehoeften.
3.3.
Op dit moment gaat het niet goed met [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft moeite met zijn emotieregulatie en laat na traumatherapie soms tijdelijk heftiger gedrag zien. [de minderjarige] vertoont zelfbeschadigend gedrag. Voorheen automutileerde [de minderjarige] meerdere keren per dag, inmiddels is de frequentie hiervan afgenomen. [de minderjarige] laat veel boosheid zien in zijn gedrag en kan bij frustratie snel ontregelen. Hij zoekt conflicten op, scheldt, gooit met spullen, of slaat. [de minderjarige] vertoont ook fysieke reacties naar aanleiding van zijn belaste herinneringen aan beide ouders: hij heeft last van zijn buik en er zijn problemen met zindelijkheid. [de minderjarige] maakt een angstige indruk naar mannen toe. Hij vertelde veel verhalen over bloed bij zijn moeder en dat er ruzies waren. Waar er voorheen geen signalen waren die wijzen op seksueel misbruik van [de minderjarige] door de vader – waarover wel zorgen waren in relatie tot de oudste zoon van de ouders ( [de oudste zoon] ) – zijn deze signalen er sinds november/december 2025 wel. [de minderjarige] heeft uitingen gedaan bij de pleegouders en in therapie die direct betrekking hebben op de vader en gaan over seksuele onveiligheid. [de minderjarige] is bang voor zijn vader en geeft aan dat zijn vader hem pijn doet. De zindelijkheidsproblemen van [de minderjarige] zijn volgens de pleegouders toegenomen sinds hij erover vertelt dat de vader aan zijn geslachtsdeel trekt. [de minderjarige] heeft absoluut geen behoefte aan het zien van zijn vader.
3.4.
Er is een perspectiefbesluit genomen: [de minderjarige] zal opgroeien bij het pleeggezin waar hij momenteel verblijft. De moeder kan zich vinden in dit besluit. De moeder kan geen veilige en stabiele opvoedomgeving bieden. De moeder heeft stappen gezet door gerichte hulp te zoeken en openheid te geven over haar problematiek en haar verleden, maar het lukt haar niet om de hulp structureel vast te houden en toe te werken naar een situatie waarin zij de dagelijkse zorg en opvoeding voor [de minderjarige] zou kunnen dragen. De moeder werkt constructief mee tijdens de omgangsmomenten, wat helpend is voor [de minderjarige] . De omgang met de moeder verliep goed, maar is aangepast en inmiddels tijdelijk gepauzeerd, vanwege de hevige lichamelijke traumareacties van [de minderjarige] na het contact met de moeder. Ook een plaatsing bij de grootouders mz behoort niet tot de mogelijkheden. [de minderjarige] heeft dusdanig intensieve en specialistische opvoedings- en begeleidingsbehoeften dat de grootouders mz hierin niet kunnen voorzien. Dit te meer omdat zij de zorg dragen voor [de minderjarige] halfzus; zij bevindt zich in een ontwikkelingsfase die al veel vraagt van de grootouders mz.
3.5.
[de minderjarige] is inmiddels al ruim twee jaar uithuisgeplaatst. De aanvaardbare termijn waarbinnen gewacht kan worden op herstel van de opvoedsituatie bij de ouders is verstreken. [de minderjarige] is sterk gebaat bij voorspelbaarheid, nabijheid en specialistische ondersteuning. Hij laat zien dat hij tot rust komt in het pleeggezin en dat hij daar stappen kan zetten in zijn ontwikkeling. Zijn spraak- en taalachterstand is aan het verminderen en [de minderjarige] kan nu vooral kind zijn. Veranderingen in of onzekerheid over zijn toekomstperspectief leiden tot ontregeling. [de minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid over de plek waar hij zal opgroeien.
3.6.
