Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3173

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
C/15/374293
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 6:162 BWArt. 285b lid 1 SrArt. 184 lid 1 SrArt. 285 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil en verlenging contact- en straatverbod wegens overtreding dwangsommen

In deze zaak vordert eiser schorsing van de executie van dwangsommen die zijn opgelegd wegens overtreding van een contact- en straatverbod. Dit verbod was eerder opgelegd na stelselmatige intimiderende uitlatingen van eiser jegens gedaagden en hun advocaten. Gedaagden stellen dat eiser het verbod meerdere malen heeft overtreden en vorderen executie van €300.000 aan dwangsommen.

De voorzieningenrechter beoordeelt de overtredingen aan de hand van het dictum van het vonnis en de overwegingen. Twee van de vier aangevoerde overtredingen acht de rechtbank voldoende aannemelijk, twee niet. De executie wordt daarom geschorst voor zover deze het bedrag van €150.000 te boven gaat. Misbruik van executierecht wordt niet vastgesteld.

In reconventie vorderen gedaagden een verlenging van het contact- en straatverbod met een jaar vanwege het concrete gevaar op herhaling, mede door aanstaande juridische procedures en de aard van het conflict. De rechtbank wijst deze vordering toe, met een aangepaste dwangsomregeling en behoud van het recht van eiser om zich via advocaten zakelijk te uiten en deel te nemen aan procedures. De proceskosten worden verdeeld tussen partijen.

Uitkomst: Executie van dwangsommen boven €150.000 wordt geschorst en contact- en straatverbod wordt verlengd met aangepaste dwangsomregeling.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/374293 / KG ZA 26-47
Vonnis in kort geding van 17 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. K.S. Guldemond,
tegen

1.[gedaagde 1] N.V.,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 3] , Duitsland
3.
[gedaagde 3],
te [plaats 4] , Duitsland
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. S.M. van Someren Gréve.
Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiser] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden genoemd. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zullen gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd.

1.De zaak in het kort

Bij vonnis in kort geding van 6 mei 2025 is [eiser] op vordering van [gedaagden] een contact- en straatverbod opgelegd voor de duur van een jaar. Dit verbod is versterkt met een dwangsom van € 75.000,00 per overtreding. Volgens [gedaagden] heeft [eiser] dit verbod ten minste vier maal overtreden. [gedaagden] zijn daarom overgegaan tot executie van € 300.000,00 aan volgens hen verbeurde dwangsommen.
[eiser] vordert dat die executie wordt geschorst. Hij betwist dat hij het contactverbod heeft overtreden en stelt dat [gedaagden] met de executie misbruik maken van hun executierecht.
In reconventie vorderen [gedaagden] een verlenging van het contactverbod.
De voorzieningenrechter oordeelt dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] het contactverbod twee keer heeft overtreden. Ten aanzien twee gestelde overtredingen is dat niet voldoende aannemelijk geworden. De executie van die dwangsommen zal worden geschorst. Van misbruik van recht is voor het overige geen sprake.
Het (nu opnieuw) gevorderde contact- en straatverbod wordt in gewijzigde vorm toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 februari 2026 met 8 producties
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met 3 producties
- de mondelinge behandeling van 3 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagden]
2.2.
[eiser] was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling. Mr. Guldemond, diens kantoorgenoot mr. [betrokkene 11] en [betrokkene 1] , de echtgenote van [eiser] , waren wel aanwezig. Namens [gedaagde 1] is [betrokkene 2] verschenen samen met mr. Van Someren Gréve. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] waren niet aanwezig.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

