ECLI:NL:RBNHO:2026:3109

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
HAA 26/947
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 8.0a BklArt. 22.26 omgevingsplanArt. 22.29 omgevingsplanArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verlening omgevingsvergunning nieuwbouw recreatiewoning na calamiteit ongegrond verklaard

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Drechterland verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuwe recreatiewoning op een perceel waar de oude woning was afgebrand.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de nieuwbouw qua maatvoering binnen het bestemmingsplan past en dat de calamiteitenregeling niet van toepassing is omdat er geen sprake is van een vergroting van een bestaand afwijkend bouwwerk. Ook is het college in redelijkheid bevoegd geweest om af te wijken van het bestemmingsplan voor zover de nieuwbouw buiten het bouwvlak valt.

Verder is vastgesteld dat aan de formele participatievereisten is voldaan en dat de belangen van eisers, zoals privacy en brandveiligheid, voldoende zijn meegewogen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de bouwactiviteiten mogen doorgaan.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 26/947 (voorlopige voorziening) en 26/914 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit Venhuizen, verzoekers en eisers (hierna: eisers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland

(gemachtigden: mr. B.C. Slijkerman en R. Mol MSc).
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
[vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2], uit Amsterdam (vergunninghouders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghouders verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een nieuwe recreatiewoning na een calamiteit. Eisers zijn het niet eens met de verlening van die omgevingsvergunning. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Eiseres voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de verlening van de omgevingsvergunning.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid kon verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Vergunninghouders hebben op 1 april 2025 een omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen van een nieuwe recreatiewoning op het perceel [perceel 1] in Venhuizen.
2.1.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend met het besluit van 25 juli 2025. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.4.
Het college heeft op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouders hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van het college en vergunninghoudster [vergunninghouder 1] met haar dochter [dochter] en neef [neef] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op het perceel [perceel 1] in Venhuizen stond de recreatiewoning van vergunninghouders die in november 2023 is afgebrand. Eisers wonen op het naastgelegen perceel [perceel 2] .
3.1.
Op 1 april 2025 hebben vergunninghouders een omgevingsvergunning gevraagd om een nieuwe recreatiewoning te bouwen. De omgevingsvergunning ziet op een bouwactiviteit zoals vereist door het omgevingsplan [1] en op afwijken van regels in het omgevingsplan [2] .
3.2.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Op 2 juli 2025 is het bouwplan na aanpassingen goedgekeurd door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en daarmee voldoet het aan de redelijke eisen van welstand. Ook is aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Tot slot is er getoetst aan het omgevingsplan van de gemeente Drechterland. Er wordt niet voldaan aan de vereisten van artikel 24.2.1, aanhef en onder a en b, van het daarvan deel uitmakende bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid’, omdat de recreatiewoning niet ten behoeve van een verblijfsrecreatief bedrijf wordt gerealiseerd en de recreatiewoning gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd. Het college stelt dat desondanks sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zodat de omgevingsvergunning kan worden verleend.
3.3.
Met het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Het heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van de bezwaarschriftencommissie van 6 januari 2026.
Spoedeisend belang
4. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een volledige stop van alle bouwactiviteiten, waaronder graaf-, boor-, en heiwerkzaamheden. Omdat de werkzaamheden al zijn aangevangen, acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aanwezig.
Toetsingskader
5. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak beslist hij ook op het beroep. [3] De voorzieningenrechter zal aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordelen of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
5.1.
Omdat eisers ter zitting hun beroepsgrond over de redelijke eisen van welstand hebben ingetrokken, zal de voorzieningenrechter die beroepsgrond niet beoordelen.
5.2.
Regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Had het college toepassing moeten geven aan de calamiteitenregeling?
6. Eisers voeren aan dat de nieuwe recreatiewoning als gevolg van een calamiteit wordt gebouwd en dat daarom de overgangsrechtelijke bepaling ten aanzien van calamiteiten van toepassing is. Op grond daarvan mocht het college slechts een vergroting van de recreatiewoning van maximaal 10% toestaan. De nieuwe recreatiewoning wordt echter 63% groter dan de oude recreatiewoning.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning niet is vergund op grond van de zogenaamde calamiteitenregeling. Omdat het omgevingsplan op deze locatie de bouw van recreatiewoningen van 60 m2 met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 meter en 6 meter toestaat, past de nieuwe recreatiewoning qua maatvoering binnen het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan.
6.2.
De voorzieningenrechter zal eerst het systeem van de Omgevingswet (Ow) nader toelichten. In de Ow is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit uit te voeren. Een omgevingsplanactiviteit is een activiteit waarvoor in het omgevingsplan een omgevingsvergunning verplicht is gesteld of een activiteit waarmee in strijd met het omgevingsplan wordt gehandeld. Een bouwactiviteit is bijvoorbeeld in dit geval een omgevingsplanactiviteit omdat het omgevingsplan daarvoor een omgevingsvergunning vereist. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. [4] Als een bouwplan niet in strijd is met de voorwaarden die daaraan in het omgevingsplan zijn gesteld, dan mag het college een omgevingsvergunning dus niet weigeren. Een buitenplanse omgevingsactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan. Daarvoor kan alleen een omgevingsvergunning worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. [5] Daarbij dient het college alle betrokken belangen tegen elkaar af te wegen.
