ECLI:NL:RBNHO:2026:2924

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/15/364920 / HA ZA 25-270
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:107 BWArt. 3:108 BWArt. 3:112 BW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eigendom en burenrechtelijke geschillen over gesplitste boerderij en schuur

Partijen zijn buren die wonen in een gesplitste boerderij op twee percelen die in 2000 zijn gesplitst. De rechtbank beoordeelt diverse vorderingen over eigendom, gebruik en hinder. Eisers vorderen onder meer eigendom van een deel van de schuur en grond, een verbod op sloop en beschadiging, verwijdering van beplanting en een kapschuur, en uitoefening van ladderrecht. Gedaagde vordert onder meer het recht om een schutting te plaatsen en zijn deel van de schuur te slopen.

De rechtbank oordeelt dat eisers door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van een rood-gearceerd deel van de schuur en de naastgelegen vlonder, omdat hun rechtsvoorganger dit deel sinds 2001 als eigenaar heeft gebruikt en de oorspronkelijke rechthebbende het bezit heeft prijsgegeven. De vordering tot verbod op sloop van het deel van de schuur van gedaagde wordt afgewezen; gedaagde mag zijn deel slopen en een nieuwe schuur bouwen, mits eisers de gelegenheid krijgen hun deel te behouden.

De vorderingen tot verwijdering van de kapschuur en beplanting worden afgewezen omdat de rechtbank oordeelt dat deze niet onrechtmatig zijn. Wel wordt gedaagde veroordeeld om het ladderrecht van eisers te respecteren en hen toegang te verlenen voor onderhoudswerkzaamheden, met een voorafgaande kennisgeving van minimaal 72 uur. De rechtbank wijst ook toe dat gedaagde een schutting mag plaatsen langs de juridische erfgrens. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Eisers zijn eigenaar van een deel van de schuur door verjaring; gedaagde mag zijn deel slopen en een schutting plaatsen; ladderrecht wordt toegewezen; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/364920 / HA ZA 25-270
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. H.A. van Beilen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.J. de Boer.
De zaak in het kort
Partijen zijn buren en zij wonen in een gesplitste boerderij op een in 2000 gesplitst perceel. Partijen hebben over en weer vorderingen ingesteld. De rechtbank oordeelt dat een deel van de schuur die op beide percelen staat, door verkrijgende verjaring eigendom is geworden van [eisers] moeten wel dulden dat [gedaagde] zijn deel van de schuur sloopt om daar een nieuwe schuur te bouwen. [gedaagde] mag ook tegen de juridische erfgrens een schutting plaatsen. De rechtbank wijst verder toe de vordering van [eisers] dat [gedaagde] moet meewerken aan uitoefening van het ladderrecht. De vorderingen van [eisers] tot het verwijderen van beplanting en een door [gedaagde] geplaatste kapschuur wijst zij af.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 april 2025 met 9 producties,
- de conclusie van antwoord en eis in reconventie met 2 producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie met 2 producties,
- het tussenvonnis van 13 augustus 2025,
- de akte vermeerdering van eis tevens akte overlegging producties van [eisers] met producties 10 tot en met 13,
- de “
Analyse voorafgaand aan de zitting” van [gedaagde] ,
- de descente van 15 december 2025 waarvan proces-verbaal is opgemaakt,
- de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De advocaten van partijen hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen en deze overgelegd,
- de reactie op het proces-verbaal van 10 februari 2026 van [gedaagde] ,
- de brief van 12 februari 2026 van [eisers] naar aanleiding van het proces-verbaal.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn buren. [eisers] zijn eigenaar van het perceel [adres 1] te [woonplaats] en zij wonen daar ook. [gedaagde] is eigenaar van het perceel [adres 2] te [woonplaats] en ook hij woont daar.
2.2.