3.De feiten

Partijen
3.1.
[eiser] en [gedaagde 2] , althans aan hen gelieerde vennootschappen, waaronder respectievelijk [bedrijf] B.V. (DZI) en [gedaagde 2] GmbH ([gedaagde 2]), hebben zaken met elkaar gedaan. In verband daarmee zijn in Duitsland en naar Duits recht notariële akten opgesteld.
3.2.
Over het nakomen van uit die akten voortvloeiende financiële verplichtingen is een geschil ontstaan. [gedaagde 3] is de Duitse advocaat van [gedaagde 2].
3.3.
[gedaagde 2] heeft een aantal keer executiemaatregelen genomen die onder meer zagen op de woning van [eiser] en zijn echtgenote [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ) te [plaats 1] . DZI, [eiser] en [betrokkene 1] zijn daartegen bij deze rechtbank meerdere keren in rechte opgekomen.
3.4.
Advocaten van [gedaagde 1] hebben [gedaagde 2] bij de executiemaatregelen en de executiegeschillen als procesadvocaten bijgestaan, onder wie advocaten [betrokkene 3] ( [betrokkene 3] ) en [betrokkene 4] ( [betrokkene 4] ).
Tweede executiegeschil en procedure in Duitsland
3.5.
De mondelinge behandeling van het laatste executiegeschil vond plaats op 11 april 2025. Daarna is de zaak korte tijd aangehouden en zijn nog stukken gewisseld. De voorzieningenrechter heeft vervolgens op 23 mei 2025 uitspraak gedaan en de executoriale verkoop van de woning van [eiser] en [betrokkene 1] voor de duur van twaalf maanden voorwaardelijk geschorst.
3.6.
Over het (zijn) na(ge)komen van financiële verplichtingen die voor DZI en [eiser] jegens [gedaagde 2] uit de notariële akten voortvloeien loopt op dit moment in Duitsland een bodemprocedure.
Vonnis van 6 mei 2025: contactverbod
3.7.
Na de mondelinge behandeling, maar vóórdat uitspraak is gedaan in het tweede executiegeschil zijn [gedaagden] een kort geding (zaaknummer C/15/364722 / KG ZA 25-254) gestart tegen [eiser] en [betrokkene 1] .
3.8.
[gedaagden] hebben in die procedure naast een rectificatie door [eiser] betreffende [betrokkene 4] onder meer een contact- en straatverbod gevorderd versterkt met een dwangsom van € 75.000,00 per overtreding met een maximum van € 1.000.000,00.
3.9.
[eiser] is in die procedure niet verschenen, [betrokkene 1] wel. De voorzieningenrechter heeft op 6 mei 2025 uitspraak gedaan.
3.10.
Onder de kop feiten van dat vonnis staat dat [eiser] vanaf juli 2024 een groot aantal e-mails heeft verstuurd naar advocaten van [gedaagde 1] , onder wie [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , en naar [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Onder 2.3 van het vonnis volgt een selectie van twintig berichten. Het oudste bericht is van 19 juli 2024, het laatste van 1 mei 2025, zestien berichten zijn gestuurd in april 2025.
3.11.
De vorderingen tegen [betrokkene 1] zijn afgewezen. Over de tegen [eiser] ingestelde vorderingen heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:
4.4
[eiser] is niet in de procedure verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd.
De vorderingen tegen hem komen de voorzieningenrechter – ook naar Duits recht – niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen, met uitzondering van het door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gevorderde straatverbod. Een straatverbod vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. De Nederlandse voorzieningenrechter acht zich tot het opleggen van zo’n vergaand verbod op Duits grondgebied niet bevoegd. Bovendien is ter zitting gebleken dat de Duitse rechter al een straatverbod heeft opgelegd, zodat bij het opleggen van het straatverbod ten behoeve van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ook geen belang bestaat.
4.5.
De talloze bedreigende, intimiderende, lasterlijke en schofferende uitlatingen van [eiser] gaan alle perken te buiten en rechtvaardigen de oplegging van een straat- en contactverbod ten behoeve van [gedaagde 1] . Advocaten moeten in de Nederlandse rechtsstaat onbelemmerd en vrij hun werk kunnen uitvoeren en de medewerkers van [gedaagde 1] moeten daarom worden beschermd tegen deze stelselmatige aanvallen van [eiser] . De gevorderde ordemaatregelen zijn des te meer noodzakelijk, nu andere pogingen om het gedrag van [eiser] te beteugelen geen effect blijken te hebben.
4.6.
Ook de gevorderde dwangsom van € 75.000,- per overtreding zal worden toegewezen. Een dwangsom moet een voldoende prikkel zijn om de nakoming van een veroordeling af te dwingen. [gedaagde 1] heeft erop gewezen dat [eiser] in een recente e-mail zelf heeft gesteld dat zijn uurtarief € 2.500,- bedraagt en zijn Duitse advocaat heeft in een brief aan mr. [betrokkene 3] geschreven dat de onderneming van [eiser] € 15.000,- per dag aan inkomsten genereert. Dit is door [eiser] in deze procedure niet betwist. Gelet op deze hoge inkomsten, moet de dwangsom een fors bedrag zijn om [eiser] te kunnen stoppen. Een dwangsom van € 75.000,- per overtreding acht de voorzieningenrechter in dit geval dan ook gerechtvaardigd en noodzakelijk. De dwangsom zal, zoals gevorderd, worden gemaximeerd tot € 1.000.000,00.
4.7.
De voorzieningenrechter wijst er nog op dat het contactverbod niet alleen geldt voor het direct opnemen van contact door [eiser] , maar ook voor het indirect opnemen van contact, dus via derden, waaronder [betrokkene 1] . Het (bij voorbeeld) gebruiken van haar e-mailadres voor het versturen van e-mails aan eisers is dus ook in strijd met het aan [eiser] opgelegde contactverbod. Uiteraard vallen berichten met een zakelijke inhoud van een advocaat van [eiser] niet onder het opgelegde verbod.
3.12.
Het dictum van het vonnis luidt voor zover relevant:
5.1.
verbiedt [eiser] om gedurende één jaar vanaf het tijdstip van betekening van dit vonnis zonder voorafgaande toestemming van [gedaagde 1] op enige wijze direct of indirect, in persoon, per e-mail niet per brief, telefonisch, per sms, per Whatsapp, en per Social Media, contact op te nemen met [gedaagde 1] , haar werknemers en haar bestuurders en/of met [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] ;
5.2.
verbiedt [eiser] om zich gedurende één jaar na betekening van het te wijzen vonnis te bevinden en te begeven binnen een straal van 200 meter van het kantoor van [gedaagde 1] , gevestigd te [adres] te [plaats 5] ,
5.3.
veroordeelt [eiser] om aan de desbetreffende eiser een dwangsom te betalen van € 75.000,- voor iedere keer dat hij niet aan de onder 5.1 en 5.2 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 1.000.000,- is bereikt,
3.13.
Het vonnis is op 6 mei 2025 aan [eiser] betekend.
E-mails van [eiser]
3.14.
Op 18 juli 2025 heeft [eiser] om 19:55 uur een e-mail gestuurd aan de heer [betrokkene 5] , een advocaat in Duitsland ( [betrokkene 5] ), met als onderwerp [gedaagde 1] . [betrokkene 5] is namens [gedaagde 2] om juridisch advies gevraagd in verband met het geschil met DZI en [eiser] .
3.15.
Naast [betrokkene 5] is ook [betrokkene 6] als geadresseerde in de e-mail (ontvanger) opgenomen in het ‘aan’-veld. Zij is de echtgenote van [gedaagde 2] .
3.16.
In deze e-mail staat onder meer:
(…)
Zum Grund meiner Email:
Da seitens [gedaagde 2] hier ein Vergleich nicht gewollt war und zudem durch die Herren [gedaagde 2] und [gedaagde 3] – mit deutlicher Unterstützung der Mitarbeiter von [gedaagde 1] (allen voran [betrokkene 3] und [betrokkene 4] ) – kriminell gehandelt wurde, wird hier nun alles auf den Tisch kommen und „bis zum blutigen Ende“ eingetrieben (nichts anderes wollte man ja mir und meiner Familie antun).
(…)
Darüber hinaus haben die Herrn [gedaagde 3] und [gedaagde 2] aber auch sonst aus den
Verträgen weitreichende Verfehlungen begangen, die auch zu isolierten
Schadensersatzansprüche aus vorsätzlich verbotswidrigem Handeln führen. Während ich natürlich auf der einen Seite hier diese Dinge bis zum Ende beitreiben zu gedenke (und hier dann natürlich auch alle rechtstaatlichen Mittel in Anspruch nehmen werde – Krankheit und Alter werden dann auch für die handelnden und zu versorgenden Personen kein Hinderungs- oder Entschuldigungsgrund sein – ebenso nicht die Rücksichtnahme auf Belange der Geliebten wie (…) oder der [e-mailadres 1] (aus meiner Sicht wäre eine schnelle Distanzierung beider von Herrn [gedaagde 2] im eigenen Interesse), ist auf der anderen Seite hier natürlich dann auch immer zu bedenken, wie viel und wie lange beiden der Herren [gedaagde 2] und [gedaagde 3] noch zu holen ist (insbesondere auch im Hinblick auf die restliche Verweildauer auf dieser Erde). Insofern wird es beiden natürlich nicht möglich sein, hier auch im täglichen Geschäft noch die Zinsen zu verdienen, die hier dann jeden Tag noch zusätzlich anfallen.
Aus diesem Grunde – und da die Herren sich ja schon zuvor an Sie gewandt haben und Sie hier dann zumindest in Teilen für eine Grunderkenntnis gesorgt haben:
Wir werden hier Ansprüche von rund 9 Mio € gegen die [gedaagde 2] – als auch die Herren [gedaagde 2] und [gedaagde 3] privat – aus verbotener Handlung geltend machen. Jeder Tag kostet hier dann rund 3.000 € Zinsen bis zur Erkenntnis. Sollten Sie und Ihre Studenten hier dann auch hilfreich sein, um den Erkenntnisprozess zu beschleunigen (und es geht hier nur um normales Denken und die Bewertung kriminellen Verhaltens der beiden Personen) – haben Sie auf der einen Seite rund 15.000 € verdient, die beiden Herren alles bezahlt und können behaupten, dass diese jeden Tag 3.000 € verdienen (ersparte Zinsen) und wir machen dann mit dem Geld sogar jeden Tag 12.000 €. Da hat doch jeder was dran gewonnen.
3.17.
Op 5 september 2025 heeft [betrokkene 3] om 09:49 uur mr. Guldemond het volgende geschreven:
Geachte confrère,
Vanochtend ontving ons kantoor 11 e-mails van de heer [eiser] met download opties om documenten te openen. Hieronder een print screen van een van deze mails:

