Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2945

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/15/374512 / JU RK 26-204
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij pleeggrootouders

De moeder verzoekt om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, maar dit verzoek wordt afgewezen. De minderjarige verblijft bij haar pleeggrootouders vanwege ernstige gedragsproblemen, een licht verstandelijke beperking en ontwikkelingsachterstanden. De GI heeft een perspectiefbesluit genomen dat terugplaatsing bij de moeder niet meer aan de orde is, wat door de rechtbank en het gerechtshof is bekrachtigd.

De GI vraagt om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar, met het oog op de complexe problematiek van de minderjarige en de hoge belasting van de pleeggrootouders. De omgang tussen de moeder en de minderjarige verloopt moeizaam en onstabiel, waarbij de minderjarige zichtbaar ontregeld raakt. De GI wil begeleide omgang invoeren, maar wacht op de uitkomst van het hoger beroep van de moeder tegen de schriftelijke aanwijzing.

De moeder erkent de problematiek en is het eens met de verlenging, maar betwist dat zij beslissingen frustreert en is het oneens met de begeleide omgang. De pleeggrootouders steunen de verlenging en benadrukken de noodzaak van structuur en duidelijke regie. De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de minderjarige en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de pleeggrootouders voor een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374512 / JU RK 26-204
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclasseringte Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. I.M. Thieme kantoorhoudende te Zaandam,
[de pleeggrootmoeder],
hierna te noemen: de pleeggrootmoeder,
en
[de pleeggrootvader] ,
hierna te noemen: de pleeggrootvader,
beiden wonende in [plaats] ,
hierna samen te noemen: de pleeggrootouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2026;
  • een brief van de GI, ontvangen op 3 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de pleeggrootmoeder.
1.3.
De pleeggrootvader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De vader van [de minderjarige] heeft [de minderjarige] erkend, maar heeft geen gezag. [de minderjarige] heeft wel contact met de vader.
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij de pleeggrootouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 mei 2022 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. Die ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd en duurt nu nog tot 18 maart 2026.
2.4.
Bij beschikking van 13 mei 2022 is ook een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd en duurt nu nog tot 18 maart 2026.
2.5.
De GI heeft op 18 december 2024 een perspectiefbesluit genomen, waarin is bepaald dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet meer bij de moeder ligt en dat niet meer toegewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder. Dit besluit is bekrachtigd door de rechtbank bij beschikking van 4 maart 2025. Het gerechtshof heeft het perspectiefbesluit in stand gelaten bij arrest van 24 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft haar verzoek in de stukken als volgt onderbouwd.
[de minderjarige] heeft een belast verleden en kampt met ernstige en complexe gedragsproblematiek. [de minderjarige] functioneert op een licht verstandelijk beperkt niveau en daarnaast zijn er ontwikkelingsachterstanden op meerdere domeinen, waaronder haar sociaal-emotionele ontwikkeling, emotieregulatie, taal en zelfredzaamheid. Ook op school zijn er zorgen. Het is gebleken dat [de minderjarige] een volledige schoolweek niet aankan, daarom blijft zij sinds eind 2024 structureel op de woensdagen thuis.