De beide percelen vormden tot 2000 één perceel (kadastraal bekend gemeente Venhuizen, [kadastraalnummer 1] ) met daarop, onder meer, een boerderij en een schuur. De toenmalige eigenaren van dat perceel hebben het perceel (inclusief de boerderij en de schuur) bij notariële akte van 15 november 2000 gesplitst en geleverd (hierna: de splitsingsakte). Perceel [adres 2] is geleverd aan de heer [comparanten sub 3] (hierna: [comparanten sub 3] ). Perceel [adres 1] is geleverd aan de heer [comparanten sub 2] (hierna: [comparanten sub 2] ). Op de aan de splitsingsakte gehechte tekening (zie hieronder) zijn de beide geleverde percelen weergegeven. De streeparceringen en de letter B geven aan het perceel [adres 1] . De rest van het perceel, waaronder de kruisarcering en de letter A geven aan het perceel [adres 2] weer.
2.3.
Onder verwijzing naar deze tekening vermeldt de splitsingsakte onder het kopje “
Gebruiksrecht schuur”:

De comparanten sub 2 genoemd(rechtbank: [comparanten sub 2] )
geven aan de comparanten sub 3 genoemd(rechtbank: [comparanten sub 3] )
het recht om gebruik te maken van dat gedeelte van de schuur (op de aangehechte situatietekening aangegeven met het Romeinse cijfer I), dat is gelegen op het aan de comparanten sub 2 genoemd geleverde registergoed hiervoor sub a. genoemd, zulks op een wijze zoals nader tussen partijen zal worden overeengekomen.
Het gebruiksrecht wordt verleend voor een periode van vijf (5) jaar en eindigt derhalve op vijftien september tweeduizend vijf.
De comparanten sub 2 en 3 genoemd komen voorts overeen dat gemelde schuur voor gezamenlijke rekening zal worden vervangen door een schuur van gelijke kwaliteit en omvang op het terrein van de comparanten sub 3 genoemd. Gedurende een periode van vijf (5) jaar, te rekenen vanaf heden, kunnen partijen elk uitvoering van deze overeenkomst tot vervanging verlangen.
2.4.
[comparanten sub 3] en [comparanten sub 2] hebben begin 2001 met elkaar afgesproken dat de kadastrale erfgrens door de schuur niet praktisch was en dat de erfgrens zodanig verplaatst zou worden dat deze recht door de schuur zou lopen, haaks op de zijwanden. Op de te hanteren erfgrens hebben zij in de schuur een scheidingswand geplaatst. Hierdoor kreeg [comparanten sub 2] een groter deel, het hieronder rood gearceerde deel, van de schuur in gebruik en de naast de schuur onder een afdak gelegen grond tot aan de sloot. De rechtbank zal gemakshalve het bedoelde stukje grond tussen de schuur en de sloot aanduiden als “de vlonder”.
2.5.
[comparanten sub 3] heeft zijn perceel [adres 2] in 2007 verkocht en geleverd aan een zekere [naam] . [naam] heeft het perceel vervolgens in 2020 verkocht en geleverd aan [gedaagde] .
2.6.
[comparanten sub 2] heeft het perceel [adres 1] op 15 januari 2021 geleverd aan [eisers]
2.7.
In februari 2025 heeft (de advocaat van) [gedaagde] contact met [eisers] opgenomen over het voornemen van [gedaagde] om zijn deel van de schuur te slopen en op zijn (kadastrale) perceel een nieuwe schuur te bouwen. [eisers] waren het hier niet mee eens. Vervolgens is er tussen partijen gecorrespondeerd over een aantal geschilpunten.
3. Het geschil
in conventie
3.1.