AFBEELDING 1

Ik wijs nog een keer zeer uitdrukkelijk op het contractverbod en de consequenties die daaraan verbonden zijn. Ik verzoek u dit na te gaan bij uw cliënt en mij per ommegaande te informeren over de achtergrond hiervan.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 3]
3.18.
Mr. [betrokkene 7] ( [betrokkene 7] ), kantoorgenoot van [betrokkene 3] , is in kopie (‘cc’) van de e-mail aan mr. Guldemond opgenomen.
3.19.
Mr. Guldemond heeft hierna contact gehad met [betrokkene 1] . Zij heeft hem geschreven:
Beste Kai ,
Het is een virus. Niet openen. Gewoon verwijderen.
Dit gaat door [eiser] [ [eiser] , Vzr] hele adreslijst. Ik heb deze mail vanochtend ontvangen.. maar ook onze accountant (z. als bewijs bijgevoegd hun mail).
Ik heb inmiddels een melding bij onze IT gedaan.
De heer [betrokkene 3] hoeft nu echt geen aangifte of zo te doen. Mijn excuses hiervoor  zoals gezegd, niets openen en gewoon verwijderen.
P.S. blijkbaar hebben ze [eiser] mailadres toch niet geblokkeerd.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 8]
3.20.
Mr. Guldemond heeft [betrokkene 3] om 10:31 uur geschreven:
Beste [betrokkene 3] ,
Ik kreeg zojuist van cliënt de bevestiging dat dit bericht niet van hem afkomstig. Het is helaas een virus.
Dus vooral niet openen / klikken en het wissen. Meer personen van de contactenlijst van cliënt hebben identieke berichten ontvangen. Wellicht handig om het mailadres van cliënt gewoon te blokkeren. Voorzover nodig gaat de correspondentie wel via mij.
Met vriendelijke groet,
Kai Guldemond
3.21.
In deze reactie aan [betrokkene 3] is [betrokkene 7] in kopie opgenomen als ook, voor [betrokkene 3] en [betrokkene 7] niet zichtbaar, onder meer [eiser] in ‘blinde’ kopie (‘bcc’).
3.22.
[eiser] heeft om 21:11 uur op de e-mail van 10:31 uur van mr. Guldemond gereageerd:
Hallo Kai
Dankjewel voor de inzet … het verbaast mij toch zeer dat dan blijkbaar intelligente
mensen (als advocaten het zullen zijn) hier dan aan de andere kant steeds zo
opgewonden raken.
Verder heb ik hier dan ook nog delen van het verweer van [gedaagde 1] bij de deken gelezen …
Vanuit mijn oogpunt een van de meest ellendige stukken die ik ooit heb gelezen en ik ga
Hier dan ook nog zelf een klacht indienen bij de deken … niet alleen is het ellende en
mijn vrouw wordt blijkbaar niet als eigen persoon waargenomen maar ik zie hier ook
geen gedragsverandering bij [gedaagde 1] … zij hebben steeds nog dezelfde arrogante opzet …
als je weet hebben wij hier alle maatregelen genomen (natuurlijk alleen civielrechtelijk,
strafrechtelijk en tuchtrechtrechtelijk om hun ter verantwoording te brengen en de
mensheid voor hun te beschermen) …
BG
[eiser]
Verstuurd vanaf mijn Iphone
3.23.
In kopie van deze reactie stonden onder meer [betrokkene 3] en [betrokkene 7] .
3.24.
Om 21:19 uur schrijft [eiser] aan mr. Guldemond:
Beste Kai
Niet gezien dat hier [betrokkene 3] [ [betrokkene 3] , Vzr] in cc was …
Graag weer verontschuldigen maar ik had het niet gezien … maar wat waar is moet waar blijven – ik hoop ze hebben genoeg financiële middelen om hier de schade dan ook te vergoeden … ik denk dat hier steeds nog de ernstigheid is beseft
BG
[eiser]
Verstuurd vanaf mijn iPhone
3.25.
Ook in deze e-mail staan [betrokkene 3] en [betrokkene 7] in kopie.
3.26.
De heer [betrokkene 9], een Duitse advocaat van [eiser] ([betrokkene 9]), heeft [eiser] op 4 september 2025 bij e-mail een brief doorgestuurd van het Landesgericht Aachen. [eiser] heeft die e-mail op 6 september om 03:01 uur beantwoord. De e-mail van [eiser] heeft als onderwerp ‘WG: 217/24 - DZI 6. Vorrat/[gedaagde 2] GmbH’.
3.27.
In die e-mail staan [betrokkene 9], DZI en de Duitse advocaat [betrokkene 10] in het ‘aan-veld’. Het advocatenkantoor van [gedaagde 3] is in kopie opgenomen, naast het Landesgericht Aachen en deken van de Orde van Advocaten in Noord-Holland.
3.28.
[eiser] schrijft:
Guten Tag allerseits,
gerne nehme ich zu dem wirren Schriftsatz des [gedaagde 3] Stellung:
a) Sollte der [gedaagde 3] hier für sich selbst eine Bedrohungslage konstruieren, obliegt dieses seinen persönlichen Wahnvorstellungen. Eine persönliche Bedrohungslage lag weder für die Vergangenheit vor noch wird diese für die Zukunft gegeben sein. Jegliche ÄuBerung des [gedaagde 3] entspricht hier persönliche Wahnzuständen.
b) Was ich angekündigt habe (und auch durchsetzen werde) ist die des [gedaagde 3] (neben dem offensichtlich schwer kranken [gedaagde 2] als auch der niederländischen Anwälte [betrokkene 4] und [betrokkene 3] ) auch unter Verzehr alles im Leben angeschafften aufgrund derer kriminellen Handlungen. Sieht der [gedaagde 3] hierin eine Blutdürstigkeit ist dieses mehr auf ein schlechtes Gewissen zurückzuführen.
c) In der Sache fügt der [gedaagde 3] für das erkennende Gericht nichts Neues hinzu und bleibt dann auch mehr wage als konkret. Ggf. mag es so sein, dass hier durchaus noch Teilansprüche aus Kaufpreisen bestehen, diese dürften dann aufgrund weiterer nicht vertragsgemäBer Handlungen und daraus resultierender Gegenansprüche schon untergegangen sein. Der Sachvortrag des [gedaagde 3] zeigt schon die eigene
d) In der hiesigen Sache ist der Schriftsatz [gedaagde 3] sowieso wenig hilfreich: Ich habe hier alle Zahlungen geleistet; [gedaagde 3] hat hier kollusiv mit [gedaagde 1]
(@deken@advocatenorde-nh.nl) mag es weiterleiten, damit bei den Schuldigen die Angst gemanagt wird) sich der Urkundenfälschung und des Betrugs strafbar gemacht, um hier die Dinge zu verfälschen. Sämtliche verschuldigte Zahlungen sind schon lange geleistet. Was hier zu hoffen ist, ist das sowohl [gedaagde 3] als auch insbesondere [gedaagde 2] als auch [betrokkene 3] und [betrokkene 4] in der Summe über genug Vermögen verfügen, um hier dann auch alles zu an aufgelaufenem Schaden zur vergüten oder zumindest im Rest der jeweiligen Leben dieses
erarbeiten können.
GruB SH
Aanzegging verbeurte dwangsommen
3.29.
Op 14 januari 2026 heeft de deurwaarder op verzoek van [gedaagden] bij exploot
 [eiser] aangezegd dat [eiser] bij exploot van 6 mei 2025 de voorwaarden zijn aangezegd wanneer dwangsommen worden verbeurd op basis van het vonnis van 6 mei 2025,
 [eiser] de e-mails betekend bedoeld onder 3.14 (met [betrokkene 6] als geadresseerde), 3.22, 3.24 (met mr. [betrokkene 3] en mr. [betrokkene 7] in kopie) en 3.27 (met het kantoor van [gedaagde 3] in kopie),
 [eiser] bevel gedaan om binnen twee dagen vier van zes verschuldigde dwangsommen van € 75.000,00 elk te betalen plus de kosten van het exploot, in totaal € 300.166,50, en aangezegd dat [gedaagden] als niet aan het bevel wordt voldaan de executie zal worden vervolgd, meer speciaal door beslag op roerende en/of onroerende zaken/rechten, c.q. derdenbeslag.
3.30.
Mr. [betrokkene 11], kantoorgenoot van mr. Guldemond, heeft de deurwaarder namens [eiser] op 20 januari 2026 geschreven dat en waarom [eiser] de door [gedaagden] opgeëiste dwangsommen betwist en de deurwaarder verzocht om gedurende zeven dagen geen verdere executiehandelingen te verrichten.
3.31.
De deurwaarder heeft op 21 januari 2026 gereageerd en geschreven dat [eiser] het contactverbod van het vonnis van 6 mei 2025 zes keer en evident heeft overtreden en hij verdere executie niet zal staken, tenzij een executiegeschil aanhangig wordt gemaakt.
Zitting politierechter 19 mei 2026
3.32.
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft [eiser] gedaagd voor de politierechter van de rechtbank Amsterdam . Op 19 mei 2026 vindt in die strafzaak de zitting plaats.
3.33.
[betrokkene 3] is hiervan door het OM op de hoogte gesteld bij brief van 9 februari 2026 van het OM, met als bijlage de tenlastelegging. Die luidt:
“Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 27 maart 2025 tot en met 2 mei 2025 te [plaats 5] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [betrokkene 2] en/of [betrokkene 4] , door op meerdere momenten een grote hoeveelheid, althans meermaals een of meerdere (dreigende) e-mails te sturen naar de e-mailadressen van die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of een of meerdere collega’s van die [betrokkene 3] en/of die [betrokkene 4] , met (daarin) onder meer de teksten:
- “U en [e-mailadres 2] zijn nog vrij jong dus heb ik genoeg tijd om Uw allebei leven dan tot de levende hel te make en hier alles eraan te doen dat jullie nooit meer gelukkig moment hebben.” en/of
- “Het komt nu een hoogst bruut eindgevecht en mijn doel is gewoon iedereen af te maken (dus echt kapot maken), die mij en mijn gezin heeft aangevallen. En eerlijk zin nog: ik wil dan iedereen van de vier mensen ook echt kapot op het slachtveld liggen zien – ze hebben het nu een jaar [betrokkene 11] bij en mijn gezin geprobeerd: Nu ben ik aan de beurt en ik ga de job afmaken” en/of
- “GEEN OPTIE: GAAN HANGEN IN DE BOMEN” en/of
- “Al dit gedrag kan niet ongestraft blijven en het gedrag gaat dan gestraft worden ’ helaas zijn dan ook alle medewerkers van [gedaagde 1] medeplichtig.” en/of
- “en U en @ [betrokkene 4] gaan hopen nooit geboren te zijn.” en/of
- “Ik heb in mijn verhoor het ook heel duidelijk gemaakt dat ik alle rechtmatige middelen (civiel-, straf- en tuchtrechtelijk ook in de toekomst ga gebruiken om ieder onrecht en het crimineel gedrag van [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 3] te vervolgen (en zou het tot het rest van hun leven zijn). Verder heb ik ook verklaart, dat het leven van @ [betrokkene 4] en @ [betrokkene 3] . [betrokkene 3] [gedaagde 1] tot het einde van hun leven (of mijn leven) eindigt.” en/of
- “ook als ik ervoor ga zorgen zo vreselijk mogelijk is” en/of
- “Mbt @ [betrokkene 4] en @ [betrokkene 3] . [betrokkene 3] [gedaagde 1] en de heren [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn hier de nodige aangiften en alle anders nodige maatregelen getroffen om hun leven hier tot levende hel te maken.” en/of
- “Ik heb in de tussentijd een grote aantal advocaten ingeschakeld die hun leven-zij het aan mij wat dan ook gebeuren- zo ellendig mogelijk maakt.” en/of
- “en de ergste van allen in de hypocriete @ [betrokkene 4]  het meest ellendig wijf op deze aarde … haar leven ga ik  zoals afgekondigd  sowieso een levende hel maken” en/of
- “@ [betrokkene 4] gaat hier sowieso ten onder  dit ellendig wijf draait al bij nu 8% al door” en/of
- “Lock het asociaal kutwijf @’ [betrokkene 4] ’ op … haar leven moet niet alleen door mij worden ondragelijk gemaakt … vanwege het gedrag van dit (sorry) kutwijf moet ze erger lijden dan het lelijkste dan het lelijkste en ergste dier … ze is en lieger en bedrieger en oplichter …” en/of
- En crimineel wijf als @’ [betrokkene 4] ’ mag nooit moeder zijn en kinderen opvoeden  z’n crimineel stuk hoort opgesloten”,
met het oogmerk die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
(Artikel art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode van 21 april 2025 tot en met 25 april 2025 te [plaats 5] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing 12 april 2025, gegeven door de officier van justitie te [plaats 5] , kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich dient te onthouden van contact met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 4] , door meermaals e-mails te versturen naar de e-mailadressen van die [betrokkene 3] en/of die [betrokkene 4] ;
(Artikel art 184 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 28 maart 2025 te [plaats 5] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, [betrokkene 2] en/of [betrokkene 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] (per e-mail) dreigend de woorden toe te voegen “Het komt nu een hoogst bruut eindgevecht en mijn doel is gewoon iedereen af te maken (dus echt kapot te maken), die mij en mijn gezin heeft aangevallen. En eerlijk zin nog: ik wil dan iedereen van de vier mensen ook echt kapot op het slagveld zien liggen - ze hebben het nu een jaar [betrokkene 11] bij en mijn gezin geprobeerd: Nu ben ik aan de beurt en ik ga de job afmaken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(Artikel art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)”
Tekst

