ECLI:NL:RBNHO:2026:3009

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
15-366530-24 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling ontucht met minderjarig slachtoffer en toewijzing schadevergoeding

De rechtbank Noord-Holland heeft op 18 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan ontuchtige handelingen met een toen zevenjarig meisje. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte meerdere keren de slaapkamer van het slachtoffer betrad en haar zowel boven als onder haar onderbroek betastte. De verklaring van het slachtoffer werd als betrouwbaar beoordeeld en ondersteund door DNA-onderzoek dat het DNA van de verdachte op de onderbroek van het slachtoffer aantoonde.

De rechtbank verwierp de alternatieve lezing van de verdachte en concludeerde dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen was. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zag geen noodzaak voor een contact- of locatieverbod.

Daarnaast werd een schadevergoeding van €2.500 toegekend aan het slachtoffer wegens immateriële schade, met een BEM-clausule ter bescherming van de minderjarige. De verdachte werd tevens veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij en tot betaling van een schadevergoedingsmaatregel aan de Staat, met een gijzelingsbeding bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk, en toewijzing van €2.500 schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-366530-24 (P)
Uitspraakdatum: 18 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R.P. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. N.D. de Fluiter, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 23 juni 2024 te Purmerend, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2017, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het een en/of meermalen:
- drukken op en/of knijpen in en/of betasten van de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer] .