[eisers] vorderen – samengevat en na eisvermeerdering – dat de rechtbank bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [eisers] eigenaar zijn van de rood-gearceerde strook grond op de tekening opgenomen in 2.4 met de daarboven gelegen schuur;
II. [gedaagde] op straffe van een dwangsom verbiedt om de schuur en schutting die zich bevinden op het perceel van partijen te slopen of te beschadigen;
III. subsidiair, [gedaagde] op straffe van een dwangsom verbiedt om de schutting en het gedeelte van de schuur dat thans door [eisers] in gebruik is, inclusief de scheidingswand, te slopen of te beschadigen;
IV. [gedaagde] op straffe van een dwangsom veroordeelt over te gaan tot verplaatsing van de kapschuur op zijn erf op minstens een afstand van twee meter van de buitenmuur van de woning van [eisers] ;
V. [gedaagde] op straffe van een dwangsom veroordeelt tot verwijdering van de beplanting die zich bevindt binnen een afstand van 50 centimeter van de buitenmuur van de woning van [eisers] ;
VI. [gedaagde] op straffe van een dwangsom veroordeelt om aan [eisers] , dan wel door [eisers] ingeschakelde derden, toegang te verlenen tot zijn perceel voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het legen van de dakgoot, het snoeien van de klimop, het schoonmaken van de ramen aan de buitenzijde, de inspectie van de buitenmuur en indien nodig het herstel van de buitenmuur, op één of meerdere data die [eisers] minimaal 72 uur van tevoren schriftelijk of via WhatsApp aan [gedaagde] moeten hebben gemeld;
VII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [eisers] veroordeelt om te gehengen en te gedogen dat [gedaagde] tegen de erfgrens (tussen de erven van partijen, die loopt vanaf de oostelijke punt van de stolp tot aan de sloot) een schutting plaatst, waarbij [eisers] ook moeten gehengen en gedogen dat [gedaagde] de schuur (die op de percelen van beide partijen staat), voor zover die op het perceel van [gedaagde] staat, sloopt of – als [eisers] een zijwand wil plaatsen – dit doet binnen een maand na de datum van dit vonnis, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.
3.5.
[eisers] voeren verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Partijen hebben op- en aanmerkingen gemaakt over de inhoud van het proces-verbaal. De rechtbank merkt ter zake van deze opmerkingen het volgende op. Het proces-verbaal van de descente betreft de waarneming van de rechtbank van het daar besprokene. Niet wordt beoogd om alles wat gezegd wordt woordelijk vast te leggen. Van belang is dat in het proces-verbaal wordt vastgelegd wat voor het verdere verloop van de procedure en voor de beoordeling door de rechter relevant is. De opmerkingen van partijen in hun beider brieven zijn naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor de beslissing, komen niet overeen met de waarneming van de rechtbank, zijn parafraseringen van het proces-verbaal of zijn uitbreidingen van hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen dan wel ter zitting is opgemerkt. De rechtbank verbindt daarom geen gevolgen aan de opmerkingen.
De erfgrens bij de schuur
4.3.
Partijen verschillen van mening waar de erfgrens loopt in de schuur en over de naastgelegen vlonder. Is dat overeenkomstig de kadastrale grens, zoals [gedaagde] stelt, of zijn [eisers] door verjaring eigenaar geworden van een deel van het kadastrale perceel van [gedaagde] en loopt de erfgrens nu recht door de schuur, zoals [eisers] stellen? De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [eisers] op verjaring slaagt en dat de erfgrens loopt zoals [eisers] stellen. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
4.4.
Bij het beoordelen van de vraag of een beroep op eigendomsverkrijging door verjaring slaagt, geldt dat rechten op een onroerende zaak zoals hier aan de orde, door een bezitter te trouw worden verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaren (verkrijgende verjaring, artikel 3:99 lid 1 BW Pro). Degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was het bezit niet te goeder trouw (bevrijdende verjaring, artikel 3:105 lid 1 BW Pro). Voor bevrijdende verjaring geldt een verjaringstermijn van twintig jaar.
4.5.
Voor een geslaagd beroep op verjaring moet dus in ieder geval komen vast te staan dat [eisers] of zijn rechtsvoorganger het rood-gearceerde deel van de schuur (en naastgelegen vlonder) in bezit heeft genomen. Bij de beantwoording van de vraag of een goed in bezit is genomen, moeten de volgende regels in gedachten worden gehouden:
- met de term bezit wordt bedoeld “het houden van een goed voor zichzelf” (artikel 3:107 BW Pro);
- of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt naar verkeersopvattingen en op grond van uiterlijke feiten beoordeeld (artikel 3:108 BW Pro);
- bezit wordt onder meer verkregen door inbezitneming (artikel 3:112 BW Pro). Men neemt een goed in bezit door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen, maar, wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 BW Pro);
- volgens vaste rechtspraak op dit punt moet door de machtsuitoefening (in dit geval door [eisers] of hun rechtsvoorgangers) het bezit van de oorspronkelijke rechthebbende (in dit geval [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangers) teniet zijn gegaan;
- de machtsuitoefening door de bezitter moet bovendien ondubbelzinnig en voor een ieder kenbaar zijn: anderen, waaronder de oorspronkelijke rechthebbende, moeten daaruit begrijpen dat hij pretendeert bezitter te zijn.