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eiser] vordert – samengevat weergegeven – schorsing dan wel een verbod op (verdere) executie van de dwangsommen inclusief eventuele beslagleggingen en, indien aan de orde, opheffing van daartoe reeds gelegde beslagen, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure. Hij legt daaraan – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag.
4.1.1.
[eiser] heeft met het versturen van de door [gedaagden] bedoelde e-mailberichten het contactverbod zoals hem dat bij vonnis van 6 mei 2025 heeft opgelegd gekregen niet overtreden. [gedaagden] leggen dat verbod niet correct uit en passen dit niet goed toe. Het verbod is algemeen geformuleerd. De draagwijdte ervan is beperkt te achten tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, inbreuken opleveren op de door de rechter gegeven verboden. Een dwangsom is een prikkel tot nakoming is en mag niet verworden tot een punitief instrument waarbij op basis van onduidelijke of onvoldoende controleerbare stellingen onmiddellijk maximale executiedruk wordt uitgeoefend. Van dat laatste is in dit geval sprake.
4.1.2.
Het contactverbod ziet niet op contact met [betrokkene 6] . Van een verboden indirect contact met [gedaagde 2] is geen sprake. Daarvan kan pas sprake zijn als een derde bewust wordt ingezet als kanaal om de persoon te bereiken of te beïnvloeden met wie contact verboden is. [gedaagden] hebben niet concreet gemaakt dat de e-mail van 18 juli 2025 objectief erop was gericht [gedaagde 2] te bereiken en evenmin dat de e-mail tot daadwerkelijk contact met [gedaagde 2] heeft geleid. Uit de tekst van de e-mail valt niet op te maken dat deze (indirect) gericht is aan [gedaagde 2] . De e-mail gaat over de zaak tussen DZI en [gedaagde 2], is bestemd voor advocaat [betrokkene 5] en heeft verder een juridische inhoud. Het communicatiedoel is [betrokkene 5] inlichten, niet [gedaagde 2] benaderen via [betrokkene 6] .
4.1.3.
De e-mails van [eiser] van 5 september 2021 waren duidelijk enkel bedoeld voor mr. Guldemond. Zij zijn geschreven in het kader van het incident met de phishingmails eerder die dag, waarvoor excuses zijn aangeboden. [eiser] heeft abusievelijk niet gezien dat ook [betrokkene 3] in de cc was opgenomen in de e-mail van mr. Guldemond aan [eiser] en heeft toen bij het beantwoorden daarvan op de reply/reply all-knop gedrukt. Dit bericht is dus onbedoeld en ongewild bij [betrokkene 3] terechtgekomen. Hetzelfde geldt voor de e-mail van 21:19 uur. Voor zover toch sprake zou zijn van een overtreding van het contactverbod moeten de e-mails worden gezien als één samenhangende gebeurtenis en kan hooguit sprake zijn van één overtreding in plaats van twee.
4.1.4.
[gedaagde 3] staat enkel in kopie in de e-mail van 6 september 2025. Van direct of indirect contact opnemen met [gedaagde 3] is geen sprake. Niet iedere technische ontvangst van een e-mail is reeds contact opnemen in de zin van het dictum van het vonnis van 6 mei 2025. Beslissend is of sprake is van een bewuste, op communicatie gerichte handeling van [eiser] . Dat is niet het geval.
4.1.5.
[gedaagden] maken misbruik van hun executiebevoegdheid. Volgens [gedaagden] kunnen zij ook tot zes overtredingen komen, maar zij beperken zich vervolgens tot vier. [gedaagden] knippen in dit verband naar believen in e-mails, dupliceren deze of voegen ze samen. Zij willen kennelijk maximale financiële druk uitoefenen op basis van betwistbare interpretaties van het e-mailverkeer.
4.1.6.
Subsidiair geldt dat voor het geval een overtreding mocht worden vastgesteld de opgeëiste dwangsommen exorbitant, disproportioneel en onaanvaardbaar zijn. Onder de gegeven omstandigheden levert dat misbruik van recht op. De inhoud van de e-mailberichten was grotendeels informatief en verontschuldigend van aard en niet intimiderend. Van een herhaling van escalerend gedrag was geen sprake. [gedaagden] hebben geen enkel concreet nadeel gesteld of aannemelijk gemaakt. Het beoogde doel van het contactverbod, het voorkomen van ongewenste benadering, is evident niet in het geding. Zonder matiging krijgt de executie van de dwangsommen, ten onrechte, louter een punitief en repressief karakter.
4.1.7.
Indien achteraf zou blijken dat (een deel van) de door [gedaagden] opgeëiste dwangsommen ten onrechte is of zijn geëxecuteerd, rust het volledige restitutierisico bij [gedaagden] terwijl [eiser] de financiële en feitelijke schade op voorhand en onomkeerbaar draagt. [eiser] zal in geval van executie worden geconfronteerd met ernstige liquiditeits- en vermogensgevolgen, terwijl onzeker is of hij het geïnde bedrag later daadwerkelijk terug zal kunnen krijgen. [gedaagden] hebben geen zekerheid gesteld of aangeboden om de geëxecuteerde bedragen in depot te houden. Het restitutierisico dient te worden meegewogen bij de toe te passen belangenafweging in dit geschil of de executie moet worden geschorst of beperkt.
4.2.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in conventie.
[gedaagden] voeren – verkort weergegeven – het volgende aan:
4.2.1.
Het dictum van het vonnis van 6 mei 2025 is glashelder. Het daarin verwoorde verbod is specifiek en concreet: geen contact, op geen enkele wijze, direct noch indirect, met geen van de genoemde personen en entiteiten. Er is sprake van een totaalverbod. Daaronder vallen ook onbedoeld verstuurde e-mails. Een e-mail aan betrokkenen in cc is geen mindere vorm van contact; het bericht bereikt de ontvanger op precies dezelfde wijze als wanneer de ontvanger in het ‘aan-veld’ zou staan.
4.2.2.
De e-mail van 18 juli 2025 van [eiser] aan [betrokkene 5] en [betrokkene 6] bevat verwensingen en bedreigingen die evident aan het adres van [gedaagde 2] zijn gericht. Het versturen van bedreigingen aan de echtgenote van een beschermde persoon, wetende dat deze de beschermde persoon zullen bereiken, is een vorm van indirect contact als bedoeld in het vonnis van 6 mei 2025. [eiser] kende [gedaagde 2] uitsluitend in zakelijke context. Het benaderen van diens echtgenote kan geen ander doel hebben gehad dan het (indirect) bereiken van [gedaagde 2] . Het is simpelweg de bedoeling van [eiser] geweest dat deze e-mail in die hoedanigheid en ongefilterd bij [gedaagde 2] terecht zou komen.
4.2.3.
Het in kopie opnemen van [betrokkene 3] en [betrokkene 7] in de twee e-mails van 5 september 2025 van [eiser] aan mr. Guldemond betekent dat [betrokkene 3] en [betrokkene 7] dat bericht direct ontvangen. Het gaat om twee mails geadresseerd aan steeds twee afzonderlijke medewerkers van [gedaagde 1] . Daarmee is feitelijk sprake van vier overtredingen van het contactverbod.
