Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
734.851. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat het belastbaar bedrag volgens haar moet worden vastgesteld op [munteenheid] 59.
534.851 en dat dit de juiste berekening betreft. De rechtbank gaat hier in het navolgende ook van uit. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag Vpb 2020 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van [munteenheid] 59.534.851.
dit betreft de voorafgaande fiscale eenheid, oftewel de ‘bestaande fiscale eenheid’] volgt de horizontale saldering vervolgens eveneens de regels van het eerste lid.”. De hierboven besproken term ‘ook’ in het tweede lid van artikel 12 BFE Pro (zie onder 24 en 26) biedt hiertoe eveneens aanknopingspunten. Hoewel in het parlementaire voorbeeld niet, zoals in casu, sprake is van een verlies van het cluster M/D1 in het horizontale verliesverrekeningsjaar (jaar 3), biedt het voorbeeld steun aan de uitleg van eiseres en het oordeel dat de dwingende clusterbenadering van verweerder niet opgaat.
Beslissing
mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.