4.6.
[eisers] hebben hierover aangevoerd dat dat [comparanten sub 2] en [comparanten sub 3] begin 2001 hebben afgesproken dat de schuur in twee gelijke delen in eigendom gesplitst zal worden. Dit omdat zij de kadastrale grenzen niet praktisch vonden. In mei 2001 hebben zij een schutting met poort geplaatst en precies in het midden van de schuur een scheidingswand geplaatst. Vanaf dat moment hebben zowel [comparanten sub 2] als [comparanten sub 3] ieder hun eigen deel van de schuur en vlonder gebruikt en zich beschouwd als eigenaar daarvan. Ten bewijze van deze gang van zaken hebben [eisers] als productie 4 een verklaring van [comparanten sub 2] en [comparanten sub 3] overgelegd.
4.7.
Volgens [gedaagde] zijn [comparanten sub 2] en [comparanten sub 3] in de akte van splitsing een gebruiksovereenkomst overeengekomen. Beide partijen waren echter bevoegd die overeenkomst op te zeggen. Er is daarom geen sprake van bezit, maar van houderschap door [comparanten sub 2] , zo betoogt [gedaagde] .
4.8.
De rechtbank overweegt dat [comparanten sub 2] en [comparanten sub 3] inderdaad in de splitsingsakte een gebruiksrecht ten behoeve van [comparanten sub 2] zijn overeengekomen. Naar aanleiding van die afspraak was [comparanten sub 3] bezitter van de betwiste, op zijn perceel gelegen grond en is [comparanten sub 2] de schuur en vlonder gaan gebruiken als houder daarvan. [comparanten sub 2] en [comparanten sub 3] hebben echter daarna, in 2001, nieuwe afspraken gemaakt, zoals [eisers] onbetwist hebben aangevoerd.
4.9.
Uit de door [eisers] geschetste gang van zaken kan de rechtbank niets anders afleiden dan dat [comparanten sub 2] en [comparanten sub 3] in 2001 zonder enig voorbehoud hebben afgesprokene en beoogd dat [comparanten sub 2] het rood-gearceerde deel van de schuur (en naastgelegen vlonder) zou gaan gebruiken als ware hij eigenaar daarvan. Ter uitvoering van die overeenkomst heeft [comparanten sub 2] de betwiste grond gaan houden voor zichzelf (vgl. artikel 3:107 lid 1 BW Pro). Hij is bezitter geworden, net als dat [comparanten sub 3] het bezit van dat stukje van het perceel heeft bedoeld prijs te geven. Dat [comparanten sub 2] bezitter is geworden wordt bevestigd doordat [comparanten sub 2] en [comparanten sub 3] ook verder uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst/afspraak door in de schuur op de beoogde nieuwe erfgrens een scheidingsmuur te plaatsen. Daardoor was het gebruik van het rood-gearceerde deel van de schuur door [comparanten sub 3] en, later, [naam] en [gedaagde] niet meer mogelijk.
Dat formele levering van het betreffende deel van de schuur en vlonder nooit heeft plaatsgevonden, doet aan het voorgaande niet af, omdat aan alle vereisten voor bezitsovergang is voldaan. [comparanten sub 2] heeft zich vanaf 2001 de macht over het betreffende stukje van de schuur verschaft en is deze op zodanige wijze gaan uitoefenen dat naar de in het verkeer geldende opvattingen [comparanten sub 2] moet worden beschouwd als bezitter van het betreffende stuk van de schuur en vlonder (vgl. HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5989).
4.10.
[comparanten sub 2] is dus in 2001 bezitter te goeder trouw van het rood-gearceerde stuk grond geworden. Omdat het bezit vervolgens tien jaar ononderbroken heeft voortgeduurd, is dat stuk grond door verkrijgende verjaring eigendom geworden van [comparanten sub 2] en bij zijn perceel gaan horen. Door de eigendomsoverdracht aan [eisers] , is het rood-gearceerde stuk grond nu eigendom van [eisers] De door [eisers] gevorderde verklaring voor recht is daarom toewijsbaar.
Slopen schuur
4.11.