Het in het cc-veld zetten van personen is een actieve handeling van degene die de e-mail verstuurt en is geen automatisch of onvermijdelijk gevolg van het beantwoorden van een bericht. [eiser] had, zeker gelet op het contactverbod, zorgvuldiger moeten handelen. In ieder geval heeft [eiser] dan onnodig twee keer dezelfde fout gemaakt. Toen hij de tweede mail stuurde was hij er immers al van op de hoogte dat de eerste mail ook aan [betrokkene 3] en [betrokkene 7] was gestuurd. Ook het betuigen van spijt levert een schending op van het contactverbod.
4.2.4.
Met het versturen van de e-mail van 6 september 2025 waarbij [gedaagde 3] in cc is opgenomen heeft [eiser] direct contact opgenomen met [gedaagde 3] . Dat is [eiser] op grond van het contactverbod niet toegestaan. Het dictum van het vonnis maakt geen onderscheid tussen een ontvanger in het aan-veld en het cc-veld van een e-mail.
4.2.5.
[gedaagden] hebben gelet op de twee e-mails van 5 september 2025 aan zowel [betrokkene 3] als [betrokkene 7] zelf een redelijkheidscorrectie toegepast door het aantal overtredingen te beperken tot vier in plaats van zes.
4.2.6.
Er doen zich geen omstandigheden voor die maken dat sprake is van misbruik van executiebevoegdheid. Door [eiser] is niets gesteld over een juridische of feitelijke misslag waarop het vonnis zou berusten of dat gezien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van [eiser] sprake is van een noodtoestand.
De hoogte van de dwangsom is na een zorgvuldige afweging door de voorzieningenrechter vastgesteld op grond van wat [eiser] eerder heeft meegedeeld over zijn inkomen vermogen.
In het kader van dit executiegeschil kan de hoogte van een eerder vastgestelde dwangsom niet opnieuw worden beoordeeld. Dat kan enkel de rechter die de dwangsom heeft opgelegd en dan enkel in geval van een blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Dat daarvan sprake is, is door [eiser] niet aangevoerd.
4.2.7.
Het bestaan van een restitutierisico is geen zelfstandige grond voor schorsing. Het bestaan van dat risico is inherent aan het executeren van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. [eiser] heeft het bestaan en de omvang van dat risico ook helemaal niet onderbouwd.
in reconventie
4.3.
[gedaagden] vorderen dat de voorzieningenrechter, bij vonnis zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) het bij vonnis van 6 mei 2025 aan [eiser] opgelegde contact- en straatverbod verlengt met één jaar na afloop van de huidige termijn, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure, voorwaardelijk te vermeerderen met wettelijke rente over die proceskosten.
[gedaagden] leggen hieraan – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag.
4.3.1.
Het huidige contact- en straatverbod is door de voorzieningenrechter opgelegd omdat i) [eiser] stelstelmatig, intimiderende, lasterlijke en schofferende uitlatingen deed aan het adres van [gedaagde 1] , haar medewerkers en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ii) [eiser] op geen enkele wijze blijk gaf in te zien dat hij daarmee moest stoppen, en iii) tot dit gedrag is gekomen ondanks aansporing van zijn eigen advocaten, het streng toespreken van de voorzieningenrechter op de zitting vanwege het executiegeschil op 11 april 2025, zijn aanhouding door de politie en het opleggen van een gedragsmaatregel.
4.3.2.
De overtredingen van het contact- en straatverbod bevestigen dit patroon. [eiser] respecteert dit verbod niet. Kennelijk heeft de daaraan verbonden dwangsom een onvoldoende afschrikwekkend effect gehad. Er bestaat daarom een concreet en reëel gevaar op herhaling na afloop van het huidige verbod. Bescherming van [gedaagde 1] , haar medewerkers, alsmede [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , door een verlenging daarvan is noodzakelijk. Verdere escalatie ligt ook in de lijn der verwachting. De zitting bij de politierechter op 19 mei 2026 en het naderende einde van de rechtszaak in Duitsland waarin [gedaagde 2] het gelijk aan haar zijde lijkt te krijgen zullen naar verwachting voor [eiser] ‘trigger events’ zijn. Het verleden heeft geleerd dat dergelijke ‘trigger events’ iets bij [eiser] in gang zetten. [gedaagde 1] is werkgever en heeft een zorgplicht voor haar werknemers om hen te beschermen tegen de aanhoudende aanvallen van [eiser] .
4.4.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
[eiser] voert – verkort weergegeven – het volgende aan.
4.4.1.
Voor het opleggen en dus ook het verlengen van een contact- en straatverbod geldt een hoge drempel. Dit vormt immers een vergaande inbreuk op de grondrechten van [eiser] . Vereisten zijn ernstig onrechtmatig handelen en het bestaan van een concreet aannemelijk gevaar voor herhaling daarop. De betwiste e-mailincidenten bieden echter onvoldoende grondslag voor zo’n ingrijpende maatregel. Zowel ruim na het opleggen van het contactverbod als na de door [eiser] bestreden incidenten met de e-mails is er geen moment geweest dat [eiser] [gedaagden] op welke wijze dan ook heeft benaderd.
4.4.2.
De strafrechtelijke vervolging van [eiser] biedt evenmin voldoende grond voor een verlenging van het contact- en straatverbod. Die vervolging ziet in de eerste plaats op gebeurtenissen van vóór dat verbod. De tenlastelegging is dus geen bewijs van overtredingen ván dit verbod. Verder geldt het beginsel van de onschuldpresumptie. Een strafrechtelijk oordeel is er nog niet. [eiser] betwist de ten laste gelegde feiten.
4.4.3.
[gedaagden] hebben niet aangetoond dat sprake is van concreet herhalingsgevaar.
De e-mailincidenten, voor zover dit al overtredingen zijn van het contact- en straatverbod, zijn technisch van aard en niet te vergelijken met de ‘stelselmatige e-mailcampagne’ die aanleiding gaf tot het contactverbod. Er zijn geen recente, onomstreden overtredingen die een patroon van stelselmatige schending aantonen. De dreiging van een dwangsom van € 75.000,00 per overtreding is een krachtige prikkel. Dit is ook reden voor [eiser] om niet bij de mondelinge behandeling in deze zaak aanwezig te zijn.
Nota bene [gedaagde 2] heeft [eiser] op 10 augustus 2025 nog een LinkedIn-contactverzoek gestuurd. [eiser] is daar overigens niet op ingegaan. Dit verzoek staat haaks op de stelling van [gedaagden] dat [eiser] een bedreiging vormt.
Een verlenging met een jaar is disproportioneel. Het beperkt [eiser] in zijn mogelijkheden zijn rechtspositie te verdedigen in de lopende civiele, tuchtrechtelijke en strafrechtelijke procedures. Ook de stand van zaken in het onderliggende geschil met [gedaagde 2] rechtvaardigt geen verdere beperking van de communicatiemogelijkheden van [eiser] , gelet op de hoogte van de mogelijke vordering die [gedaagde 2] nog zou kunnen hebben en de door [gedaagde 2] op de bezittingen van [eiser] gelegde beslagen. De ordemaatregel van het vonnis van 6 mei 2025 is op goede gronden beperkt tot één jaar.

