Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2858

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
15/204108-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77l SrArt. 13 WWM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak diefstal en poging afpersing, veroordeling verboden wapenbezit boksbeugel

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 3 maart 2026 een jeugdstrafzaak tegen verdachte die werd verdacht van diefstal met geweld in vereniging, poging tot afpersing in vereniging en het voorhanden hebben van een boksbeugel als verboden wapen.

De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was voor de diefstal en poging tot afpersing. De verdachte werd vrijgesproken van deze feiten omdat niet kon worden vastgesteld dat hij bewust en nauw samenwerkte met mededaders of op de hoogte was van de criminele intenties. De verdachte verbleef grotendeels in de auto en had geen significante bijdrage aan de strafbare feiten.

Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte op 21 juni 2024 een boksbeugel, een wapen van categorie I, bij zich had en droeg. Dit werd als strafbaar feit aangemerkt. De rechtbank legde een geldboete van €120,- op, met een dag jeugddetentie als vervangende sanctie bij niet-betaling.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de feiten waarop de schadevordering was gebaseerd niet bewezen waren. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn positieve ontwikkeling en het lage recidiverisico, en met de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van diefstal en poging afpersing, veroordeeld tot geldboete voor bezit boksbeugel; schadevordering afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/204108-24
Uitspraakdatum: 3 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 17 februari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:
  • de verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Alkmaar, en
  • [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Alkmaar
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
en mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door tegen die [de benadeelde partij] te zeggen:"Niffo, als je niet gaat betalen krijg je sowieso kofferbak, als ik nu een pistool in je mond zet ga je wel namen geven, ik schiet je gewoon dood als je niet doet wat ik zeg"
en/of de telefoon van die [de benadeelde partij] af te pakken;
2.
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Alkmaar
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf
om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 2.000 euro, in elk geval enig geldbedrag dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij] en/of een derde toebehoorde(n)
tegen die [de benadeelde partij] heeft/hebben gezegd: "Niffo, als je niet gaat betalen krijg je sowieso kofferbak, als ik nu een pistool in je mond zet ga je wel namen geven, ik schiet je gewoon dood als je niet doet wat ik zeg"
en/of de mobiele telefoon uit zijn hand heeft/hebben gepakt
en/of (vervolgens) tegen die [de benadeelde partij] heeft/hebben gezegd dat hij in elkaar zou worden geslagen als hij niet zou meewerken althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking
en/of die [de benadeelde partij] heeft/hebben gedwongen om de inloggegevens van zijn bankrekening en/of zijn telefoon te geven (teneinde het rekeningsaldo te kunnen zien)
en/of (vervolgens) tegen die [de benadeelde partij] heeft gezegd dat hij zou worden omgelegd en/of doodgemaakt als hij niet zou meewerken althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking
en/of die [de benadeelde partij] heeft/hebben bedreigd met een boksbeugel de daglimiet van de bankrekening van die [de benadeelde partij] heeft/hebben verhoogd/laten verhogen
en/of 2.000 euro heeft/hebben overgeboekt/ laten overboeken naar de lopende rekening van die [de benadeelde partij]
en/of (vervolgens) de telefoon van die [de benadeelde partij] (opnieuw) heeft/hebben afgepakt
en hem naar de pinautomaat heeft/hebben gestuurd om het geldbedrag op te nemen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Alkmaar,
een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie,
te weten een boksbeugel,
voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is vrijspraak bepleit van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 3. ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak van feit 1 en feit 2
Volgens de verdachte wist hij niet dat [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1] ) aangever [de benadeelde partij] (hierna te noemen: aangever) zou proberen af te persen en zijn telefoon zou stelen en was hij daar ook niet bij betrokken. Hij is met [naam 1] , [naam 2] (hierna te noemen: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna te noemen: [naam 3] ) meegegaan naar de aangever, maar zat bijna de hele tijd in de auto op zijn telefoon. De verdachte heeft niets meegekregen van wat er zich buiten tussen [naam 1] en [naam 2] enerzijds en de aangever anderzijds heeft afgespeeld, aldus de verdachte.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. tenlastegelegde heeft begaan en zal de verdachte hiervan vrijspreken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Voor een veroordeling voor medeplegen moet vast komen te staan dat bij het begaan van de feiten sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededaders. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders. De bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal ook dan van voldoende gewicht moeten zijn. Daarnaast geldt een dubbel opzetvereiste. De verdachte moet zowel opzet op de onderlinge samenwerking met de mededaders hebben gehad, als opzet op het gronddelict: in dit geval de diefstal en de poging tot afpersing.
Op basis van het strafdossier en het onderzoek op de terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
De aangever heeft verklaard dat hij op 21 juni 2024 door [naam 1] is afgeperst en dat daarbij ook zijn telefoon is afgepakt. Daarbij waren de verdachte, [naam 2] en [naam 3] in wisselende samenstelling aanwezig. Hieraan voorafgaand, op 20 juni 2024, hadden de verdachte, [naam 2] en [naam 3] een confrontatie met aangever gehad die is uitgelopen op geweld. Dit conflict zou door [naam 1] worden uitgepraat. Dat is de reden dat [naam 1] op 21 juni 2024 met aangever heeft afgesproken voor het bedrijf waar aangever werkte, nabij restaurant [restaurant] , alwaar de afpersing en de diefstal hebben plaatsgevonden.
Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte overweegt de rechtbank als volgt. De avond na de confrontatie op 20 juni 2024 heeft de verdachte via Snapchat contact gehad met het profiel [profiel] , het Snapchataccount van [naam 1] . Ook op 21 juni 2024 heeft de verdachte contact met [naam 1] gehad. Uit deze berichten leidt de rechtbank af dat [naam 1] op zoek is geweest naar de contactgegevens van de aangever, dat de aangever om 17:00 uur klaar zou zijn met werken en dat afgesproken is in welke volgorde de verdachte [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] zou ophalen om vervolgens naar het werk van de aangever te rijden. Daar aangekomen heeft het gesprek tussen [naam 1] en [naam 2] met de aangever plaatsgevonden, terwijl de verdachte en [naam 3] in de auto zaten. De verdachte is op enig moment uit de auto gestapt, is bij de groep gaan staan en is kort daarna weer in de auto gaan zitten. In de auto heeft de verdachte via Snapchat contact gehad met [naam 1] . Nadat [naam 1] en [naam 2] weer in de auto hadden plaatsgenomen, zijn de verdachte en de aangever los van elkaar richting de [supermarkt] op het [plein] gereden, waar de aangever zou moeten pinnen. Aldaar zijn [naam 1] en [naam 2] uit de auto gestapt en hebben daar met de aangever onder een afdakje gestaan. De verdachte is met [naam 3] in de auto blijven zitten en is kort daarna door de politie aangehouden
Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat bij de verdachte ten aanzien van de poging tot afpersing en de diefstal sprake is geweest van een vooropgezet plan. De omstandigheid dat de verdachte [naam 1] bij het conflict heeft betrokken, daarover (via Snapchat) contact met hem heeft gehad en hem zelfs (mogelijk) heeft gevraagd om de boel op te lossen is hiervoor onvoldoende. Immers valt op basis van het dossier niet uit te sluiten dat alleen maar een stevig gesprek zou plaatsvinden, zoals verdachte heeft verklaard. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de verdachte enige rol heeft gehad in de voorbereiding van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank kan evenmin vaststellen dat de verdachte enige rol heeft gehad in de uitvoering van de ten laste gelegde feiten. De verdachte is namelijk steeds in de auto blijven zitten. Hij heeft zich één keer met het gesprek bemoeid, maar over wat daar toen door de verdachte is gezegd zijn de meningen verdeeld. Dit gesprek, waarvan de inhoud dus niet is vast te stellen, is onvoldoende om te kunnen spreken van een bijdrage van voldoende gewicht. Vooral omdat de rechtbank niet kan vaststellen of de verdachte van de afpersing en de diefstal wist en wat hij daarvan heeft meegekregen terwijl hij in de auto zat.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat van enige cruciale rol bij de totstandkoming en de uitvoering van de poging tot afpersing en de diefstal niet is gebleken. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de bedoeling van zijn mededaders, evenmin dat hij de op de misdrijven gerichte (voorwaardelijke) opzet had.
De rechtbank is om die reden van oordeel dat onvoldoende bewijs is voor de nauwe en bewuste samenwerking die voor de bewezenverklaring van het medeplegen is vereist. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van feit 1 en feit 2.
3.3.2.
Redengevende feiten en omstandigheden van feit 3
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat tot bewezenverklaring van het onder 3. ten laste gelegde feit.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 21 juni 2024 te Alkmaar,
een wapen, van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie,
te weten een boksbeugel,
voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor alle feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, subsidiair 50 (vijftig) dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – voor zover hier van belang – bepleit dat aan de verdachte voor feit 3 een geldboete van € 240,- wordt opgelegd.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen sanctie rekening gehouden met de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit. De verdachte heeft verklaard dat het bij zich dragen van de boksbeugel een kwajongenstreek was. Wat daar ook van zij, de verdachte had een wapen ter beschikking waarmee ernstige vrees en potentieel aanzienlijk letsel kon worden aangejaagd en toegebracht.
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte uitstaand Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 27 augustus 2025 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad.
In dit rapport staat onder meer dat de verdachte een positieve ontwikkeling laat zien. Er zijn geen zorgen over de thuissituatie, de vrijetijdsbesteding en de sociale contacten van de verdachte. Het recidiverisico wordt daarom als (heel) laag ingeschat. Mocht de verdachte worden veroordeeld, dan adviseert de Raad (voor alle feiten) tot oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf.
De Raad heeft het advies ter terechtzitting gehandhaafd.
Bij de straftoemeting heeft de rechtbank verder ten voordele van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn in jeugdzaken in deze strafzaak met vier maanden is overschreden.
Nu de rechtbank slechts tot een bewezenverklaring van feit 3. komt, zal de rechtbank een andere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De verdachte is inmiddels meerderjarig en heeft een vaste baan. Een taakstraf, zoals door de Raad geadviseerd, zou voor de verdachte onevenredig zwaar uitvallen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een geldboete van de hierna te noemen hoogte moet worden opgelegd.

7.Vordering benadeelde partij

De wettelijke vertegenwoordiger van de benadeelde partij [de benadeelde partij] , [de wettelijke vertegenwoordiger] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 33.338,- ingediend, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule. De gestelde schade bestaat uit de materiële schade van € 30.888,- en de immateriële schade van € 950,-, die als gevolg van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zou zijn geleden. Daarnaast heeft [de wettelijke vertegenwoordiger] een schadebedrag van € 1.500,- gevorderd, bestaande uit affectieschade.
De rechtbank is van oordeel dat, nu niet wettig en overtuigend is bewezen wat aan de verdachte onder de feiten 1. en 2. ten laste is gelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op die ten laste gelegde feiten, kan worden ontvangen.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 63, 77a, 77g, 77l van het Wetboek van Strafrecht,
artikel 13, 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1. en 2. is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van
€ 120,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie.
Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.E. Voskens, voorzitter,
mrs. A.K. Mireku en T. Fuchs, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 maart 2026.
Mr. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.