De pleeggrootouders dragen al voor een lange periode de volledige, dagelijkse zorg voor [de minderjarige] en doen dit met grote betrokkenheid. Tegelijkertijd is de belasting zeer hoog. De pleeggrootmoeder moet constant schakelen tussen de complexe zorg voor [de minderjarige] , de afstemming met de moeder en de zorg voor haar eigen gezin, waaronder twee kinderen met autisme. Daarbij verschilt de visie over [de minderjarige] ’s problematiek tussen de moeder enerzijds en de pleeggrootouders, de school en de hulpverlening anderzijds. De moeder erkent de ernst en complexiteit van [de minderjarige] ’s problematiek soms onvoldoende, wat een gezamenlijke probleemanalyse en passende besluitvorming belemmert. De moeder is belast met het gezag en er is geen sprake van voogdij, waardoor de pleeggrootouders in de dagelijkse praktijk voortdurend moeten afstemmen met de moeder met een andere visie, terwijl zij feitelijk verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse zorg, begeleiding en veiligheid van [de minderjarige] .
Ook de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder baart de GI zorgen. De kinderrechter heeft in haar beschikking van juli 2025 expliciet bepaald dat de omgang begeleid dient plaats te vinden, maar de omgang vindt tot op heden elke zaterdag vijf uur onbegeleid plaats. De pleeggrootouders signaleren dat [de minderjarige] voor en na de omgang zichtbaar ontregeld raakt. Daarbij wordt de omgang nauwelijks voorbereid of nabesproken.
De samenwerking met de moeder verloopt daarnaast moeizaam en is onvoldoende stabiel. Wanneer concrete besluitvorming nodig is, ontstaat er weerstand, vertraging of blokkade. De moeder is selectief in het verlenen van toestemming, bijvoorbeeld voor vakanties en andere activiteiten. Er zijn meerdere schriftelijke aanwijzingen gegeven, die door de kinderrechter zijn beoordeeld en bekrachtigd, maar de naleving door de moeder blijft beperkt.
3.3.
Ter zitting heeft de GI aangegeven dat er sinds januari 2026 een nieuwe, vaste jeugdbeschermer is gekoppeld aan de zaak en dat er vorig jaar te weinig regie is gevoerd. NiCare staat klaar om de omgang te begeleiden, maar de GI zal eerst de beslissing op het hoger beroep van de moeder tegen de schriftelijke aanwijzing over de omgang afwachten. Een diagnostiektraject voor [de minderjarige] is gestart in 2026. Er heeft inmiddels een intake plaatsgevonden en er is een plan van aanpak opgesteld. De GI hoopt dat [de minderjarige] , met diagnostiek, eventuele hulpverlening die daaruit voortvloeit en met begeleide omgang, voor en na de omgang minder ontregeld zal zijn. De pleeggrootouders worden in het verlengde hiervan hopelijk minder belast. Voor zover dat toch nodig is, zal er gekeken worden naar eventuele weekendopvang voor [de minderjarige] , om de draagkracht van de pleeggrootouders te borgen en plaatsing bij hen stabiel te houden.
Tot slot zal de GI de komende periode kritisch kijken naar haar eigen verzoekschrift en wat hierin staat opgeschreven over het verschil van inzicht tussen de moeder enerzijds en de pleeggrootouders, school en de hulpverlening anderzijds, en over het verschil van inzicht met betrekking tot de ernst van [de minderjarige] ’s problematiek, nu de moeder aangeeft dat hier niet in die mate sprake van is. Daarnaast betwist de moeder dat zij beslissingen vertraagt of belemmert en dat dit een ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] vormt. De GI zal ook kritisch kijken of dit aan de orde is (geweest).

