ECLI:NL:RBNHO:2026:3011

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
15-194511-25 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewapende overval op elektronicabedrijf met geweld en bedreiging

Op 29 augustus 2024 vond een gewapende overval plaats op een elektronicabedrijf te Oude Meer waarbij drie daders, waaronder de verdachte, betrokken waren. De daders bedreigden en mishandelden vijf aanwezige personeelsleden, waarbij één slachtoffer in de arm werd geschoten. De verdachte werd geïdentificeerd als medepleger op basis van camerabeelden, DNA-sporen op een achtergelaten tas en andere bewijsmiddelen.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van poging tot doodslag en opzetheling wegens onvoldoende bewijs, maar verklaarde wettig en overtuigend bewezen dat hij medepleger was van poging tot diefstal met geweld en bedreiging. De overval werd gepleegd met bivakmutsen, vuurwapens en geweld tegen de slachtoffers.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 48 maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en het advies van de reclassering. Daarnaast werden beslagleggingen op voorwerpen van de verdachte bevestigd en werden schadevergoedingen toegekend aan twee benadeelden wegens immateriële en materiële schade. Een derde vordering werd afgewezen wegens gebrek aan rechtstreeks verband met het bewezen feit.

De verdachte werd veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd om betaling te bevorderen. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Holland op 18 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf voor medeplegen gewapende overval met toewijzing van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-194511-25 (P)
Uitspraakdatum: 18 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
thans gedetineerd in [detentie adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. K. Leyendeckers en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. V.H. Hammerstein, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1primair
hij op of omstreeks 29 augustus 2024 te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn/haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer 1] en/of in de arm van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 29 augustus 2024 te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer 1] en/of in de arm van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2primair
hij op of omstreeks 29 augustus 2024 te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn/haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om mobiele apparaten en/of geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] ., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 6] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- met een bivakmuts, althans gezichtsbedekkende kleding, en een tas met daarin tie-wraps de bedrijfsruimte waar voornoemde personen waren, heeft betreden, en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op (een van) voornoemde personen heeft gericht, en/of
- de in de bedrijfsruimte aanwezige personen gemaand hebben zich naar een andere ruimte te begeven en op de grond te gaan liggen, en/of
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of zijn vuist op het hoofd en/of het lichaam van (een van) voornoemde personen heeft geslagen, en/of
- aan de haren van die [slachtoffer 6] heeft getrokken, en/of
- (een van) voornoemde personen (naar de grond) heeft geduwd, en/of
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer 1] en/of in de arm van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, toen [slachtoffer 1] probeerde te vluchten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 29 augustus 2024 te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 6] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- met een bivakmuts, althans gezichtsbedekkende kleding en een tas met daarin tie-wraps de bedrijfsruimte waar voornoemde personen waren, heeft betreden, en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op (een van) voornoemde personen heeft gericht, en/of
- de in de bedrijfsruimte aanwezige personen gemaand hebben zich naar een andere ruimte te begeven en op de grond te gaan liggen, en/of
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of zijn vuist op het hoofd en/of het lichaam van (een van) voornoemde personen heeft geslagen, en/of
- aan de haren van die [slachtoffer 6] heeft getrokken, en/of
- (een van) voornoemde personen (naar de grond) heeft geduwd, en/of
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer 1] en/of in de arm van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, toen [slachtoffer 1] probeerde te vluchten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3hij op of omstreeks 29 augustus 2024 te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een auto (merk Renault, type Captur), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden
dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van medeplegen ten aanzien van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. Op het standpunt van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsmotivering
De rechtbank stelt vast dat op donderdag 29 augustus 2024 omstreeks 14.30 uur er in het bedrijfspand van [slachtoffer 2] gelegen aan [adres] te Oude Meer een gewapende overval heeft plaatsgevonden. In het pand waren op dat moment vijf personeelsleden aanwezig. Tijdens de overval drongen drie verdachten het pand binnen, twee van de verdachten hadden een vuurwapen. De personeelsleden werden met de vuurwapens bedreigd en mishandeld en één personeelslid werd in zijn arm geschoten. De verdachten zijn zonder buit vertrokken.
Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank op grond van de gebruikte bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte één van de drie overvallers is, en dus dat hij als medepleger betrokken is geweest bij de overval. De verdachte is in beeld gekomen na het tonen van de camerabeelden van de overval bij het programma Opsporing Verzocht. Hierop is via het Team Criminele Inlichtingen een melder naar voren gekomen die aangaf NN3 op de beelden te herkennen als ‘ [naam] ’. Uit het onderzoek naar de telefoon van de verdachte blijkt dat hij ‘ [naam] ’ wordt genoemd en zichzelf ook ‘ [naam] ’ noemt.
Een van de drie verdachten droeg tijdens de overval een tas van de Action. Deze tas is in het bedrijfspand achtergelaten. In deze tas zaten onder meer kabelbinders. Op de hengsels van de tas en op twee kabelbinders is DNA-materiaal aangetroffen dat een match opleverde met het DNA-profiel van de verdachte. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn celmateriaal op de kabelbinders en de Actiontas.
Gelet op deze feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – stelt de rechtbank vast dat de verdachte een van de drie daders is geweest die bij de overval betrokken was, te weten de dader die wordt aangeduid als NN3. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie daders. De daders komen gelijktijdig het bedrijfspand binnen waarbij de twee mededaders een vuurwapen bij zich hebben en de verdachte een tas met onder meer kabelbinders en ducttape. Zij dragen allen (gezichts)bedekkende kleding en zij hebben allen een aandeel in de gepleegde geweldshandelingen. De rechtbank merkt de verdachte daarom aan als medepleger van de overval.
De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit.
3.3.3
Vrijspraak feit 1 en 3Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder 1 en 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Feit 1
De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer door het schieten met een vuurwapen door een medeverdachte. Uit de omstandigheden blijkt niet dat hij er rekening mee moest houden dat een van de medeverdachten daadwerkelijk zou overgaan tot het schieten met het wapen. De omstandigheid dat de verdachte wist dat de medeverdachten wapens bij zich hadden en dat hij samen met hen het bedrijfspand is ingegaan, is daarvoor niet voldoende. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van wat aan hem onder feit 1 is ten laste gelegd.
Feit 3
Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de auto wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die auto door misdrijf was verkregen. Het dossier bevat geen informatie over de staat waarin de betreffende auto zich bevond en waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte op grond van die staat had moeten vermoeden dat de auto niet legaal verkregen was. Uit de omstandigheid dat de auto later brandend is aangetroffen kan de rechtbank dit vermoeden ook niet afleiden, reeds omdat niet is komen vast te staan door wie de auto in brand is gestoken. Dit geldt temeer omdat het dossier aanwijzingen bevat dat de auto door andere personen dan de verdachte en zijn mededaders is gestolen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van wat aan hem onder feit 3 is ten laste gelegd.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 29 augustus 2024 te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om mobiele apparaten en/of geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, door:
- met een bivakmuts, althans gezichtsbedekkende kleding, en een tas met daarin tie-wraps de bedrijfsruimte waar voornoemde personen waren, heeft betreden, en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op een van voornoemde personen heeft gericht, en
- de in de bedrijfsruimte aanwezige personen gemaand hebben zich naar een andere ruimte te begeven en op de grond te gaan liggen, en
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en zijn vuist op het hoofd van voornoemde personen heeft geslagen, en
- aan de haren van die [slachtoffer 6] heeft getrokken, en
- voornoemde personen naar de grond heeft geduwd, en
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, toen [slachtoffer 1] probeerde te vluchten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte terzake van een poging tot doodslag, een poging tot diefstal met geweld en een opzetheling zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
De verdachte heeft samen met anderen een gewapende overval gepleegd op een elektronicabedrijf. Op klaarlichte dag is de verdachte met zijn mededaders met gezichtsbedekkende kleding, voorzien van vuurwapens en een tas met daarin onder meer aan elkaar gebonden kabelbinders en ducttape de bedrijfsruimte binnengegaan. In die bedrijfsruimte lagen op dat moment dure elektronica. De slachtoffers zijn bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en geslagen. Zij werden gemaand op de grond te gaan liggen en werden naar de grond geduwd.
Een gewapende overval is een zeer ernstig feit en heeft voor de slachtoffers een grote impact. Dat het voor de slachtoffers een zeer angstige en bedreigende situatie is geweest, blijkt uit de toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding die door twee van hen zijn ingediend. Daar komt bij dat een gewapende overval ook gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaken in de samenleving. Dit geldt in dit geval ook specifiek voor de in de omgeving aanwezige personen die geconfronteerd werden met de bloedende slachtoffers. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 september 2025. Hieruit blijkt dat hij eerder voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het door de reclassering over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 19 februari 2026. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat de verdachte al in een andere zaak sinds oktober 2020 onder toezicht staat.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 48 maanden moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Beslag