Bij de zitting van 13 januari 2026 bleek dat de gezaghebbende vader niet op de hoogte was van het perspectiefbesluit. [de minderjarige] woonde voor de uithuisplaatsing niet bij de vader. De vader heeft [de minderjarige] niet gezien sinds de uithuisplaatsing op 17 oktober 2023. De vader werd alleen benaderd voor gezagskwesties. De GI heeft sinds de uithuisplaatsing contact met de vader niet in het belang van [de minderjarige] geacht. De GI is sinds de zitting van 13 januari 2026 in gesprek met de vader over het gefaseerd opbouwen van zijn betrokkenheid bij het opgroeien en ontwikkelen van [de minderjarige] . Dit betekent dat onderzocht wordt of en hoe omgang met de vader passend kan worden vormgegeven in de toekomst. Er is de GI niets van bekend dat herhaaldelijke contactpogingen vanuit de vader door de GI zijn genegeerd. De GI heeft aan de vader duidelijk gemaakt dat het perspectief voor het opgroeien van [de minderjarige] tot zijn meerderjarigheid niet bij de vader ligt.

4.De standpunten

4.1.
De moeder was niet aanwezig op de zitting en heeft bij de vorige zitting in januari 2026 aangegeven het eens te zijn met de verzoeken van de GI en met het perspectiefbesluit. De moeder heeft veel vertrouwen in de pleegouders.
4.2.
De pleegouders zijn niet op de zitting verschenen en hebben de schriftelijke informatie die zij hebben gegeven naar aanleiding van de zitting in januari 2026 niet verder aangevuld.
4.3.
Door en namens de vader is op de zitting aangegeven dat de vader het eens is met de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur, maar dat een verlenging van de uithuisplaatsing zo kort mogelijk dient te duren en dat er een tussentijdse toetsing door de kinderrechter dient te komen, op grond van artikel 25 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK). De vader is het ook niet eens met het perspectiefbesluit van de GI.
De vader legt ten grondslag aan zijn standpunten artikel 3 en Pro artikel 18 IVRK Pro en verwijst naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Er zijn geen maatregelen genomen door de nationale autoriteiten gericht op hereniging van de ouder en kind. Dit is een verplichting op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (hierna: EVRM) en dit is ook uitgewerkt in jurisprudentie van het EHRM. Een uithuisplaatsing is het laatste redmiddel. Het is goed dat [de minderjarige] destijds uit huis is geplaatst, maar daarna is de vader totaal uit beeld geraakt. Het is voor de vader onduidelijk waarom hij zo lang gepasseerd is en wat de reden is voor het beleid van de GI dat er geen contact tussen hem en [de minderjarige] mocht zijn. Er is geen onderzoek gedaan naar verblijf van [de minderjarige] bij de vader: er is aangenomen dat verblijf van [de minderjarige] bij de vader niet in zijn belang is. De vader heeft de wens om betrokken te zijn. Er is ook een periode geweest dat de vader zelf een stap achteruit heeft gedaan, door alles wat er gebeurd is. De uithuisplaatsing heeft de vader erg aangegrepen. De vader heeft er veel verdriet van dat hij [de minderjarige] zo lang niet heeft gezien. De vader is de gebeurtenissen inmiddels weer te boven gekomen.
De vader heeft aangegeven dat in de periode voor de uithuisplaatsing [de minderjarige] veel bij hem was, maar dat hij niet weet waar de trauma’s van [de minderjarige] vandaan komen. De moeder vertelt in dit verband onwaarheden en heeft dat jarenlang gedaan, en beide kinderen volgen de moeder daarin. [de minderjarige] heeft veel van de moeder opgevangen en onthouden. [de oudste zoon] is een moederskindje.
Het perspectiefbesluit is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Verder is het voor de vader niet duidelijk dat met het perspectiefbesluit bedoeld wordt dat [de minderjarige] tot zijn meerderjarigheid bij het pleeggezin gaat opgroeien. Er moet volgens de vader gedegen onderzoek komen naar perspectief van [de minderjarige] bij de vader, de opvoedcapaciteiten van de vader en de mogelijkheden tot plaatsing van [de minderjarige] in het netwerk van de vader. Dit onderzoek dient niet door de Raad of de GI te worden uitgevoerd, aangezien zij niet onafhankelijk zijn, de vader onvoldoende vertrouwen in hen heeft en omdat hij door hen jarenlang nergens bij betrokken is. Het contact tussen de vader en [de minderjarige] moet worden hersteld en worden uitgebreid en vervolgens moet [de minderjarige] bij hem worden thuisgeplaatst. De vader is bereid om alle hulpverlening te accepteren. Er moet voorrang worden gegeven aan opvoedondersteuning bij de vader. De vader geeft aan dat [de minderjarige] binnen een jaar bij hem kan wonen.