[eisers] vorderen verder dat het [gedaagde] wordt verboden zijn deel van de schuur te slopen. [gedaagde] vordert daartegenover dat [eisers] worden verplicht te gehengen en te gedogen dat [gedaagde] tegen de erfgrens (tussen de erven van partijen, die loopt vanaf de oostelijke punt van de stolp tot aan de sloot) een schutting plaatst en dat [eisers] ook moeten gehengen en gedogen dat [gedaagde] de schuur (die op de percelen van beide partijen staat), sloopt en op zijn eigen perceel een nieuwe schuur realiseert.
4.12.
Voordat de rechtbank op dit punt ingaat, zal zij enige woorden wijden aan de situatie ter plaatse en de gevolgen daarvan voor wat partijen redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten. De percelen van partijen vormden in het verleden immers één perceel met daarop, naast andere opstallen, één boerderij/woonhuis. Door de splitsing van het perceel in twee delen is een hele nieuwe dynamiek ontstaan. Waar eerst alles in één hand was, zijn er inmiddels twee eigenaren, zijn de opstallen letterlijk opgedeeld en is tussen de beide eigenaars het burenrecht toepasselijk geworden. Daardoor kunnen er met het burenrecht strijdige situaties zijn die tientallen jaren daarvoor geen probleem waren. De maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die de rechtsverhouding tussen partijen mede kleuren, brengen mee dat deze geschiedenis meeweegt bij de beoordeling van de geschillen die partijen verdeeld houden.
4.13.
Waar het betreft de vraag of [gedaagde] de bevoegdheid heeft om zijn deel van de schuur te slopen en op zijn eigen perceel een nieuwe schuur te realiseren, is de rechtbank van oordeel dat [eisers] zich hiertegen redelijkerwijs niet kunnen verzetten. De schuur was al ten tijde van de splitsing in een zodanige staat dat de toenmalige verkrijgers [comparanten sub 2] en [comparanten sub 3] hebben afgesproken dat de ander moet meewerken in het geval er een nieuwe schuur gerealiseerd gaat worden. Gesteld noch gebleken is dat partijen of hun rechtsvoorgangers sindsdien constructief iets aan de schuur hebben gedaan. Ook de rechtbank heeft ter plaatse geconstateerd dat de huidige schuur gedateerd en krap is. Voor zover de verplichting om mee te werken aan nieuwbouw van de schuur op het perceel van [gedaagde] niet al op [eisers] is overgegaan met de levering van hun perceel, brengen in ieder geval de maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat [eisers] moeten meewerken aan de wens van [gedaagde] om een nieuwe schuur te realiseren. In zoverre is de vordering van [gedaagde] toewijsbaar en wordt de vordering van [eisers] afgewezen. Wel krijgen [eisers] een iets langere termijn om te beslissen of zij maatregelen willen nemen om het gedeelte van de schuur op hun eigen perceel te behouden en, zo ja, om die maatregelen uit te voeren.
Kapschuur [gedaagde]
4.14.
[eisers] vorderen dat [gedaagde] de door hem geplaatste kapschuur verwijdert. Volgens hen is deze zodanig dicht tegen de woning van [eisers] geplaatst dat [eisers] geen onderhoud meer kunnen plegen aan een deel van hun dakgoten en aan de muur en hun dak ter hoogte van de kapschuur. Verder belemmert de kapschuur het vrije uitzicht van [eisers] vanuit hun woning naar de dijk. Krachtens artikel 5:50 lid 4 BW Pro dient [gedaagde] de kapschuur te verwijderen, zo betogen [eisers]
4.15.
[gedaagde] betwist dat de plaats van de kapschuur onrechtmatig is tegenover [eisers] Hij voert daartoe aan dat ter plaatse altijd een schutting heeft gestaan. In april 2022 heeft [gedaagde] de kapschuur geplaatst en op verzoek van [eisers] heeft hij deze nog eens 15 centimeter verlaagd. Na die verlaging deelden [eisers] mee akkoord te zijn.
4.16.
De rechtbank heeft ter plaatse geconstateerd dat de kapschuur waarover [eisers] klaagt staat naast het raam van de woning van [eisers] Dat raam betreft een klein “boerenraam” waarvan de onderkant zich aan de buitenkant bevindt op circa 1,90 meter van de grond (zie foto).
