Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2857

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
15/404965-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen ontploffing met gemeen gevaar voor goederen

De rechtbank Noord-Holland heeft op 3 maart 2026 uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een verdachte die samen met anderen op 7 december 2024 een ontploffing met zwaar vuurwerk (een Cobra) bij een woning in Hoorn heeft veroorzaakt. De verdachte werd primair ten laste gelegd dat zij medepleger was van deze ontploffing, waarbij gemeen gevaar voor goederen bestond.

De rechtbank achtte op basis van verklaringen en bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte een cruciale rol speelde bij de voorbereiding en uitvoering van de explosie, waaronder het aanwijzen van de woning en het regelen van het vuurwerk. Hoewel zij niet zelf de ontploffing tot stand bracht, was haar bijdrage voldoende voor medeplegen. De verdediging pleitte vrijspraak, stellende dat slechts medeplichtigheid aan de orde was, maar dit werd verworpen.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 100 uur, waarvan 40 uur onvoorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een vervangende jeugddetentie bij niet-nakoming. De tijd in voorlopige hechtenis werd in mindering gebracht. De vorderingen van benadeelde partijen tot immateriële schadevergoeding werden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag, terwijl de materiële schade van €41,96 werd toegewezen met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de positieve ontwikkeling van de verdachte en het lage recidiverisico. Het geschorste bevel tot bewaring werd opgeheven. De uitspraak werd gedaan door drie kinderrechters, waarvan één niet kon medeondertekenen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur werkstraf met proeftijd en toegewezen materiële schadevergoeding; immateriële schadevorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/404965-24
Uitspraakdatum: 3 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 17 februari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:
- de verdachte en haar raadsman, mr. M.G. van Wijk, advocaat te Hoorn;
- [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);
- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de jeugdreclassering)
naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na de ter zitting van 17 februari 2026 toegestane wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
Primair
zij op of omstreeks 7 december 2024 te Hoorn,
opzettelijk
tezamen en in vereniging met een of meer anderen
een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht
bij een pand (woning), gelegen aan de [adres]
door bij voornoemd pand [zwaar] vuurwerk [een Cobra], in elk geval een explosief tot ontsteking en/of ontbranding te brengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen,
te weten dat pand gelegen aan de [adres] en/of
aangrenzende panden en/of
de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
de in de directe nabijheid van dat/die pand[en] geparkeerd staande voertuigen
te duchten was;
Subsidiair
[naam 1] op of omstreeks 7 december 2024 te Hoorn,
opzettelijk
tezamen en in vereniging met een of meer anderen
een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht
bij een pand (woning), gelegen aan de [adres]
door bij voornoemd pand [zwaar] vuurwerk [een Cobra], in elk geval een explosief
tot ontsteking en/of ontbranding te brengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen,
te weten dat pand gelegen aan de [adres] en/of
aangrenzende panden en/of
de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
de in de directe nabijheid van dat/die pand[en] geparkeerd staande voertuigen
te duchten was
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 7 december 2024 te Hoorn
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,
door
- vuurwerk [een cobra] voor die [de benadeelde partij 1] te regelen en/of
- vuurwerk [een cobra] aan die [de benadeelde partij 1] te geven en/of
- er herhaaldelijk bij die [de benadeelde partij 1] op aan te dringen dat hij bovenomschreven misdrijf moest plegen en/of
- met die [de benadeelde partij 1] mee te gaan naar de [adres] en/of
- die [de benadeelde partij 1] aanwijzingen te geven omtrent de uitvoering van voormeld misdrijf.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.3.2.
Bewijsmotivering
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen. De verdachte heeft namelijk geen wezenlijke bijdrage geleverd aan het veroorzaken van de explosie, omdat zij alleen is meegegaan en aanwijzingen heeft gegeven omtrent de uitvoering. Dit maakt dat slechts sprake is van medeplichtigheid, aldus de raadsman.