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat altijd moet worden gekeken in hoeverre een omgevingsplanactiviteit past binnen het omgevingsplan. Met de inwerkingtreding van de Ow op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse van het perceel [perceel 1] geldt het bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid’. Dit bestemmingsplan maakt dan ook deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Drechterland.
6.4.
In dit bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming ‘Recreatie-Verblijfsrecreatie’ toegekend. Voor gebouwen is bepaald dat die in het bouwvlak moeten worden gebouwd. [6] De maximale goothoogte en bouwhoogte van een recreatiewoning zijn respectievelijk op 3 meter en 6 meter bepaald en de oppervlakte mag niet meer dan 60 m2 bedragen. [7] De voorzieningenrechter stelt vast dat de goot- en bouwhoogte, alsmede het oppervlak van de nieuwe recreatiewoning aan de bouwregels van deze bestemming voldoen.
6.5.
In het bestemmingsplan zijn ook overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen, waaronder artikel 54.1, waarin het overgangsrecht voor bouwwerken is geregeld. Het overgangsrecht is bedoeld voor bouwwerken die al bestonden ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan, maar niet passen in de regels daarvan. Als gevolg van het overgangsrecht hoeven die bouwwerken niet te worden afgebroken. Bestaande bouwwerken die afwijken van het nieuwe bestemmingsplan mogen op grond van deze regeling na een calamiteit herbouwd worden, mits
de afwijkingniet wordt vergroot, met dien verstande dat wel een vergroting van de inhoud van het bouwwerk met maximaal 10% vergund kan worden.
6.6.
Uit het hierboven schuingedrukte gedeelte volgt dat bestaande afwijkingen niet mogen worden vergroot. Eisers voeren aan dat het volume van de nieuwe recreatiewoning het maximum van 10% van de calamiteitenregeling overstijgt, maar de voorzieningenrechter heeft onder 6.4 vastgesteld dat de maatvoering – en dus ook het volume – voldoet aan de bouwregels van de geldende bestemming. Er is in dat opzicht dus geen sprake van een bouwwerk dat afwijkt van het bestemmingsplan en dus is de calamiteitenregeling niet van toepassing op het volume en de maatvoering van het bouwplan. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. Voor zover eisers ter zitting nog hebben gesteld dat artikel 24 van Pro het bestemmingsplan geheel buiten beschouwing moet blijven, omdat het bouwplan op twee punten in strijd is met dit artikel, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Dat een bouwplan niet voldoet aan één of twee regels van een bestemming, betekent niet dat de andere regels die voor die bestemming gelden niet meer relevant zijn. De planwetgever heeft voor dit perceel uitdrukkelijk een bouwwerk met deze hoogte en oppervlakte toegestaan. Als er geen strijd was geweest met twee andere onderdelen van het artikel (bouwen buiten het bouwvlak en het ontbreken van een bedrijfsmatig karakter) dan had het college een omgevingsvergunning voor een recreatiewoning met de onderhavige afmetingen niet mogen weigeren. Dit betekent dat het college bij de beoordeling om wel of niet af te wijken voor de twee strijdigheden de maximaal toegestane maatvoering als een vaststaand gegeven moet aannemen. Het college moet slechts beoordelen of de afwijkingen aanvaardbaar zijn. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Kon het college in redelijkheid van het omgevingsplan afwijken?
8. Tegen het feit dat de recreatiewoning niet ten behoeve van een verblijfsrecreatief bedrijf wordt gebouwd, hebben eisers geen gronden tegen ingebracht. Wel hebben zij gronden aangevoerd die verband houden met het bouwen buiten het bouwvlak. Zo betwisten zij dat met het bouwen buiten het bouwvlak de brandveiligheid wordt verbeterd. Ze stellen dat hun woning in het kader van de brandveiligheid meer risico loopt doordat de nieuwe recreatiewoning hoger wordt. Daarnaast stellen eisers dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de inbreuk op hun privacy als gevolg van een groot raam aan de westzijde van het bouwplan, dat zicht geeft op een terras en op het erf tussen de schuur en de woning van eisers, waar veel loop- en rijbewegingen plaatsvinden.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het bouwen buiten het bouwvlak bedraagt 0,5 meter en behelst een verschuiving van de nieuwe recreatiewoning verder van het perceel van eisers af. Vanzelfsprekend is dat een grotere afstand tussen de bebouwing op de percelen de brandveiligheid ten goede komt. Nu de hoogte van de nieuwe recreatiewoning past binnen de regels van de geldende bestemming, kon het college dat aspect daarbij niet meenemen in de beoordeling om al dan niet van zijn afwijkingsbevoegdheid gebruik te maken. Wat betreft de privacy is eveneens van belang dat de recreatiewoning 0,5 meter verder van het perceel van eisers af komt te liggen. Bovendien wordt voldaan aan de afstandsregels omtrent privacy zoals die in het Burgerlijk Wetboek zijn vastgelegd. [8] De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om de afweging van het college op het punt van privacy onredelijk te achten.
Heeft er voldoende participatie plaatsgevonden?
9. Eisers voeren aan dat voorafgaand aan de vergunningverlening geen tot onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden door vergunninghouder. Eisers waren dan ook compleet verrast door de vormgeving van de nieuwbouwplannen.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Aan de formele vereisten voor participatie is voldaan, nu in de aanvraag om een omgevingsvergunning is vermeld dat er participatie heeft plaatsgevonden. [9] Verder geldt dat een bouwplan als het onderhavige in het besluit van 18 december 2023 van de raad van de gemeente Drechterland [10] niet is aangewezen als een bouwplan waarvoor participatie verplicht is. Overigens blijkt wel uit een mailwisseling tussen eisers en vergunninghouders die zich in het dossier bevindt, dat vergunninghouders ruim voor indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning eisers ervan op de hoogte hebben gesteld dat zij streven naar een bouwoppervlak van de nieuwe recreatiewoning van 7 x 7 meter en dat de hoogte 6,5 meter zal worden. Ook is aangegeven dat rekening gehouden zal worden met de wensen van eisers, waaronder geen ramen richting de woning van eisers. Nog voordat het primaire besluit is genomen, hebben eisers hun visie op deze bouwplannen kenbaar gemaakt aan vergunninghouders en aan het college. Daarbij hebben zij reeds bezwaren geuit tegen de afmetingen, welke uiteindelijk zouden neerkomen op een oppervlakte van 7,18 x 7,2 meter en een hoogte van 6 meter. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de omgevingsvergunning volledig buiten medeweten van eisers is aangevraagd.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op de vorenstaande overwegingen is het beroep ongegrond. Dat betekent dat de bestreden omgevingsvergunning in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De bouwwerkzaamheden mogen daarom door blijven gaan. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regelgeving

Bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid’
Artikel 24 Recreatie Pro - Verblijfsrecreatie
(…)
24.2
Bouwregels
Deze bouwregels zijn eveneens van toepassing voor functies die na afwijken van de gebruiksregels aan de verblijfsrecreatieve functie zijn toegevoegd.
24.2.1
Gebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde verblijfsrecreatieve bedrijf worden gebouwd;
gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend een bouwvlak worden gebouwd;
het aantal recreatie woningen mag per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan het aantal aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal recreatiewoningen";
het aantal gebouwen voor onderhoud en centrale voorzieningen mag niet meer bedragen dan 1 per bestemmingsvlak;
het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 1 per bestemmingsvlak;
een gebouw of een overkapping mag uitsluitend worden gebouwd indien de maatvoering voldoet aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld:
Functie van een gebouw
Maximale oppervlakte in m²
Goothoogte in m
Dakhelling in o
Bouwhoogte in m
gezamenlijk
maximaal
min
max
maximaal
bedrijfsgebouw of overkapping
100
3,00
-
-
6,00
bedrijfswoning
-
3,00*
-
-
6,00*
bijgebouwen bij de bedrijfswoning
150
3,00
-
-
6,00
recreatiewoningen
60
3,00
-
-
6,00
bijgebouwen en bergingen bij recreatiewoningen
(…)
10 (per recreatiewoning)
3,00
-
-
6,00
Artikel 54.1 Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
c. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Voetnoten

1.Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow), gelezen in verbinding met artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikelen 22.26 en 22.29 van het omgevingsplan.
2.Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, gelezen in verbinding met artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl.
3.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
4.Zie artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl.
5.Zie artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl.
6.Artikel 24.2.1, aanhef en onder b.
7.Zo volgt uit artikel 24.2.1, aanhef en onder f.
8.Zie artikel 50, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.
9.Zie artikel 7.4 van de Omgevingsregeling.
10.Gemeenteblad 2023, 552613.