4.4.
De pleegzorgbegeleidster heeft ter zitting verklaard dat [de minderjarige] al langere tijd uit huis is geplaatst en nog steeds hele forse traumasignalen laat zien. Er is bewust voor gekozen om niet tot in detail alles uit de therapie met de vader te delen. [de minderjarige] wil namelijk alles kunnen delen met zijn behandelaar. Hij is beelden van huiselijk geweld in de breedste zin van het woord aan het verwerken. Dit betreft zowel situaties met de vader als met de moeder. [de minderjarige] heeft duidelijkheid nodig. Er moet rust komen voor hem en alle betrokkenen. Het is niet mogelijk om in de toekomst te kijken en te zien hoe het dan met hem gaat en welke rol de vader in het leven van [de minderjarige] kan aannemen. Dit geldt ook voor de moeder. Op dit moment gebeurt er heel veel bij [de minderjarige] en zodra het over de moeder óf de vader gaat, heeft [de minderjarige] al diarree. De bedoeling is om bij beide ouders stapsgewijs te bekijken wat er mogelijk is in het contact met [de minderjarige] . Dat moet echt stap voor stap gebeuren, waarin [de minderjarige] leidend is. [de minderjarige] is een heel fors beschadigd kind.

5.De (verdere) beoordeling

5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Daarnaast is een verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
5.2.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:20231148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsingang waarbij een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In dat arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen indien dit noodzakelijk is vanwege het verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit, of samenhangen met, het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige(n). Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake bij de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . De rechtbank is ten aanzien van het perspectiefbesluit van oordeel dat de GI dit besluit zorgvuldig en op de juiste gronden heeft genomen en dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt. De rechtbank zal hierna eveneens uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.3.
De rechtbank heeft in haar belangenafweging allereerst rekening te houden met de belangen van het kind, niet alleen op grond van hetgeen in de artikelen 1:260 BW en 1:265c BW is omschreven, maar ook op grond van artikel 3 IVRK Pro en artikel 26 Verdrag Pro van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouw en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Artikel 3 IVRK Pro verplicht de rechtbank de belangen van het kind als eerste overweging te nemen en hiertoe alle passende maatregelen te nemen. Artikel 26 Verdrag Pro van Istanbul werkt nader uit dat bij het bieden van bescherming en ondersteuning aan slachtoffers naar behoren rekening wordt gehouden met de rechten en behoeften van kinderen die getuige zijn van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit verdrag.
5.4.
[de minderjarige] heeft veel meegemaakt en is in een onveilige en instabiele thuissituatie opgegroeid. Hij heeft veel spanningen, ernstig huiselijk geweld, alcohol- en drugsgebruik van de moeder, verwaarlozing en onvoorspelbare situaties meegemaakt. Er is langdurig sprake geweest van een zeer onrustige thuissituatie voor de kinderen mede vanwege het handelen en de onvoorspelbaarheid van de vader richting de kinderen en de moeder, waarbij het de moeder uit angst niet lukte om hierin stappen in het belang van de kinderen te nemen. In oktober 2023 zijn de kinderen vanwege een zeer onveilige situatie met spoed bij de moeder uit huis geplaatst.
5.5.
De zorgen over de thuissituatie bij de moeder hebben sindsdien onvoldoende kunnen afnemen. Hoewel zij gemotiveerd is om behandeling aan te gaan voor haar mentale- en verslavingsproblematiek, ontbreekt een vaste woon- of verblijfplaats, waardoor behandeling onvoldoende van de grond komt. Het is de rechtbank duidelijk dat [de minderjarige] niet bij de moeder kan opgroeien. Niet alleen kan de moeder vanwege haar problematiek niet in de verzwaarde zorg- en opvoedbehoeften van [de minderjarige] voorzien. Ook laat [de minderjarige] nog steeds ernstige traumagerelateerde klachten zien in verband met de moeder. In overleg met de pleegouders, de pleegzorgbegeleidster, de moeder en de GI is daarom besloten om het contact met de moeder tijdelijk stil te leggen, zodat [de minderjarige] zich volledig kan richten op zijn traumabehandeling. De rechtbank vindt het positief dat het de moeder lukt om hierin het belang van [de minderjarige] voorop te stellen.