5.De beoordeling

in conventie
Voorvragen
5.1.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] wonen in Duitsland, de overige partijen wonen of zijn gevestigd in Nederland. De zaak heeft daarmee een internationaal aspect zodat eerst de vragen over de rechtsmacht van de voorzieningenrechter en het toepasselijk recht moeten worden beantwoord.
5.2.
Zowel Nederland als Duitsland zijn lidstaten aangesloten bij de Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
5.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 24 aanhef Pro en sub 5 van die verordening zijn, ongeacht de woonplaats van partijen, voor de tenuitvoerlegging van beslissingen bij uitsluiting bevoegd de gerechten van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging.
5.4.
Het geschil in dit kort geding gaat over de executie van dwangsommen ten laste van [eiser] . Omdat de tenuitvoerlegging in Nederland in dit arrondissement plaatsvindt, komt de voorzieningenrechter in deze rechtbank rechtsmacht toe.
5.5.
Wat betreft het toepasselijk recht wordt overwogen dat allereerst de vraag voorligt of de executie van de dwangsommen moet worden gestaakt. Het gaat hier om een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In lid 1 en 2 van dit artikel is bepaald dat geschillen die in verband met een executie rijzen, worden gebracht voor de voorzieningenrechter van de rechtbank die naar gewone regels bevoegd zou zijn, of in welke rechtsgebied de executie zal geschieden. De executie zal plaatsvinden in Nederland, de Nederlandse rechter is bevoegd en daarmee is op dit geschil het formele Nederlandse procesrecht van toepassing.
5.6.
Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vordering volgt uit het feit dat de executie van de dwangsommen is aangezegd en verdere executie door [gedaagden] voorlopig enkel zou worden gestaakt als [eiser] een executiegeschil aanhangig zou maken. Dat heeft [eiser] vervolgens gedaan.
Ten gronde
5.7.
Bij de beoordeling of dwangsommen zijn verbeurd wegens overtreding van een door de rechter opgelegd verbod komt het aan op de uitleg van het dictum van het betreffende vonnis. Die uitleg dient naar objectieve maatstaven te geschieden, waarbij het dictum wordt gelezen in samenhang met de overwegingen waarop het berust. Het verbod mag daarbij niet ruimer worden uitgelegd dan uit die samenhang voortvloeit, terwijl verbeurte slechts kan worden aangenomen indien de verweten gedraging duidelijk onder het bereik van het verbod valt. In het kader van dit executiegeschil is het aan [gedaagden] als executant om voldoende aannemelijk te maken dat [eiser] het hem opgelegde contact- en straatverbod heeft overtreden.
5.8.
Het onderliggende vonnis is bij verstek gewezen en heeft kracht van gewijsde gekregen. De voorzieningenrechter heeft het door [gedaagden] gevorderde toegewezen omdat het hem, ook naar Duits recht, niet onrechtmatig of ongegrond voorkwam en heeft daarbij onder meer overwogen dat de talloze bedreigende, intimiderende, lasterlijke en schofferende uitlatingen van de veroordeelde alle grenzen te buiten gingen en een contact- en straatverbod rechtvaardigden. Ook is de voorzieningenrechter nader ingegaan op ‘indirect contact’. Als voorbeeld is genoemd dat [eiser] zich niet mag bedienen van een e-mailaccount van een derde om vanuit dat account zelf berichten aan [gedaagden] te sturen, bijvoorbeeld vanaf het account van zijn echtgenote. Een zakelijk bericht van een advocaat van [eiser] aan [gedaagden] valt nadrukkelijk niet onder het contactverbod.
5.9.
Het vonnis verbiedt [eiser] om zonder voorafgaande toestemming van [gedaagde 1] contact op te nemen met [gedaagden] Contact opnemen betekent dat een persoon met een ander wil communiceren, die ander op de hoogte wil stellen van zijn mening, gevoelens, behoeften of standpunt over het een of ander of van meer objectieve, feitelijke informatie, al dan niet met de bedoeling de ander tot een doen of nalaten te bewegen. Dat kan met en zonder geschreven of gesproken woorden. Contact opnemen vooronderstelt in beginsel de bewuste wil tot communicatie bij degene die met de ander in contact treedt.
5.10.
Zowel [eiser] als [gedaagden] gaan er blijkens hun processtukken en op de zitting gegeven toelichting vanuit dat voor het overtreden van het contactverbod niet relevant is wát [eiser] in een voorkomend geval aan [gedaagden] zou meedelen. Ook het versturen door [eiser] van, bijvoorbeeld, een objectief gezien neutrale, niet beledigende of zelfs goedbedoelde e-mail of brief, is niet toegestaan. Het vonnis van 6 mei 2025 maakt in die lezing geen inhoudelijk onderscheid, met uitzondering van berichten van een advocaat van [eiser] aan [gedaagden] met zakelijke inhoud. Die specifieke vorm van indirect contact is wel toegestaan.
5.11.
Tegen deze achtergrond kan het in algemene bewoordingen geformuleerde verbod om “op enige wijze contact op te nemen” naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo worden verstaan dat een bericht waarvan in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat de verzender ook beoogde dat dit bericht de ander zou bereiken tot verbeurte van een dwangsom leidt. Het contactverbod moet aldus worden begrepen als strekkende tot het voorkomen van het
bewust en gewildcontact opnemen door [eiser] met [gedaagden]
5.12.
Het maakt daarbij in het geval van het versturen van een e-mail in beginsel niet uit of iemand in het ‘aan’-, ‘kopie’- of ‘blinde kopie’-veld van een e-mail wordt opgenomen. In al die gevallen moet worden aangenomen dat de verzender beoogt dat die persoon kennis neemt of kan nemen van de inhoud van dat bericht.
5.13.
Over het verbod op het indirect contact opnemen overweegt de voorzieningenrechter dat als een e-mail niet rechtstreeks is verstuurd aan een partij met wie op grond van het vonnis van 6 mei 2025 geen contact mag worden opgenomen, maar aan een derde, de verzender niettemin kan beogen dat die derde de e-mail zelf onder de aandacht van die persoon brengt. In dat geval is voorshands geoordeeld ook sprake van het indirect opnemen van contact. Of sprake is van een zodanig oogmerk, zal afhangen van de omstandigheden van het geval.
5.14.
Uitgaande van deze uitleg van het vonnis wordt over de vier e-mails van [eiser] die aan de aanzegging van het verbeurd zijn van dwangsommen ten grondslag zijn gelegd het volgende opgemerkt.
De e-mails van 5 september 2025
5.15.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagden] gelet op wat [eiser] daarover heeft aangevoerd niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat [eiser] de bedoeling had zijn twee e-mails van 5 september 2025 om 21:11 en 21:19 uur aan mr. Guldemond ook aan [betrokkene 3] en [betrokkene 7] te sturen.
5.16.
Dat [eiser] [betrokkene 3] en [betrokkene 7]
actiefals geadresseerden in kopie heeft opgenomen wordt niet voldoende aannemelijk geacht. Er zijn voldoende aanwijzingen dat [eiser] , zoals hij aanvoert, per ongeluk gebruik heeft gemaakt van de reply all-knop en zich niet heeft gerealiseerd dat [betrokkene 3] en [betrokkene 7] in kopie stonden van de e-mail die mr. Guldemond hem had gestuurd en waarop hij reageerde door middel van een ‘reply’. Gezien de tekst van beide berichten is voldoende aannemelijk dat [eiser] enkel met mr. Guldemond wilde communiceren. Zo vraagt [eiser] mr. Guldemond in de tweede e-mail om zijn verontschuldigingen aan te bieden. [eiser] verontschuldigt zich in die e-mail niet rechtstreeks bij [betrokkene 3] .
5.17.
De e-mails zijn blijkens de in het geding gebrachte kopieën van de e-mails door [eiser] vanaf zijn Iphone gestuurd, dus niet vanaf een apparaat met een groot scherm en tussen beide mails zitten slechts 8 minuten. Ook dat vindt de voorzieningenrechter aanwijzingen dat [eiser] zich niet heeft gerealiseerd dat [betrokkene 3] en [betrokkene 7] de e-mail ook zouden ontvangen en dat dus niet beoogde.
5.18.
Kortom, het is gelet op wat hiervoor is overwogen niet voldoende aannemelijk dat [eiser] met het versturen van deze twee e-mails het contactverbod van het vonnis van 6 mei 2025 heeft overtreden.
De e-mail van 6 september 2025
5.19.
Dat geldt niet voor de e-mail van 6 september 2025 aan onder meer de advocaten [betrokkene 9] en [betrokkene 10]. Die e-mail is in kopie gestuurd aan (het kantoor van) [gedaagde 3] . [eiser] heeft niet betwist dat hij [gedaagde 3] in het cc-veld heeft opgenomen. [gedaagde 3] was niet ook een van de ontvangers van de daaraan voorafgaande e-mail van [betrokkene 9] aan [eiser] .
5.20.
Gezien de inhoud van die e-mail – kennelijk een inhoudelijke reactie op een door [gedaagde 3] opgesteld (proces)stuk (‘Schriftsatz’) – is voldoende aannemelijk dat [eiser] door [gedaagde 3] in het cc-veld op te nemen beoogde dat ook [gedaagde 3] de e-mail zou lezen en kennis zou nemen van de visie van [eiser] op onder meer het door [gedaagde 3] opgesteld stuk en daarin kennelijk aan [eiser] gemaakte verwijten over bedreiging (‘Bedrohungslage’). Dat de e-mail zich in beginsel richt tot advocaten [betrokkene 9] en [betrokkene 10] en niet tot [gedaagde 3] maakt niet uit. [gedaagde 3] is in kopie meegenomen en ook dat is op grond van het contactverbod niet toegestaan. Niet in geschil is dat [gedaagde 3] de e-mail ook heeft ontvangen. Voldoende aannemelijk is dus dat [eiser] met het versturen van deze e-mail het contactverbod heeft overtreden.
