Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2943

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/15/374235 / JU RK 26-182
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige bij vader met gezag

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar vader met gezag. De minderjarige kampt met complexe problematiek waaronder hechtingsproblemen, emotieregulatieproblemen en cognitieve beperkingen. Het contact met de moeder is verstoord en de minderjarige wil geen contact meer met haar.

De vader en stiefmoeder wonen samen met de minderjarige en bieden haar de noodzakelijke structuur, veiligheid en stabiliteit. De hulpverlening is recentelijk uitgebreid met specialistische zorg en ambulante opvoedondersteuning. De gecertificeerde instelling erkent dat er het afgelopen jaar onvoldoende regie is gevoerd, maar heeft inmiddels een vaste jeugdbeschermer aangesteld.

De kinderrechter oordeelt dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet kan worden weggenomen zonder verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader met gezag worden verlengd voor één jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374235 / JU RK 26-182
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclasseringte Amsterdam,
hierna te noemen: De GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. H.J.G. Dudink kantoorhoudende te Haarlem,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
[de stiefmoeder],
hierna te noemen: de stiefmoeder,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en de stiefmoeder;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2018 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling heeft voortgeduurd tot 19 februari 2019. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 maart 2024 [de minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld, welke is verlengd tot 18 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 mei 2025 de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader tot 18 maart 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 mei 2025 de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers vervangen door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt De GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader met gezag te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek in de stukken en ter zitting als volgt onderbouwd.
[de minderjarige] is een meisje dat kwetsbaar is in haar ontwikkeling. [de minderjarige] groeit op bij de vader en de stiefmoeder, die goed in contact staan met de hulpverlening. De hulpverlening krijgt echter geen goed contact met de moeder en ook [de minderjarige] zelf heeft geen contact met haar. Het behandeladvies vanuit Praktijk [Praktijk] is dat contactherstel met de moeder op dit moment ook niet haalbaar is. [de minderjarige] ’s draagkracht is laag, waardoor ze snel overvraagd wordt en ontregeld raakt bij stress en emotionele belasting. Contact met de moeder zou kunnen zorgen voor her-traumatisering bij [de minderjarige] . De gedachte aan contact veroorzaakt bij [de minderjarige] stress en angst, maar kan zich ook uiten in heftige boosheid. Ook kan [de minderjarige] zichzelf pijn doen. Monitoring en hulp is nodig om te voorkomen dat dit verergert.
Daarnaast maakt [school] , de school van [de minderjarige] , zich zorgen over haar. [school] stelt dat [de minderjarige] duidelijk behoefte heeft aan een beschermde omgeving met intensieve begrenzing, bijsturing en hulp. Het vinden van deze passende hulp voor [de minderjarige] is echter complex. De hulpverlening vanuit Praktijk [Praktijk] (storytelling/traumatherapie) is recentelijk afgerond. [de minderjarige] heeft verdere specialistische hulp nodig, die inmiddels is gestart bij Mensrijk en Bureau Mars. Mensrijk richt zich op behandeling rondom hechting en trauma en Bureau Mars op ambulante opvoedondersteuning. Er wordt ook gekeken of [de minderjarige] vaker naar Happy to Move kan om de vader en de stiefmoeder te ontlasten. Ook wordt onderzocht of Happy to Move ingezet kan worden voor extra ondersteuning (een op een begeleiding) op school, omdat dit nodig lijkt te zijn.
3.3.
De GI is het met de ouders eens dat het afgelopen jaar geen sterke regie is gevoerd vanuit de GI. Die realisatie heeft ertoe geleid dat er inmiddels een vaste jeugdbeschermer aan de zaak is gekoppeld. De jeugdbeschermer zal de noodzakelijke hulpverlening borgen, dan wel inzetten en zal ook een gedegen plan van aanpak opstellen.