4.De standpunten

De moeder
4.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij het eens is met de verzoeken. Zij ziet dat [de minderjarige] op een goede plek zit bij de pleeggrootouders en hier goed voor haar gezorgd wordt. De moeder blijft wel de wens houden dat [de minderjarige] ooit weer bij haar komt wonen en vindt het moeilijk dat de omgang wordt beperkt en begeleid moet plaatsvinden. Ze is het hier mee oneens reden waarom zij tegen de schriftelijke aanwijzing hoger beroep heeft ingesteld. Verder betwist de moeder dat zij beslissingen over [de minderjarige] frustreert of vertraagt. Ze erkent wel degelijk de ernst en aard van de problematiek van [de minderjarige] . De moeder vindt het niet aan haar te wijten dat de samenwerking met de jeugdbeschermer niet goed verliep. Dit heeft te maken met de afwezigheid en de wisseling van jeugdbeschermers, waarbij zij ook nog eens niet goed geïnformeerd werd. Ze vindt het kwalijk dat er in het verzoekschrift verkeerde informatie opgenomen is en wil graag dat dit gecorrigeerd wordt. Tot slot verzoekt ze de GI met klem haar goed te informeren over [de minderjarige] en de stappen die genomen worden.
De pleeggrootouders
4.2.
De pleeggrootouders zien dat [de minderjarige] veel behoefte heeft aan structuur, voorspelbaarheid en nabijheid. Zij zien dat [de minderjarige] in haar gezin tot rust komt en zich ontwikkelt. Tegelijkertijd maken zij zich zorgen over [de minderjarige] en over de impact van de omgang met de moeder. Wanneer er contact is geweest, ziet de pleeggrootmoeder meer ontregeling, boosheid en aantrekken-afstoten. De zorg voor [de minderjarige] is rondom deze periodes zeer intensief voor de pleeggrootouders. De pleeggrootouders staan echter nog steeds achter het perspectiefbesluit en [de minderjarige] mag zo lang bij hen blijven wonen als nodig is. Ze gunnen de moeder een rol in het leven van [de minderjarige] , maar deze rol dient begrensd en begeleid te worden. De pleeggrootouders hebben behoefte aan duidelijke regie vanuit de GI rondom de omgang en de besluitvorming, zodat [de minderjarige] ’s belangen centraal blijven staan.
De pleeggrootmoeder heeft hier ter zitting nog aan toegevoegd dat het contact met de moeder in principe goed verloopt. Een positieve ontwikkeling is dat [de minderjarige] inmiddels zindelijk is ten aanzien van het poepen. De opvoedbehoefte van [de minderjarige] blijft wel nog steeds zwaar. De pleeggrootmoeder vindt het daarom fijn dat de Zorgdeler nog langskomt en er aandacht is voor de draagkracht van de pleeggrootouders. Verder is de hulpverlening van VIB-G helpend geweest voor hen, omdat ze meer inzicht hebben gekregen in hoe ze moeten reageren op [de minderjarige] . De pleeggrootmoeder geeft, ook namens de pleeggrootvader, aan dat ze het eens zijn met beide verzoeken.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing is voldaan en de verlenging van deze maatregelen voor de duur van een jaar is noodzakelijk in het belang (van de verzorging en opvoeding) van [de minderjarige] . [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[de minderjarige] woont al vanaf jonge leeftijd bij de pleeggrootouders omdat de moeder vanwege haar eigen problematiek [de minderjarige] geen veilige, stabiele opvoedomgeving kan bieden. Daar komt bij dat [de minderjarige] een verzwaarde opvoed- en zorgbehoefte heeft. Ze kampt met een licht verstandelijke beperking in combinatie met ontwikkelingsachterstanden op verschillende gebieden. Bij de pleeggrootouders krijgt [de minderjarige] de structuur, duidelijkheid en veiligheid die ze nodig heeft om toe te komen aan haar ontwikkelingstaken, maar de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] valt hen zwaar. Hierbij is van belang dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] op dit moment instabiel en onvoorspelbaar is voor [de minderjarige] en zij zeer ontregeld raakt voor en na de omgang. De GI wil graag begeleide omgang inzetten om de omgang te observeren, zodat duidelijk wordt wat een haalbare en passende omgang is voor [de minderjarige] en de moeder. De GI hoopt ook dat met begeleide omgang [de minderjarige] minder ontregeld raakt, zodat de pleeggrootouders minder belast worden. De GI zal het hoger beroep van de moeder tegen de schriftelijke aanwijzing over de omgang echter (moeten) afwachten alvorens de begeleide omgang kan plaatsvinden. Verder zal het diagnostisch onderzoek van [de minderjarige] , dat in januari 2026 gestart is, hopelijk meer zicht geven op wat [de minderjarige] (verder) nodig heeft om tot een goede ontwikkeling te komen. Een stevige regie van de GI is nodig om de hulpverlening en de diagnostiek die er nu is te borgen, een haalbare en passende omgang te realiseren en de nodige, verdere stappen te zetten.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige]tot 18 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een pleeggezin (van de pleeggrootouders) tot 18 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026, in aanwezigheid van mr. M.L. van Erp als griffier, op schrift gesteld op 18 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikelen 1:255, 1:260 en 1:265c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.