De e-mail van 18 juli 2025
5.21.
Dan de e-mail van 18 juli 2025 van [eiser] aan [betrokkene 5] met [betrokkene 6] in het aan-vak. Het contactverbod ziet niet op het opnemen van contact met [betrokkene 6] . In beginsel staat het [eiser] dus vrij haar een e-mail te sturen. [eiser] heeft ook geen spreekverbod gekregen om met derden over [gedaagde 2] te spreken. Maar, naar ook [eiser] erkent, kan afhankelijk van de omstandigheden van het geval toch sprake kan zijn van indirect contact opnemen met [gedaagde 2] als [eiser] een ander dan [gedaagde 2] een e-mail stuurt. Dan zal [gedaagden] volgens [eiser] concreet moeten maken dat die e-mail objectief bezien erop gericht was [gedaagde 2] te bereiken of te bewegen en dit ook daadwerkelijk tot contact met [gedaagde 2] leidde. [gedaagden] hebben dat niet gedaan, aldus [eiser] .
5.22.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is echter voldoende aannemelijk dat het (mede) de bedoeling van [eiser] moet zijn geweest dat [betrokkene 6] de e-mail aan [gedaagde 2] zou laten zien en/of de inhoud daarvan met hem zou bespreken en in zoverre
beoogde(ook) een boodschap aan [gedaagde 2] over te brengen. Daartoe wordt als volgt overwogen.
5.23.
De e-mail is in het bezit gekomen van [gedaagde 2] , anders zou hij niet in deze procedure zijn ingebracht. [betrokkene 6] is niet zo maar een derde, zij is de echtgenote van [gedaagde 2] . Aangenomen moet worden dat zij in die hoedanigheid veel contact met elkaar hebben, zeker over het geschil tussen [gedaagde 2] en [eiser] . Feiten of omstandigheden die op het tegendeel wijzen zijn door [eiser] niet aangevoerd. [gedaagden] hebben voorts onweersproken gesteld dat [eiser] en [gedaagde 2] louter zakelijk met elkaar contact hadden. Daartegenover heeft [eiser] niets aangevoerd over het bestaan van een relatie tussen hem en [betrokkene 6] , buiten dat zakelijk contact om, anders dan dat zij de echtgenote is van iemand met wie hij zaken heeft gedaan en met wie hij nu een groot conflict heeft.
De boodschap van de e-mail van 18 juli 2025 is wat betreft [gedaagde 2] , kort gezegd en vrij vertaald, dat [gedaagde 2] crimineel en onrechtmatig tegenover [eiser] en zijn gezin heeft gehandeld en dat [eiser] alle wettige middelen die hem ten dienste staan zal aangrijpen om ervoor te zorgen dat [gedaagde 2] voor de rest van zijn leven bezig zal zijn met het afbetalen van een zeer omvangrijke schadeclaim (negen miljoen euro) waarbij zijn hoge leeftijd en (door [eiser] gestelde) ziekte geen omstandigheden zijn die [eiser] tot enige clementie nopen. [gedaagde 2] zal in financiële en spreekwoordelijke zin tot het bittere einde moeten ‘bloeden’ voor wat hij [eiser] en diens gezin heeft aangedaan. Dat is een zeer ernstige, intimiderende boodschap.
5.24.
Mr. [betrokkene 11] heeft over het motief voor [eiser] om de e-mail ook aan [betrokkene 6] te sturen toegelicht dat die gelet op de tekst daarvan kennelijk is gestuurd om [betrokkene 6] te waarschuwen voor, naar de voorzieningenrechter begrijpt, groot naderend onheil. De e-mail kan echter bezwaarlijk worden gezien als louter een ‘oprechte poging’ daartoe, maar des te meer als middel om [betrokkene 6] en naast haar ook [gedaagde 2] duidelijk te maken wat zij van [eiser] in de toekomst kunnen verwachten. Aldus bezien neemt de intimiderende werking van het bericht zelfs toe door de echtgenote in de berichtgeving te betrekken, nu te verwachten is dat de bij haar opgeroepen vrees ook werking op [gedaagde 2] zal hebben.
5.25.
Het is tegen de achtergrond van het zeer hoog oplopende (juridische) conflict tussen onder meer [eiser] en [gedaagde 2] en het [eiser] opgelegde contactverbod aannemelijk dat [betrokkene 6] als echtgenote van [gedaagde 2] de e-mail met [gedaagde 2] zou bespreken en dat [gedaagde 2] dus kennis zou krijgen van de woorden van [eiser] . [eiser] moet dat hebben geweten. In dit verband acht de voorzieningenrechter relevant dat in de selectie van berichten van [eiser] opgenomen in het vonnis van 6 mei 2025 zeven e-mails uit april en mei 2025 van [eiser] zijn opgenomen waarin [betrokkene 6] naast [gedaagde 2] ook al als geadresseerde is opgenomen of in kopie. In twee daarvan wordt [betrokkene 6] in de teksten van de-mails zelf met naam genoemd.
5.26.
Kortom, voldoende aannemelijk is dat met het versturen van de e-mail van 18 juli 2025 aan [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , [eiser] indirect contact met [gedaagde 2] heeft opgenomen en het hem opgelegde contactverbod heeft overtreden.
Twee overtredingen zijn voldoende aannemelijk gemaakt, twee niet
5.27.
Tussenconclusie is dat [gedaagden] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat [eiser] met twee van de vier hiervoor besproken berichten het hem opgelegde contactverbod heeft overtreden en daarmee € 150.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd. Wat betreft de andere twee berichten geldt dat niet. In zoverre zal de voorzieningenrechter de door [eiser] gevorderde schorsing van de executie toewijzen.
5.28.
Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagden] in verband met de executie al beslagen hebben gelegd en/of bedragen hebben geïnd. De daarop gerichte vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.
Geen andere grond om executie van twee verbeurde dwangsommen te schorsen
5.29.
De voorzieningenrechter ziet gelet op wat partijen daarover hebben aangevoerd geen grond om te oordelen dat [gedaagden] waar het de twee overtredingen betreft misbruik maken van hun executiebevoegdheid. Het is niet aan de executierechter om een nieuw oordeel te geven over de passendheid van de dwangsom, zeker niet waar de rechter die hoogte heeft gemotiveerd en niet gesteld is dat daarbij van onjuiste aannames is uitgegaan. [gedaagden] hebben ook voldoende belang bij handhaving van het contactverbod. De algemene en verder niet onderbouwde stellingen over het restitutierisico en de kennelijke onmogelijkheid om voldoende financiële middelen vrij te maken nopen niet tot een ander oordeel.
Proceskosten
5.30.
Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld zal de voorzieningenrechter bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
Voorvragen
5.31.
Ook de zaak in reconventie heeft een internationaal karakter omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in Duitsland wonen. Ook in deze zaak is de onder 5.2 genoemde verordening van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 4 van Pro die verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. [eiser] woont in Nederland en is mede door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor de Nederlandse rechter opgeroepen. De Nederlandse rechter is dus ook bevoegd voor zover het de vordering van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betreft.
5.32.
Over het toepasselijke recht overweegt de voorzieningenrechter als volgt. [gedaagden] vorderen een verlenging voor de duur van twaalf maanden van het contact- en straatverbod zoals dat aan [eiser] is opgelegd bij het vonnis van 6 mei 2025. De strekking daarvan is in de toekomst herhaling van onrechtmatig handelen van [eiser] en daaruit voortvloeiende schade voor [gedaagden] te voorkomen. Voor zover het de rechtsverhouding tussen [gedaagde 1] en [eiser] betreft is Nederlands recht van toepassing. In het geval van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ligt dat anders. Zij wonen in Duitsland.
5.33.
De grondslag van hun vordering is een niet-contractuele verbintenis in een burgerlijke of handelszaak zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 en Pro artikel 2 van Pro Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II). Tot die niet-contractuele verbintenissen behoort onder meer de onrechtmatige daad. Op grond van artikel 2 lid 3 wordt Pro onder schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad ook schade verstaan die
dreigtte ontstaan.
5.34.
Artikel 4 van Pro de Rome II-verordening bepaalt over het toepasselijke recht dat uitgangspunt is dat het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Uit artikel 4 lid 3 volgt Pro echter dat als uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het land waar de schade zich voordoet, het recht van dat andere land van toepassing is. Een kennelijk nauwere band met een ander land zou met name kunnen berusten op een reeds eerder bestaande, nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst.
5.35.
