ECLI:NL:RBNHO:2026:2863

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/15/373695 / JU RK 26-87
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds augustus 2022 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verblijft.

De minderjarige vertoont gedragsproblemen, waaronder geweldsincidenten en geslotenheid, en werkt niet mee aan hulpverlening. Hoewel er positieve ontwikkelingen zijn, zoals het hervatten van contact met de ouders en het starten van een opleiding, zijn deze nog pril en kwetsbaar. De ouders steunen het verzoek tot verlenging.

De kinderrechter oordeelt dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet kan worden weggenomen zonder gedwongen maatregelen. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 3 maart 2027. De beslissing is direct uitvoerbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 3 maart 2027.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/373695 / JU RK 26-87
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 januari 2026;
  • de toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming van het voorgenomen besluit tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing na twee jaar, ontvangen op 18 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- de GI, vertegenwoordig door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds 22 augustus 2022 bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] .
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 december 2023 [de minderjarige] voorlopig
onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Vervolgens heeft de kinderrechter bij
beschikking van 14 maart 2024 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verleend, welke nadien
steeds is verlengd en nog voortduurt tot 3 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 maart 2023 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend. Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking van 9 januari 2024 een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend. Daarna heeft de kinderrechter bij beschikking van 28 augustus 2024 een machtiging afgegeven om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Ten slotte heeft de kinderrechter bij beschikking van 3 maart 2025 een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 september 2025. Deze is nadien verlengd en duurt nog tot 3 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI onderbouwt het verzoek – samengevat – als volgt. De gezinshuisouder van het gezinshuis in [plaats] heeft eind juli/begin augustus 2025 aangegeven dat de plek niet passend is voor [de minderjarige] . De gezinshuisouder heeft verzocht om overplaatsing, waarna [de minderjarige] geplaatst is bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te [plaats] . Op de huidige groep in [plaats] staat [de minderjarige] niet open voor contact met de begeleiding, de gedragswetenschapper en de jeugdbeschermer. Ook is [de minderjarige] haar schoolgang gestagneerd. De begeleiding van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijft [de minderjarige] betrekken bij het maken van plannen en het stellen van doelen, maar zonder succes. Daarnaast heeft [de minderjarige] gezorgd voor geweldsincidenten en doet zij zorgwekkende uitspraken over wensen en fantasieën die zij heeft.
Positief is dat er stappen zijn gezet in het contactherstel met de ouders. [de minderjarige] heeft contact gezocht met de vader en zij is in november 2025 voor het eerst weer bij de ouders langsgegaan. Vanuit [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] is er nu een systeemtherapeut bij de ouders betrokken. Verder is de casus anoniem aangemeld bij het Regionaal Expert Team (hierna: RET). Het komende jaar moet het perspectief van [de minderjarige] worden bepaald en worden onderzocht wat de mogelijkheden en verwachtingen van de ouders zijn. Ook zal de schoolgang en dagbesteding van [de minderjarige] worden gemonitord.
3.3.
De GI heeft op de zitting aangegeven dat [de minderjarige] onlangs voor het eerst bij de jeugdbeschermer heeft aangegeven wat haar wensen zijn. [de minderjarige] wil het liefst zelfstandig wonen en dat er één keer in de maand iemand langskomt. Hoewel dat op zestienjarige leeftijd lastig te realiseren is, complimenteert de GI [de minderjarige] voor het feit dat zij aangeeft wat zij zelf wil.
Met het RET is overlegd dat de manier van begeleiden op de huidige woonvoorziening wordt aangepast om beter bij [de minderjarige] te kunnen aansluiten. [de minderjarige] zou tot haar achttiende jaar op de huidige groep kunnen blijven. Omdat de GI weet dat [de minderjarige] het liefst ergens anders zou willen wonen, zal de GI met haar in gesprek gaan over wat er nodig is om een nieuwe plek te vinden.