4.De standpunten

De vader en de stiefmoeder
4.1.
De vader en stiefmoeder zijn het eens met het verzoek. Zij maken zich grote zorgen over [de minderjarige] en zijn ontevreden over de lange tijd die het kost voordat daadwerkelijk passende hulp wordt ingezet. Zij ervaren dat [de minderjarige] een terugval in haar gedrag heeft gehad vanaf november 2025, nu er een samenloop was van hun verhuizing, de feestdagen en het wegvallen van Praktijk [Praktijk] . [de minderjarige] ervaart veel spanning en boosheid en dit vraagt veel van de draagkracht van de vader en de stiefmoeder. Daarbij hebben zij grote behoefte aan duidelijkheid en voortvarend handelen in het verdere traject. [de minderjarige] geeft zelf meermaals aan dat ze geen contact meer wil met de moeder. Ze is bang om verlaten te worden en zoekt veel bevestiging bij de vader en de stiefmoeder. Dit laat zien hoe kwetsbaar [de minderjarige] is en onderstreept het belang van passende en duurzame hulpverlening. De vader en de stiefmoeder vinden dat het tempo waarop de hulpverlening wordt opgestart te laag in verhouding tot de ernst van de problematiek en de dagelijkse impact die dit heeft op [de minderjarige] en het gezin. Ze vinden het wel fijn dat er nu een vaste jeugdbeschermer is en hopen dat de noodzakelijke stappen nu voortvarend worden gezet, zodat de situatie van [de minderjarige] verbetert.
De moeder
4.2.
Door en namens de moeder is ter zitting aangegeven dat ze akkoord gaat met het verzoek. Zij vindt het fijn om op de hoogte gehouden te worden over de ontwikkelingen van [de minderjarige] door de vader en de stiefmoeder en door de GI. Ze zou vanuit haar moederhart een grotere rol willen spelen in het leven van [de minderjarige] , maar begrijpt dat dat nu niet mogelijk is, omdat [de minderjarige] daar niet voor open staat. De moeder betreurt het dat er het afgelopen jaar weinig is gebeurd vanuit de GI. De Jeugd- en Gezinsbeschermers, de vorige gecertificeerde instelling, heeft daarvoor ook al te weinig gedaan. Er is hierdoor veel tijd verloren gegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [de minderjarige] heeft te kampen met een samenloop van complexe problematiek; emotieregulatieproblemen, hechtingsproblematiek, cognitieve problemen en taalontwikkelingsproblemen. Het contact tussen [de minderjarige] en de moeder is al langere tijd verstoord. [de minderjarige] wil geen contact meer met de moeder. [de minderjarige] heeft het afgelopen jaar hulpverlening gehad van praktijk [Praktijk] voor haar trauma’s en hechtingsproblematiek. Duidelijk is dat verdere specialistische hulpverlening nodig is. Die hulpverlening is sinds kort van start gegaan, waarbij ook opvoedondersteuning aan de vader en de stiefmoeder geboden wordt. Daarnaast heeft [de minderjarige] extra ondersteuning nodig op school en dienen de vader en de stiefmoeder meer ontlast te worden, omdat de verzwaarde zorg- en opvoedbehoefte van [de minderjarige] veel van hen vraagt. De GI zal daar dan ook hulpverlening en/of ondersteuning voor inzetten. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Om de noodzakelijk stappen te kunnen zetten in het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] , is een sterke regie vanuit de GI nodig. Sinds het uitspreken van de ondertoezichtstelling heeft er onvoldoende regie plaatsgevonden terwijl de problematiek van [de minderjarige] ernstig en complex is. De kinderrechter spreekt dan ook samen met de ouders de hoop uit dat het komende jaar effectief en voortvarend aan de doelen van de ondertoezichtstelling gewerkt gaat worden.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van één jaar. [2]
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [3] [de minderjarige] woont al langere tijd volledig bij de vader en de stiefmoeder en het gaat hier relatief goed met haar. Ze kunnen haar de aandacht, structuur, stabiliteit en veiligheid bieden die zij nodig heeft. Het is daarom belangrijk dat ze hier kan blijven wonen.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige]tot 17 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]bij de vader met gezag tot 17 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026, in aanwezigheid van mr. M.L. van Erp als griffier, op schrift gesteld op 18 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 1:260 BW Pro.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.