Dat boerenraam was al aanwezig ten tijde van de splitsing van het perceel. Geen discussie is er dat [gedaagde] geen verwijdering van het raam meer kan vorderen. Dit betekent dat [gedaagde] verplicht is binnen een afstand van twee meter daarvan geen gebouwen of werken aan te brengen die de eigenaar van het andere erf (in dit geval [eisers] ) onredelijk zouden hinderen, behoudens voor zover zulk een gebouw of werk zich daar reeds op het tijdstip van de voltooiing van de verjaring bevond. Voor de invulling van de term ‘onredelijke hinder’ in de zin van artikel 5:50 lid 4 BW Pro moet aansluiting worden gezocht bij artikel 5:37 BW Pro, waarin is bepaald dat een eigenaar van een erf geen hinder mag toebrengen aan eigenaars van andere erven in een mate die volgens artikel 6:162 BW Pro onrechtmatig is. Volgens vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende bouwsels worden gediend, en de mogelijkheid en bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen.
4.17.
Tegen de achtergrond van deze maatstaf is de rechtbank van oordeel dat de plaats en hoogte van de huidige kapschuur niet onrechtmatig zijn tegenover [eisers] Hiervoor onder 4.12 heeft de rechtbank al overwogen dat de percelen van partijen vroeger één geheel waren. De splitsing van de beide percelen heeft ertoe geleid dat een deel van de gevel van de woning van [eisers] – anders dan de gevel van de woning van [gedaagde] – direct loopt langs de erfgrens. Dat leidt ertoe dat vanuit de woning van [eisers] (de keuken met eettafel) via twee boerenraampjes direct uitzicht bestaat op het perceel van [gedaagde] . Omdat dit [gedaagde] in belangrijke mate beperkt in de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel, kunnen [eisers] , anders dan zij stellen, geen aanspraak maken op vrij uitzicht vanuit die boerenraampjes. Zeker ook omdat dit vrije uitzicht leidt tot beperking van de privacy op het perceel van [gedaagde] . Dit betekent dat [eisers] moeten accepteren dat het uitzicht vanuit hun woning in enigerlei mate wordt belemmerd. De rechtbank is van oordeel dat de huidige plaats en hoogte van de kapschuur niet zodanig zijn dat dit onrechtmatig tegenover [eisers] is. Weliswaar is vanuit de woning de kapschuur zichtbaar, maar de kapschuur staat niet recht voor het boerenraam, maar daarnaast. Het uitzicht op de kapschuur is er dus pas als “schuin” vanuit het raam wordt gekeken. De kapschuur neemt ook niet zodanig veel licht weg voor (het perceel van) [eisers] dat dit onrechtmatig is. [eisers] hebben hiervoor in ieder geval onvoldoende aangevoerd. De rechtbank gaat er daarbij wel van uit dat [gedaagde] ervoor zorgt dat beplanting op zijn perceel niet voor het betreffende boerenraam van [eisers] groeit.
4.18.
Dat de kapschuur te dicht op de gevel en dakgoot van de woning van [eisers] staat, is niet gebleken. De gevel en dakgoot zijn met de huidige plaatsing van de kapschuur te inspecteren. De dakgoot is ook, zij het met enige moeite, schoon te maken. Omdat dit slechts beperkt nodig is, is het niet onredelijk dat [eisers] of door hen in te schakelen derden daarvoor enige moeite moeten doen. De vorderingen van [eisers] op dit punt worden afgewezen.
Beplanting van [gedaagde]
4.19.
[eisers] vorderen dat [gedaagde] de beplanting die hij binnen een afstand van 50 centimeter van de buitenmuur van de woning van [eisers] heeft aangebracht, verwijdert. Het betreft volgens [eisers] een Wisteria (blauwe regen) die is geplant tussen de kapschuur en de gevel van [gedaagde] en door [gedaagde] aan de regenpijp is bevestigd en een Hortensia die voor een van de boerenraampjes van [eisers] is geplant. Deze laatste groeit inmiddels voor het boerenraampje en [eisers] hebben hier hinder van.
4.20.