4.De standpunten

de vader
4.1.
De vader heeft op de zitting aangegeven achter het verzoek te staan. De vader vindt dat [de minderjarige] voor nu goed zit op [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . [de minderjarige] haar schoolgang komt net weer op gang en de school zit dichtbij de groep. De vader heeft niet het idee dat de loverboyproblematiek nog aan de orde is. [de minderjarige] zwerft ’s nachts namelijk niet meer over straat. Het contact tussen [de minderjarige] en de ouders is na lange tijd hersteld en zij komt nu vaak naar hen toe in [plaats] . De vader acht de kans klein dat [de minderjarige] ooit weer thuis komt wonen. Zij heeft daar nooit iets over gezegd. [de minderjarige] vertoont op [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] nog min of meer hetzelfde gedrag als zij deed toen zij nog thuis woonde. Als [de minderjarige] weer thuis zou komen wonen, is de kans groot dat zij na een paar weken weer weg is.
de moeder
4.2.
De moeder heeft op de zitting aangegeven achter het verzoek te staan. De moeder is voorstander van een begeleid wonen plek in een jeugdinstelling. Op deze manier kan [de minderjarige] zelfstandig naar school, maar moet zij zich wel aan bepaalde regels houden. [de minderjarige] komt sinds november 2025 steeds vaker bij de ouders langs. Deze bezoeken verlopen redelijk en het lukt de ouders, met kleine stapjes, om afspraken met [de minderjarige] te maken.

5.Het standpunt van de minderjarige

5.1.
[de minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij het niet fijn heeft op [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Zij trekt haar eigen plan en dat zal ook niet veranderen. [de minderjarige] vindt het niet fijn om dingen te delen met mensen die zij niet goed kent. Op de huidig groep is er veel verloop van personeel, waardoor zij verschillende begeleiders heeft gehad. [de minderjarige] geeft aan dat zij nog geslotener is geworden door de dingen die er zijn gebeurd bij jeugdzorg. Zij wil daar verder niets over zeggen. [de minderjarige] snapt dat er zorgen over haar zijn, maar de zorgen over de loverboyproblematiek zijn onterecht. [de minderjarige] weet niet of zij zichzelf ooit nog bij de ouders ziet wonen. Zij ziet haar ouders wel weer vaker en het contact tussen hen is nu prima. [de minderjarige] zou graag naar Noord-Holland verhuizen en het liefst zou zij in een gezinshuis of op een zelfstandige plek wonen. Verder volgt [de minderjarige] nu een opleiding. Zij is daar twee weken geleden mee begonnen en dit gaat goed.
6.
De beoordeling
6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De afgelopen periode heeft [de minderjarige] kleine stapjes in de goede richting gezet. Zij is recent gestart met een opleiding waarvoor zij gemotiveerd lijkt te zijn. Daarnaast heeft [de minderjarige] sinds oktober 2025 weer contact met de ouders en heeft zij bij de GI voor het eerst duidelijk haar wensen en behoeften uitgesproken. Ook is het positief dat de ouders geen actuele zorgen hebben over betrokkenheid van [de minderjarige] in het loverboycircuit. Hoewel deze ontwikkelingen hoop bieden voor de toekomst, zijn ze nog erg pril en kwetsbaar. Er zijn nog steeds zorgen over [de minderjarige] haar gedrag. Zij is gesloten, zelfbepalend, loopt vaak weg, gebruikt twee telefoons, zorgt voor geweldsincidenten en ze wil op geen enkele manier samenwerken met de GI. Het is van belang dat de GI betrokken blijft om de prille positieve ontwikkelingen van [de minderjarige] te monitoren en haar te motiveren om hulpverlening aan te gaan.
6.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. [de minderjarige] heeft in het verleden aan geen enkele hulpverlening meegewerkt.
6.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
6.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] [de minderjarige] kan op dit moment niet terug naar de ouders. Zij heeft na maanden geen contact te hebben gehad met haar ouders pas recent weer contact met hen. De zorgen die er waren om [de minderjarige] haar gedrag zijn nog onverminderd aanwezig. De stap om [de minderjarige] weer thuis te plaatsen is daarom te groot.
[de minderjarige] heeft aangegeven dat zij het niet prettig heeft op [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . De kinderrechter benadrukt dat het van belang is dat [de minderjarige] open is over haar wensen en meewerkt aan noodzakelijk geachte diagnostiek, zodat een passende vervolgplek kan worden gezocht. Een goede eerste stap is dat [de minderjarige] onlangs bij de jeugdbeschermer haar wensen heeft aangegeven. De uithuisplaatsing zal in de eerste instantie een voortzetting op [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] inhouden. Als de mogelijkheid zich voordoet, kan een andere accommodatie van een jeugdhulpaanbieder worden aangewezen die beter aansluit bij de wensen en behoeften van [de minderjarige] .
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige]tot 3 maart 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 maart 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. W.P. van der Haak, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Apon als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.