5.6.
[de minderjarige] heeft inmiddels al jaren geen contact met de vader. Voor de uithuisplaatsing woonde [de minderjarige] al een tijd niet meer bij zijn vader en was het contact met de vader onvoorspelbaar. Na de uithuisplaatsing is de vader uit contact met de GI gegaan. Sinds april 2025 is de vader weer in contact met de GI. De GI heeft contact tussen de vader en [de minderjarige] tot op heden echter niet in het belang van [de minderjarige] geacht. [de minderjarige] geeft aan absoluut geen contact met zijn vader te willen. Hij geeft aan dat hij bang is voor zijn vader en dat zijn vader hem pijn doet. Ook zijn er recent, namelijk vanaf in ieder geval november 2025, signalen naar voren gekomen dat sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag vanuit de vader naar [de minderjarige] . Dergelijke zorgen zijn ook rondom [de oudste zoon] aanwezig. [de minderjarige] vertelt hierover in therapie en geeft bij de pleegouders aan dat de vader aan zijn geslachtsdeel trekt. Duidelijk is dat [de minderjarige] zwaar beschadigd is door de trauma’s die hij heeft opgelopen. [de minderjarige] vertoont ernstige kindsignalen alleen al bij het noemen van de naam van de vader. Hij poept dan in zijn broek. De vader erkent op geen enkele wijze enig aandeel te hebben gehad in het ontstaan van de trauma’s en geeft aan dat hij niet weet waar de trauma’s vandaan komen. De rechtbank baart dit zorgen. Welke rol de vader in de toekomst kan vervullen, moet dan ook nog onderzocht worden. Er zal hier uiterst voorzichtig en met inachtneming van [de minderjarige] draagkracht naar gekeken moeten worden. Of er sprake kan zijn van enige vorm van contact tussen de vader en [de minderjarige] en op welke manier dit contact kan worden vormgegeven, moet dus nog blijken. Een plaatsing bij de vader is dan ook niet aan de orde, want dit is in strijd met het belang van [de minderjarige] .
5.7.
Dat [de minderjarige] gelet op zijn ernstige trauma- en hechtingsproblematiek heel veel veiligheid, voorspelbaarheid, nabijheid, structuur en ondersteuning nodig heeft, is voor de rechtbank zonneklaar. De pleegouders bieden [de minderjarige] een veilige thuissituatie en sluiten goed aan bij de verzwaarde zorg- en opvoedbehoeften van [de minderjarige] . Hij ontwikkelt zich daar goed. Het is in het belang van [de minderjarige] dat hij bij het pleeggezin opgroeit. De GI heeft hiertoe besloten na langdurig onderzoek en inzet van hulpverlening. De rechtbank is van oordeel dat de aanvaardbare termijn waarbinnen [de minderjarige] onzekerheid mag ervaren over zijn perspectief is verstreken. [de minderjarige] heeft door zijn kwetsbaarheid bovengemiddeld behoefte aan duidelijkheid. Verdere onzekerheid en onvoorspelbaarheid zijn schadelijk voor zijn ontwikkeling en er is rust nodig voor [de minderjarige] om te kunnen profiteren van zijn behandeling.
5.8.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling nodig. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding voor een tussentijdse toetsing van deze maatregel of een nader onderzoek naar de mogelijkheden tot plaatsing bij de vader en zijn netwerk. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders verlengen voor het aangehouden deel, namelijk voor de duur van negen maanden. Daarnaast bekrachtigt de rechtbank het perspectiefbesluit.
5.9.
De rechtbank verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voor de duur van negen maanden, tot 16 januari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een voorziening voor pleegzorg, voor de duur van negen maanden tot 16 januari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. R.V. Loeve, mr. M. Flipse en mr. C. Maat, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M. Groot als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.