[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat alle beplanting ter plaatse er al stond vanaf de splitsing van het oorspronkelijke perceel. Verder is de situatie inmiddels gewijzigd. De plant onder het boerenraam is verwijderd en de blauwe regen is verplaatst. Deze loopt alleen over de voorkant van de overkapping. Verder is het een gewoonte in West-Friesland om hortensia’s langs de gevel van een boerderij te laten groeien, aldus [gedaagde] .
4.21.
De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Weliswaar bevindt zich op het perceel van [gedaagde] binnen 50 centimeter van de erfgrens beplanting, maar de rechtbank is van oordeel dat dit op zich niet onrechtmatig is, mede bezien de geschiedenis van de percelen en de wijze waarop het oorspronkelijke perceel is gesplitst. Dat de takken van de blauwe regen zich vervlechten rond de rioolbuis naar de dakgoot van [eisers] , is niet onrechtmatig omdat die rioolbuis zich bevindt boven het perceel van [gedaagde] en overigens geen schade aan de buis toebrengen. Dat de wortels van de beplanting schade toebrengen aan de woning van [eisers] blijkt niet uit wat zij hebben aangevoerd.
Wel kan het onrechtmatige hinder voor [eisers] opleveren indien beplanting komt te hangen/staan voor de boerenramen in de gevel van de woning van [eisers] Daarvan lijkt in het verleden sprake te zijn geweest, maar de rechtbank heeft dat zelf niet kunnen constateren bij de bezichtiging. De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] ervoor zorgt dat dit niet (meer) zal gebeuren. Het rechtvaardigt in ieder geval niet de gevorderde verwijdering van de planten.
Ladderrecht [eisers]
4.22.
Volgens [eisers] weigert [gedaagde] te bevestigen dat [eisers] gebruik mogen maken van hun ladderrecht. [eisers] willen gebruik maken van hun ladderrecht om de dakgoot leeg te maken, de klimop te snoeien en om glazenwassers de ramen aan de buitenkant te laten schoonmaken. Verder zal binnenkort de muur geïnspecteerd moeten worden en moet deze naar alle waarschijnlijkheid hersteld worden. In het verleden stuurden [eisers] op verzoek van [gedaagde] hiervoor eerst per WhatsApp een aankondiging, maar dat is niet meer mogelijk omdat [gedaagde] heeft geblokkeerd. Recent heeft [gedaagde] de glazenwassers weggestuurd. [eisers] hebben daarom belang bij hun vordering betreffende het ladderrecht.
4.23.
[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat hij het ladderrecht respecteert. Hij wil ruim van te voren op de hoogte worden gesteld dat er werkzaamheden zullen plaatsvinden. De glazenwassers zijn weggestuurd omdat het [gedaagde] op dat moment niet uitkwam.
4.24.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde] krachtens artikel 5:56 BW Pro gehouden is toe te staan dat zijn erf tijdelijk wordt gebruikt indien dit voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de woning/het perceel van [eisers] noodzakelijk is. Dit na behoorlijke kennisgeving en, zo nodig, tegen schadeloosstelling. Dit is slechts anders als er voor [gedaagde] gewichtige redenen bestaan dit gebruik te weigeren of de werkzaamheden tot een later tijdstip te laten uitstellen. [gedaagde] heeft geen gewichtige redenen aangevoerd die een algehele weigering tot medewerking rechtvaardigen. Hij wil slechts “
volgens de regels” in kennis worden gesteld. Er zijn echter geen vastgelegde regels over de wijze van kennisgeving en de termijn. Het
behoorlijkevan de kennisgeving slaat zowel op de termijn waarbinnen de kennisgeving moet worden gedaan als op de inhoud van de kennisgeving. Degene te wiens laste het gebruik plaatsvindt, moet de aard en inhoud ervan kunnen beoordelen.
4.25.