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Op het standpunt van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsmotivering
Inleiding
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken vaak slechts twee personen bij de verweten seksuele gedraging aanwezig zijn geweest, namelijk het vermeende slachtoffer en de vermeende dader/verdachte. Als de verdachte ontkent of zwijgt is er in dat geval slechts één persoon, het vermeende slachtoffer, die uit eigen waarneming een getuigenis aflegt over wat zich zou hebben voorgevallen. Het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegd feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige (artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering). De enkele verklaring van bijvoorbeeld het vermeende slachtoffer is dus onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De feiten en omstandigheden waarover hij of zij verklaart, mogen niet op zichzelf staan, maar moeten volgens vaste rechtspraak voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring steun moeten vinden in ander bewijs. Het is voldoende als de verklaring van een getuige op onderdelen wordt bevestigd door de inhoud van ander bewijsmateriaal, afkomstig uit een andere bron dan de verklaring van de getuige.
Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of een verklaring voldoende wordt ondersteund door ander bewijs, toetst de rechtbank eerst of de verklaring op zich zelf betrouwbaar is.
Betrouwbaarheid verklaring van het vermeende slachtoffer
In deze zaak heeft de vader aangifte gedaan namens zijn dochter [slachtoffer] , een meisje dat ten tijde van de verweten gedraging zeven jaar oud was. Er heeft een kindvriendelijk studioverhoor plaatsgevonden met [slachtoffer] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft [slachtoffer] , gedetailleerd en consistent verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft gepleegd. Zij heeft – samengevat – verklaard dat de verdachte in de nacht drie keer de slaapkamer is binnengekomen waar zij samen met haar broer sliep. De verdachte heeft toen haar vagina betast door te knijpen en drukken en heeft dit eerst boven haar onderbroek gedaan en daarna onder haar onderbroek. Dit deed pijn. [slachtoffer] heeft aan de verdachte gevraagd wat hij deed, waarop hij tegen haar heeft gezegd dat hij haar wilde toedekken met een deken.
De verklaring van [slachtoffer] die zij heeft afgelegd in het studioverhoor, komt op significante onderdelen overeen met de verklaringen van de vader van [slachtoffer] in het informatieve gesprek en de aangifte die hij namens haar heeft gedaan. De verklaring van [slachtoffer] komt bovendien authentiek op de rechtbank over.
De rechtbank acht in het kader van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] verder van belang dat [slachtoffer] direct in de loop van de dag na het logeren tegen haar broer en ouders heeft verteld wat er die nacht was gebeurd. Daarbij hebben haar broer en haar ouders emoties bij [slachtoffer] waargenomen toen zij het vertelde. Zo moest zij huilen. De vader van [slachtoffer] heeft daarnaast verklaard dat het gedrag van [slachtoffer] veranderde toen zij thuis waren gekomen na het logeren. Ze zei dat zij de verdachte nooit meer wilde zien en dat ze nooit meer naar hem toe moesten. Ook de waarneming van de moeder van [slachtoffer] een dag later acht de rechtbank van belang. Haar moeder heeft verklaard dat zij haar dochter toen op het toilet wilde helpen met afvegen en dat [slachtoffer] dat niet wilde en zei: “Als jij zo doet dan moet ik denken aan wat [verdachte] heeft gedaan”.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] als betrouwbaar kan worden aangemerkt en daarom als bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank is verder van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] , inhoudelijk gezien, bewijs vormt voor het ten laste gelegde feit.
Steunbewijs
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of naast de verklaring van [slachtoffer] sprake is van voldoende steunbewijs voor de ten laste gelegde handelingen.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] op het punt van de seksuele handelingen door de verdachte voldoende steun vindt in het dossier, namelijk in de verklaring van de vader van [slachtoffer] over de waargenomen emoties zoals die hiervoor zijn beschreven en in de resultaten van het DNA-onderzoek. Uit dat onderzoek volgt dat het DNA-materiaal dat is aangetroffen op verschillende plekken van de onderbroek van [slachtoffer] een match opleverde met het DNA-profiel van de verdachte. Het gaat hierbij om de binnen- en buitenzijden van de rand van de linker- en rechterbroekspijp van de onderbroek. Het feit dat het DNA van de verdachte met een zeer hoge bewijskracht precies op de plekken is aangetroffen die overeenstemmen met de gedetailleerde verklaring van [slachtoffer] over waar en hoe de verdachte haar heeft aangeraakt, maakt het voor de rechtbank niet geloofwaardig dat het DNA op een andere manier daar terecht gekomen is. De rechtbank schuift daarom de alternatieve lezing van de verdachte hierover als ongeloofwaardig terzijde.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Purmerend, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2017, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermalen:
- drukken op en/of knijpen in en/of betasten van de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer] .
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft verzocht om als bijzondere voorwaarden een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod met een straal van vijf kilometer rondom de woning van [slachtoffer] op te leggen.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met het toen zevenjarige slachtoffer. Het slachtoffer was met haar broer en ouders bij de verdachte en zijn gezin blijven slapen na het vieren van de verjaardag van de verdachte. De verdachte is meermalen de slaapkamer van het slachtoffer binnengetreden en heeft toen zowel boven als onder haar onderbroek de ontuchtige handelingen bij haar gepleegd. De verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij en haar ouders in de verdachte, als vriend, hadden gesteld. De verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] ernstig geschonden en het gevoel van veiligheid en vertrouwen dat een kind bij een bekende volwassene moet kunnen hebben, op grove wijze beschaamd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel misbruik nog zeer lang de psychische gevolgen kunnen ondervinden van wat hen is aangedaan en kunnen worden belemmerd in het doormaken van een gezonde (seksuele) ontwikkeling. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 januari 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor het plegen van een strafbaar feit is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het door de reclassering over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 22 september 2025. De reclassering ziet geen aanleiding voor een straf met bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank naast de ernst van het feit en de persoon van de verdachte ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank komt daarom op een lagere straf uit dan door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter een gedeelte daarvan, groot vier maanden, voorwaardelijk opleggen en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om de verdachte ervan te doen weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Geen contact- en locatieverbod
Hoewel de wens voor een contact- en locatieverbod begrijpelijk is, ziet de rechtbank geen noodzaak om een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarde te koppelen aan het voorwaardelijk strafdeel. Ter terechtzitting is gebleken dat er in de periode na het ten laste gelegde feit tot het moment van de terechtzitting geen contact is geweest tussen de verdachte en [slachtoffer] of de ouders van [slachtoffer] en dat er ook geen wens voor contact is. Daarnaast woont de verdachte in [woonplaats 1] en [slachtoffer] met haar ouders in [woonplaats 2] en is niet gebleken dat de verdachte zich in genoemde periode heeft begeven in de omgeving van [slachtoffer] of dat hij haar heeft opgezocht.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Inhoud van de vordering
De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
7.2.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft gevraagd de vordering toe te wijzen.
De raadsman van de verdachte heeft geen standpunt ingenomen over de vordering tot schadevergoeding.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte door zijn handelen een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht heeft gemaakt, namelijk het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, dat dit als aantasting van de persoon op andere wijze zoals bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b BW kan worden aangemerkt. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde zoals gebleken uit de toelichting over de psychische gevolgen, zoals opgenomen in de vordering benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat er aanleiding is een vergoeding voor de immateriële schade toe te kennen. In de toelichting is naar voren gebracht dat het functioneren van de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit sterk is beïnvloed, wat tot uiting kwam in de schoolontwikkeling van de benadeelde in groep 5. Daarnaast was volgens de praktijkondersteuner van de huisarts sprake van veel boosheid, overdenken en een schuldgevoel bij de benadeelde die niet passen bij haar leeftijd.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
BEM-clausule
De rechtbank bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding van € 2.500,- zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op deze rekening van de minderjarige beschikken tot zij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 247 Sr.

9.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
8 (acht) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot
4 (vier) maanden,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde]geleden schade tot een bedrag van
€ 2.500,-, (zegge: vijfentwintighonderd euro), vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.H. Tiemens, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. D.J. Straathof, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2026.