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een stuk gereedschap (een zakje met tiewraps),
en twee stukken plakband (duct tape), verbeurd moeten worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, is begaan.
Dat is anders voor de in beslag genomen pet. De rechtbank beslist dat deze aan de verdachte moet worden teruggegeven.

8.Vorderingen benadeelde partijen

8.1.
Vordering [slachtoffer 6]
Inhoud van de vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.750,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de overwegingen ten aanzien van het bewijs en de straf volgt dat de verdachte met zijn medeverdachten op zeer intimiderende en bedreigende wijze heeft opgetreden bij de overval, waarbij gebruik is gemaakt van wapens. Uit de toelichting op de vordering blijkt bovendien de nadelige gevolgen voor de benadeelde, waaronder dat de benadeelde niet meer alleen naar buiten durfde, niet meer durfde te werken na het incident en last heeft van herbelevingen en slaapproblemen.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Hoofdelijk
De rechtbank overweegt dat de verdachte en zijn medeverdachten op grond van de wet ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. De verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Proceskosten
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De door haar tot op heden gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
8.2.
Vordering [slachtoffer 3]
Inhoud van de vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van (de rechtbank begrijpt) € 1.670,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit € 40,- materiële schade en € 1.630,- immateriële schade.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht om de gevorderde immateriële schade toe te wijzen en de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op een gebrek aan onderbouwing.
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht om de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de overwegingen ten aanzien van het bewijs en de straf volgt dat de verdachte met zijn medeverdachten op zeer intimiderende en bedreigende wijze heeft opgetreden bij de overval waarbij gebruik is gemaakt van wapens. Uit de toelichting op de vordering blijkt bovendien de nadelige gevolgen voor de benadeelde, waaronder dat de benadeelde last heeft van angstgevoelens, het verlies van vertrouwen in de mensen om hem heen en moeite heeft met concentratie. Hij heeft psychologische hulp gezocht en heeft 23 behandeling ondergaan.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Hoofdelijk
De rechtbank overweegt dat de verdachte en zijn medeverdachten op grond van de wet ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. De verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Proceskosten
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De door hem tot op heden gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
8.3.
Vordering [benadeelde]
Inhoud van de vordering
De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 13.306,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij zou hebben geleden. Het gaat om brandschade aan een vrachtauto die geparkeerd stond naast de in brand gestoken vluchtauto.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie en de raadsvrouw hebben verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Oordeel van de rechtbank
Alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. In dit geval is geen sprake van rechtstreekste schade. Het in brand steken van de vluchtauto is niet als feit ten laste gelegd en vormt dus ook geen onderdeel van de bewezenverklaring. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering desgewenst bij de civiele rechter aanbrengen.
Proceskosten
De rechtbank zal bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij [benadeelde] ieder de eigen proceskosten zal dragen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 33, 33a, 36f, 45, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
48 (achtenveertig) maanden;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd:
1. STK Gereedschap, voorwerpnummer: G1749122;
1. STK Plakband, voorwerpnummer: G1749110;
1. STK Plakband, voorwerpnummer: G1749123;
gelast de teruggave aan de verdachte van: 1 STK Pet, voorwerpnummer: G1749116;
vordering benadeelde partij [slachtoffer 6]
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 2.750,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 6] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
schadevergoedingsmaatregel
legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.750,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;
vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 1.670,-, bestaande uit € 40,- als vergoeding voor de materiële en € 1.630,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
schadevergoedingsmaatregel
legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.670,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;
vordering benadeelde partij [benadeelde]
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij [benadeelde] ieder de eigen proceskosten dragen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.J. Straathof, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. A.H. Tiemens,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2026.