ECLI:NL:RBNHO:2026:3065

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
K/4101/11777529
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur onderaannemer ondanks betwisting gebrekkige uitvoering

Tussen partijen is een aannemingsovereenkomst gesloten waarbij de onderaannemer werkzaamheden aan een zolder heeft uitgevoerd tegen een prijs van €2.500 exclusief btw. De onderaannemer stuurde een factuur die door de hoofdaannemer onbetaald bleef ondanks meerdere aanmaningen.

De hoofdaannemer voerde verweer dat het werk gebrekkig was uitgevoerd, wat extra kosten en reputatieschade zou hebben veroorzaakt. Zij stelde echter geen rechtsmiddelen zoals opschorting, ontbinding of verrekening in en stuurde geen ingebrekestelling met hersteltermijn.

De onderaannemer leverde bewijs in de vorm van een video en een WhatsApp-bericht, en stelde dat het werk eerder door een ander bedrijf was mislukt. De hoofdaannemer verscheen niet op de zitting, waardoor haar verweer onbeantwoord bleef.

De rechtbank oordeelde dat de betalingsverplichting niet vervalt door een ondeugdelijk geleverde prestatie zonder geldige rechtsmiddelen. De vordering tot betaling van de factuur, wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten werd toegewezen. De hoofdaannemer werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de hoofdaannemer tot betaling van de factuur, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11777529 \ CV EXPL 25-2426 (NE)
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.G. Lodewijk,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Een onderaannemer vordert betaling van een factuur van de hoofdaannemer. Het verweer van de hoofdaannemer komt erop neer dat zij de factuur niet is verschuldigd, omdat de onderaannemer de werkzaamheden niet naar behoren zou hebben uitgevoerd. De betalingsverplichting komt niet te vervallen alleen op grond van een gestelde ondeugdelijk geleverde prestatie. Daarvoor moet een rechtsmiddel worden ingeroepen, zoals opschorting, ontbinding of verrekening. De hoofdaannemer heeft geen van deze rechtsmiddelen ingeroepen. Bovendien is de onderaannemer niet in verzuim geraakt door het ontbreken van een ingebrekestelling met een redelijke termijn voor herstel. Het verweer van de hoofdaannemer slaagt daarom niet. Dit leidt tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom en nevenvorderingen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 juni 2025
- de conclusie van antwoord
- de usb-stick van [gedaagde]
- het tussenvonnis van 24 september 2025
- de mondelinge behandeling van 20 februari 2026, waar [gedaagde] hoewel behoorlijk opgeroepen niet is verschenen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen is een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen op grond waarvan [eiser] als onderaannemer in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden heeft uitgevoerd aan een zolder van een woning.
2.2.
Partijen zijn voor de werkzaamheden een prijs van € 2.500,00 exclusief btw overeengekomen.
2.3.
[eiser] heeft de werkzaamheden uitgevoerd en op 17 oktober 2024 een factuur van € 2.500,00 exclusief btw (met verlegging van de btw) naar [gedaagde] gestuurd met een uiterste termijn van betaling voor 24 oktober 2024.
2.4.
[gedaagde] heeft de factuur, ook na verschillende aanmaningen door [eiser] en later door de gemachtigde van [eiser] , onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.045,46, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit de hoofdsom van
€ 2.500,00, wettelijke handelsrente tot 4 juni 2025 van € 170,46 en buitengerechtelijke incassokosten van € 375,00.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] vordert nakoming van de op [gedaagde] rustende betalingsverplichting. Het verweer van [gedaagde] is dat het werk van [eiser] op gebrekkige en slordige wijze is uitgevoerd en zij daarom was genoodzaakt het werk zelf te doen en extra kosten heeft gemaakt. Ook voert [gedaagde] als verweer dat haar klant daardoor schade van € 10.000,00 heeft geleden en het handelen van [eiser] tot reputatieschade heeft geleid. Ter onderbouwing heeft [eiser] een usb-stick met daarop een video van het uitgevoerde werk en een schermafbeelding van een Whatsappbericht overgelegd.
4.2.
Tijdens de zitting heeft [eiser] als reactie op het verweer van [gedaagde] aangevoerd dat het werk eerder door een installatiebedrijf was uitgevoerd, dat dat werk niet goed was gedaan en vervolgens [eiser] is ingeschakeld. Het Whatsappbericht dat door [gedaagde] is overgelegd en waarin staat dat ook de tweede herkansing is mislukt, is volgens [eiser] een bericht van de klant van [gedaagde] aan [gedaagde] . Met de tweede herkansing wordt het door [eiser] uitgevoerde werk bedoeld. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat zij in de veronderstelling was dat [gedaagde] tevreden was over het werk en [gedaagde] pas nadat [eiser] juridische stappen had gezet, heeft gesteld dat het werk niet goed was uitgevoerd; een gelegenheid tot herstel is [eiser] niet gegeven. Omdat [gedaagde] niet op de zitting is verschenen, heeft zij haar verweer niet nader onderbouwd en is de reactie van [eiser] op het verweer van [gedaagde] onweersproken gebleven.
4.3.
Het verweer van [gedaagde] komt erop neer dat zij de factuur niet is verschuldigd, omdat [eiser] de werkzaamheden niet naar behoren zou hebben uitgevoerd. De kantonrechter stelt voorop dat de betalingsverplichting van [gedaagde] niet (gedeeltelijk) komt te vervallen alleen op grond van een gestelde ondeugdelijk geleverde prestatie. Daarvoor is een geldige opschorting van haar betalingsverplichting, partiële (buitengerechtelijke) ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst of een geslaagd beroep op verrekening met bijvoorbeeld schadevergoeding nodig. [gedaagde] heeft geen van voornoemde rechtsmiddelen ingeroepen. Bovendien is [eiser] niet in verzuim geraakt. Niet is weersproken dat [gedaagde] ondanks de aanmaningsbrieven van [eiser] pas in een laat stadium heeft geklaagd over het uitgevoerde werk en geen ingebrekestelling heeft gestuurd naar [eiser] met een redelijke termijn voor herstelwerkzaamheden. Dit alles leidt er toe, dat een beroep van [gedaagde] op een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [eiser] niet kan slagen. De vordering van [eiser] tot betaling van de factuur van € 2.500,00 exclusief btw zal daarom worden toegewezen.
4.4.
Ook de gevorderde vervallen wettelijke handelsrente van € 170,46 en de gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 4 juni 2025 zal worden toegewezen.
4.5.
[eiser] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen [1] voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan en het bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 375,00 exclusief btw worden toegewezen.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] zonder gemachtigde op zitting is verschenen om verweer te voeren, wordt één salarispunt voor de dagvaarding toegekend en komen voor de zitting alleen reis-, verblijf- en verletkosten aan de kant van [eiser] voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden ambtshalve vastgesteld op een forfaitair bedrag van
€ 50,00. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
- verletkosten

253,00
50,00
(1 punt × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.065,85

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.500,00 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente [2] over het toegewezen bedrag, vanaf 24 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 375,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.065,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:96 BW Pro.
2.Artikel 6:119a BW.