Hoewel het tussen buren voor de hand zou liggen dat zij elkaar per WhatsApp kunnen bereiken, wil [gedaagde] dat kennelijk niet. De rechtbank zal daarom beslissen dat [gedaagde] moet meewerken aan door [eisers] , dan wel door [eisers] ingeschakelde derden te verrichten werkzaamheden aan de woning van [eisers] , zoals, bijvoorbeeld, het legen van de dakgoot, het snoeien van de klimop, het schoonmaken van de ramen aan de buitenzijde, de inspectie van de buitenmuur en indien nodig het herstel van de buitenmuur en dat hij hen daarvoor toegang tot zijn perceel moet verlenen op één of meerdere data die [eisers] – behoudens in geval van spoed –
minimaal 72 uurvan tevoren
schriftelijkaan [gedaagde] moeten hebben gemeld, waarbij [eisers] tevens zullen meedelen wat de aard en verwachte duur van de werkzaamheden is en of zij die zelf zullen uitvoeren of dat dit gebeurt door een door hen ingeschakelde derde (met vermelding van de naam van die derde). Om te voorkomen dat [gedaagde] lichtvaardig zijn medewerking weigert, zal de rechtbank aan deze veroordeling een dwangsom verbinden. Die wordt gematigd en gemaximeerd zoals is te lezen in de beslissing.
Schutting
4.26.
[gedaagde] wil een schutting plaatsen lopend vanaf de oostelijke punt van de boerderij tot aan de sloot. [eisers] hebben in reactie op deze vordering uiteengezet hoe zij kijken tegen de eigendom van, in het bijzonder, het betwiste gedeelte van de schuur en de vlonder. Zij hebben geen verweer gevoerd tegen het voornemen van [gedaagde] om een schutting te realiseren. De rechtbank zal deze vordering daarom toewijzen en wel zodanig dat de schutting zal lopen langs de juridische erfgrens.
Conclusie
4.27.
De conclusie is dat de door [eisers] gevorderde verklaring voor recht over de loop van de erfgrens wordt toegewezen. Net als hun vordering om [gedaagde] te veroordelen uitvoering te geven aan het ladderrecht van [eisers] De andere vorderingen van [eisers] worden afgewezen.
4.28.
De vordering van [gedaagde] om [eisers] te laten “
gehengen en gedogen dat [gedaagde] een schutting zal plaatsen” is toewijsbaar, met dien verstande dat de schutting moet lopen tegen de juridische erfgrens, waarbij de juridische erfgrens in de schuur en doorlopend naar de sloot afwijkt van de kadastrale erfgrens. Daarnaast moeten [eisers] [gedaagde] in de gelegenheid stellen om de schuur voor zover die op het perceel van [gedaagde] staat, af te breken en een nieuwe schuur op zijn eigen perceel te realiseren. Voordat [gedaagde] dat doet, moet hij wel [eisers] in de gelegenheid stellen om kenbaar te maken of zij hun eigen gedeelte van de schuur in stand willen laten en, zo ja, daartoe maatregelen te treffen.
4.29.
Omdat partijen over en weer op belangrijke punten in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die in dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat [eisers] eigenaar zijn van de strook grond gelegen tussen de kadastrale erfgrens tussen het perceel [adres 1] , [woonplaats] (kadastraal bekend gemeente Venhuizen, [kadastraalnummer 2] ) en het perceel [adres 2] , [woonplaats] (kadastraal bekend gemeente Venhuizen, [kadastraalnummer 3] ) en de scheidingswand in de schuur en het gedeelte in het verlengde van die scheidingswand lopende vanaf de schuur tot aan de sloot (het rood-gearceerde deel van de kaart in r.o. 2.4),
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] , dan wel door [eisers] ingeschakelde derden toegang te verlenen tot zijn perceel voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de uitoefening van het ladder recht van [eisers] zoals hiervoor beschreven onder 4.25, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat hij niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,00,
in reconventie
5.3.
veroordeelt [eisers] om te gehengen en te gedogen dat [gedaagde] tegen de juridische erfgrens tussen de erven van partijen, die loopt vanaf de oostelijke punt van de stolp tot aan de sloot, een schutting plaatst, waarbij [eisers] ook moeten gehengen en gedogen dat [gedaagde] de schuur voor zover die op het perceel van [gedaagde] staat, sloopt,
waarbij [eisers] binnen een maand na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] moeten meedelen of zij hun gedeelte van de schuur willen behouden en, voor het geval [eisers] hun gedeelte van de schuur willen behouden, [eisers] vervolgens tot drie maanden na betekening van dit vonnis de gelegenheid krijgen maatregelen te treffen waardoor hun gedeelte van de schuur ook na sloop van het gedeelte van de schuur van [gedaagde] behouden blijft,
in conventie en in reconventie
5.4.
verklaart dit vonnis voor de onderdelen 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.