Gelet op wat [gedaagden] hebben gesteld en de in het geding gebrachte stukken gaat het bij de door [gedaagden] aan [eiser] verweten onrechtmatige gedragingen die volgens hen verlenging van het contactverbod rechtvaardigen steeds om de inhoud van aan (advocaten van) [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gestuurde e-mails. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wonen in Duitsland. Daarom moet aangenomen worden dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] die e-mails in Duitsland ontvangen en lezen en dat de schade als gevolg van het kennisnemen van de inhoud van die e-mails zich dus daar voordoet. De voorzieningenrechter ziet echter reden om vanwege een nauwere band aan te knopen bij het Nederlandse recht. Daarvoor is redengevend dat die bestaat in het gezamenlijk slachtofferschap van de betrokken, overwegend Nederlandse, advocaten als gevolg van de tegen allen gerichte stroom van onrechtmatige uitlatingen van een in Nederland woonachtige laedens wegens de gezamenlijkheid van hun optreden in de vooral in Nederland in 2025 ontplooide verhaalsacties.
5.36.
[gedaagden] vorderen een verlenging van het contact- en straatverbod zoals aan [eiser] opgelegd bij het vonnis van 6 mei 2025 voor de duur van twaalf maanden. Een contact- en gebiedsverbod verbod vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om vrijelijk met een ander te communiceren en zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het kunnen opleggen van zo’n verbod moet daarom sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een dergelijke inbreuk kunnen rechtvaardigen. Daarbij dient een reële dreiging te bestaan van actueel en toekomstig onrechtmatig handelen.
5.37.
De hiervoor besproken twee berichten aan Duitse geadresseerden die als overtredingen van het contactverbod zijn aangemerkt illustreren al dat het nog steeds niet veilig is. Daarbij komt dat het geschil met [gedaagde 2] nog niet is geëindigd en de executie van de woning van [eiser] in [plaats 1] nog niet definitief is afgewend. Gelet op wat partijen daarover op zitting hebben gezegd lijkt het bereiken van een minnelijke regeling niet heel realistisch. Die executie en dan vooral de door [eiser] in meerdere e-mails aan [gedaagden] genoemde gevolgen voor zijn gezin zijn dé reden geweest waarom hij in april en mei 2025 in het contact met [gedaagden] over de schreef is gegaan. [eiser] heeft een gedragsaanwijzing van justitie gekregen, die hij volgens justitie vervolgens heeft overtreden waarna [eiser] in voorlopige hechtenis is genomen en waaruit hij onder voorwaarden weer is vrijgelaten. Het was de angst die voorwaarden, waaronder een contactverbod, te overtreden waarom [eiser] , aldus mr. Guldemond, niet op de mondelinge behandeling van onderhavig kort geding is verschenen. [eiser] heeft zich in deze periode, zoveel is wel duidelijk, allerminst in de hand gehad in het conflict met [gedaagde 2].
5.38.
Met [gedaagden] is de voorzieningenrechter van oordeel dat er zich de komende tijd meerdere momenten kunnen voordoen die ertoe kunnen leiden dat [eiser] zich weer jegens [gedaagden] zal uitlaten op een wijze die bedreigend, intimiderend, lasterlijk of schofferend is.
In de eerste plaats vindt in mei 2026 de behandeling plaats van de strafzaak tegen [eiser] waarin hem onder meer bedreiging van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ten laste is gelegd. Verder blijkt uit de e-mails van [eiser] die in dit geding centraal staan, maar ook uit de in het vonnis van 6 mei 2026 geciteerde e-mails, dat [eiser] van zins is in ieder geval [betrokkene 11] civielrechtelijke weg hoge schadevergoedingen van [gedaagden] te gaan eisen. Er loopt ook nog een tuchtrechtelijke procedure. [eiser] en [gedaagden] bevinden zich in ieder geval in een juridische conflictsituatie en er zijn de nodige voortekenen dat die situatie nog geruime tijd zal voortduren. Ook is voldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] in de toekomst nog betrokken kan en zal blijven bij eventuele executiemaatregelen en geschillen waar het gaat om het geschil tussen [eiser] en [gedaagde 2]. [betrokkene 3] heeft tijdens de mondelinge toegelicht dat [gedaagde 1] vanwege betrokkenheid van de deken niet zo maar de dienstverlening aan [gedaagde 2] kan staken. Door zowel [betrokkene 3] als mr. Guldemond is toegelicht dat de ruimte voor een minnelijke schikking gelet op de opstelling van zowel [eiser] als [gedaagde 2] in hun conflict niet groot is te noemen en beide heren er tamelijk geharnast inzitten. Daar komt bij dat [eiser] zichzelf wat betreft de uitdrukkingswijzen waarvan hij zich bedient nog steeds niet goed in de hand lijkt te hebben.
5.39.
[eiser] voert aan dat een (verlenging van het) contactverbod hem beperkt in zijn mogelijkheden zijn rechtspositie te verdedigen in de lopende civiele, tuchtrechtelijke en strafrechtelijke procedures. Dat heeft hij echter niet verder toegelicht.
Uit het vonnis van 6 mei 2025 volgt dat [eiser] is toegestaan dat een advocaat zich namens hem tot [gedaagden] richt mits op een zakelijke wijze. [eiser] kan zich in zoverre dus wel verdedigen. Daarom gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij als grond om het contactverbod geheel af te wijzen. Dat geldt ook voor het argument dat [eiser] in financieel opzicht voldoende verhaal kan bieden voor eventuele vorderingen van [gedaagde 2]. Daar gaat het niet om. [gedaagden] beogen dat zij in de toekomst gevrijwaard blijven van grensoverschrijdende, onrechtmatige bejegening door [eiser] .
5.40.
[eiser] heeft geen concrete bezwaren geuit tegen het straatverbod, anders dan dat dit hem in zijn bewegingsvrijheid beperkt. Hij heeft geen andere argumenten genoemd, bijvoorbeeld dat hij vaak om andere redenen in de buurt moet zijn van het kantoor van [gedaagde 1] .
5.41.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zal de voorzieningenrechter de vordering van [gedaagden] toewijzen met toevoeging van het volgende over de reikwijdte van het contactverbod waar het gaat om het optreden van [eiser] in lopende en eventueel toekomstige juridische procedures in de breedste zin des woords. Het contactverbod mag er namelijk niet aan in de weg staat dat [eiser] in die procedures als procespartij of getuige kan optreden:
  • Voor zover [eiser] niet wettelijk verplicht is zich in enige straf-, civiel-, tucht-, of bestuursrechtelijke zaak, al dan niet in Nederland, door een advocaat te laten bijstaan en hij ervoor kiest in persoon te procederen tegen [gedaagde 1] en/of haar medewerkers, [gedaagde 2], [gedaagde 2] of [gedaagde 3] , geldt dat processtukken zijdens [eiser] in die procedures nadrukkelijk niet onder het contactverbod vallen.
  • Het is [eiser] verder nadrukkelijk toegestaan als procespartij of getuige deel te nemen aan zittingen in procedures tussen enerzijds [eiser] en/of DZI en/of andere aan [eiser] gelieerde vennootschappen en anderzijds [gedaagde 2], [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 1] en bij haar werkzame advocaten of andere partijen die door advocaten van [gedaagde 1] worden bijgestaan.
Voor zover [eiser] zich tijdens een zitting in zo’n procedure (in)direct tot [gedaagden] of bij [gedaagde 1] werkzame advocaten richt is geen sprake van een door het verbod bestreken contact. Het is aan het betrokken college om te beoordelen of de wijze waarop [eiser] zich dan uitlaat in het kader van die procedure toelaatbaar is. Tot verbeurte van een dwangsom op grond van dit vonnis zal het niet kunnen leiden.
Tot slot ziet de voorzieningenrechter aanleiding het dwangsomregime vorm te geven op de wijze zoals in het dictum vermeld.
Proceskosten
5.42.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris advocaat € 1.117,00
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.306,00
5.43.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
schorst de executie voor zover die een bedrag van € 150.000,00 te boven gaat en verbiedt [gedaagden] het meerdere te executeren en daarop maatregelen te nemen,
6.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
verklaart de beslissingen onder 6.1 uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.5.
verbiedt [eiser] om tot 6 mei 2027, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [gedaagde 1] , op enige wijze direct of indirect, in persoon, per e-mail, per brief, telefonisch, per sms, per WhatsApp, per Social Media of op welke andere wijze dan ook, contact op te nemen met:
 [gedaagde 1] , haar werknemers en haar bestuurders,
 [gedaagde 2] ,
 [gedaagde 3] ,
6.6.
veroordeelt [eiser] om aan de desbetreffende eiser in reconventie een dwangsom te betalen van € 25.000,00, oplopend met € 25.000,00 bij iedere volgende overtreding die plaatsvindt nadat verbeurte van een dwangsom wegens de laatste overtreding daarvóór bij exploit is aangezegd, tot een maximum van € 100.000,00, voor iedere keer dat [eiser] niet aan de onder 6.5 uitgesproken veroordeling voldoet, dit alles tot een maximum van € 500.000,00 voor [gedaagden] gezamenlijk,
6.7.
verbiedt [eiser] om zich gedurende de onder 6.5 genoemde periode te bevinden en te begeven binnen een straal van 200 meter van het kantoor van [gedaagde 1] gevestigd te [plaats 5] aan het [adres] , op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding met een maximum van € 100.000,00,
6.8.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.306,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.10.
verklaart de beslissingen onder 6.5, 6.6, 6.7, 6.8 en 6.9 uitvoerbaar bij voorraad,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.