Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2989

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
11339234 \ CV EXPL 24-7084
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWRichtlijn 93/13/EEGECLI:NL:HR:2021:1677ECLI:EU:C:2019:47ECLI:EU:C:2019:576
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering wegens schending precontractuele informatieplicht en toetsing algemene voorwaarden

Friesland Lease B.V. vordert betaling van leasetermijnen en bijkomende kosten van de gedaagde partij, die niet is verschenen, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter toetst ambtshalve of aan de precontractuele informatieplicht volgens artikel 6:230l BW is voldaan en beoordeelt de toepasselijke algemene voorwaarden op oneerlijke bedingen.

De eisende partij heeft onvoldoende gemotiveerd dat zij de consument duidelijk en begrijpelijk heeft geïnformeerd over de wijze van betaling, zoals vereist. De informatie was alleen in de algemene voorwaarden opgenomen zonder expliciete verwijzing voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Dit leidt tot een sanctie waarbij 20% van de hoofdsom wordt vernietigd.

De algemene voorwaarden, waaronder de artikelen 8.4 en 8.5, worden getoetst en niet als oneerlijk beoordeeld. De buitengerechtelijke incassokosten worden slechts gedeeltelijk toegewezen tot het bedrag van de eerste drie aanmaningen. De wettelijke rente wordt toegewezen over het aangepaste hoofdsombedrag vanaf de dag van dagvaarding.

De kantonrechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van € 2.686,61 plus wettelijke rente en proceskosten, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst de rest van de vordering af.

Uitkomst: De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen met een sanctie van 20% vernietiging van de hoofdsom wegens schending van de precontractuele informatieplicht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11339234 \ CV EXPL 24-7084
Uitspraakdatum: 18 maart 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Friesland Lease B.V.
te Drachten
de eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 2.799,37, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
2.3.
Uit de toelichting van de eisende partij blijkt niet (voldoende) dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplicht(en) als bedoeld in artikel 6:230l BW onder d BW heeft voldaan.
2.4.
De eisende partij stelt immers dat de informatie over de wijze van betaling (zoals bedoeld in artikel 6:230l onder d BW) is opgenomen in de toepasselijke algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat de gedaagde partij hiermee niet op duidelijke en begrijpelijke wijze op de hoogte is gebracht van deze informatie. De gedaagde partij had er vóór het sluiten van de overeenkomst tenminste expliciet op gewezen moeten worden dát deze informatie in de algemene voorwaarden te vinden is. Niet gesteld of gebleken is dat daaraan is voldaan. Voor deze schending zal een sanctie worden toegepast.
2.5.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie [2] en onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 [3] moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.6.
Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en de jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de overeenkomst gedeeltelijk worden vernietigd, te weten voor 20% van de door de gedaagde partij oorspronkelijk verschuldigde hoofdsom aan leasetermijnen.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.7.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest [4] , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.8.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene Voorwaarden Privé Leasefiets’ van januari 2020 (hierna: de algemene voorwaarden).
2.9.
In artikel 7.3 van de algemene voorwaarden staat een huurprijswijzigingsbeding. Uit de stukken blijkt dat de eisende partij de huurprijs gedurende de looptijd van de huurovereenkomst niet heeft gewijzigd, zodat dit beding geen verband houdt met de onderhavige vordering. Daarom zal de kantonrechter dit beding niet toetsen op (on)eerlijkheid.
2.10.
De bedingen uit de algemene voorwaarden die verband houden met de vordering, te weten de artikelen 8.4 en 8.5 zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.11.
De sanctie voor het schenden van de informatieplichten wordt opgelegd op het gedeelte van de gevorderde hoofdsom dat ziet op de door de gedaagde verschuldigde bedrag uit de overeenkomst (de leasetermijnen). Gelet op het voorgaande is een bedrag van
€ 2.466,61 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 1.663,81 x 0,8 + € 1.135,56).
2.12.
De eisende partij heeft meerdere aanmaningen verstuurd, waarin telkens een bedrag aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is berekend. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de eisende partij daarmee niet voldaan aan het vereiste dat het redelijk moet zijn om buitengerechtelijke incassokosten te maken. Na het uitblijven van de betaling van de eerste drie aanmaningen had het voor de eisende partij duidelijk moeten zijn dat de gedaagde partij ook in gebreke zou blijven met de betaling van de overige termijnen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 120,00, hetgeen overeenkomt met de buitengerechtelijke incassokosten die zijn aangezegd in de eerste drie aanmaningen.
2.13.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
Conclusie en proceskosten
2.14.
De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
2.15.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 2.686,61, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.466,61 vanaf 24 september 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 113,54;
griffierecht € 496,00;
salaris gemachtigde € 253,00;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.HvJ EU 23 januari 2019, zaak C-430/17, ECLI:EU:C:2019:47 (Walbusch Walter Busch), punt 41; HvJ EU 10 juli 2019, zaak C-649/17, ECLI:EU:C:2019:576 (Amazon EU), punt 44.
3.Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
4.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).