De rechtbank verwerpt dit verweer, komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en overweegt daartoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat bij de ontploffing vier mensen waren betrokken: de verdachte, [naam 2] , haar broer [naam 1] en [naam 3] . Volgens deze laatste drie personen, is het allemaal de schuld van de verdachte geweest. Het was haar idee om de cobra bij het huis van haar ex-vriendje te laten ontploffen, zij heeft [naam 1] daartoe gedwongen en ook de cobra daarvoor geregeld. De verdachte heeft een ander verhaal. Volgens de verdachte heeft zij samen met [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] het plan bedacht om de cobra bij het huis van de aangevers tot ontploffing te brengen. De verdachte heeft via Snapchat en Google Maps de woning van de slachtoffers aangewezen en gezegd dat de cobra beter buiten de woning zou moeten worden neergelegd. Voorafgaand aan het feit heeft de verdachte in de woning van de [naam 1 en 2] de cobra gezien. Vervolgens is de verdachte samen met de drie anderen naar de woning van de slachtoffers gefietst. Daar heeft [naam 1] de cobra bij de woning van de slachtoffers tot ontsteking gebracht, terwijl de verdachte en de twee anderen op een afstand stonden toe te kijken. De groep is hierna gezamenlijk weggefietst, terug naar de woning van de [naam 1 en 2] . Aldaar heeft de verdachte de gemaakte filmopname van de ontploffing bij de woning meermalen bekeken.
Uitgaande van de verklaring van de verdachte, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte en de anderen van het begin tot het einde hebben samengewerkt om de explosie te laten plaatsvinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededaders is komen vast te staan. Hoewel de verdachte niet zelf de cobra bij de woning tot ontploffing heeft gebracht, is haar bijdrage aan het tenlastegelegde van zodanig gewicht dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat
zij op 7 december 2024 te Hoorn,
opzettelijk
tezamen en in vereniging met anderen
een ontploffing teweeg heeft gebracht
bij een pand (woning), gelegen aan de [adres]
door bij voornoemd pand zwaar vuurwerk, een Cobra, tot ontsteking te brengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen,
te weten dat pand gelegen aan de [adres] en
het in de directe nabijheid van dat pand geparkeerd staande voertuig te duchten was.
De taal- en schrijffouten in de tenlastelegging zijn verbeterd. Volgens wat op de zitting is besproken, is de verdachte hierdoor niet in haar verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders aan de verdachte ten laste is gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk een ontploffing
teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 50 (vijftig) dagen, waarvan 48 (achtenveertig) dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, subsidiair 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, mede gelet op de bepleite vrijspraak voor het primair tenlastegelegde, verzocht de verdachte een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren op te leggen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen sanctie rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.
6.3.1.
Aard en ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning. Daartoe is de verdachte op de vroege ochtend van 7 december 2024 met anderen naar de woning van haar ex-vriendje gefietst om aldaar een cobra tot ontploffing te brengen, kennelijk vanwege een ogenschijnlijk geringe ruzie. De ontploffing heeft schade aan de woning veroorzaakt. Ook heeft de ontploffing gevoelens van onrust en onveiligheid bij de bewoners van de woning teweeggebracht, zoals blijkt uit hun vorderingen tot schadevergoeding. Dat de verdachte hieraan een bijdrage heeft geleverd, terwijl zij zich bewust was van het te veroorzaken gevaar en de voorzienbare schade, rekent de rechtbank haar aan.
6.3.2.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Ook heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 9 februari 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad.
Uit dit rapport blijkt onder meer dat de verdachte een positieve ontwikkeling laat zien. Er zijn geen zorgen over de gezinssituatie, de dagbesteding en de beïnvloedbaarheid van de verdachte en het lukt haar voldoende om afstand te houden van antisociale vrienden. Het recidiverisico wordt daarom als heel laag ingeschat. Mocht de verdachte worden veroordeeld, dan adviseert de Raad tot oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf. Gelet op de positieve ontwikkeling van de verdachte en de omstandigheid dat zij zich ruim een jaar aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, ziet de Raad geen meerwaarde in het continueren van het toezicht en de begeleiding van de jeugdreclassering.
De Raad heeft het advies ter terechtzitting gehandhaafd.
De jeugdreclassering heeft zich achter het advies van de Raad geschaard. Verder heeft de jeugdreclassering naar voren gebracht dat uit het onderzoek bij ‘Centrum het Antwoord’ is gebleken dat de verdachte moeilijkheden ondervond met ‘nee’ zeggen en weerbaarder moest worden. De jeugdreclassering ziet dat de verdachte de afgelopen periode positieve stappen vooruit heeft gezet. De doelen van de begeleiding zijn daarom behaald.
6.3.3.
Op te leggen sanctie
De rechtbank merkt op dat de officier van justitie met haar strafeis, gebaseerd op de (naar de rechtbank begrijpt) in voorbereiding zijnde Amsterdamse richtlijn voor dergelijke feiten, kennelijk een ander vertrekpunt dan de rechtbank hanteert.
Bij de beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank als vertrekpunt aansluiting gezocht bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken voor brandstichting (artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht) met aanzienlijke schade voor goederen. Daarbij heeft de rechtbank als strafverzwarende omstandigheden meegenomen dat het feit in vereniging is gepleegd en dat de verdachte daarbij, mede door het aanwijzen van de woning, een cruciale rol heeft gespeeld.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd van 2 (twee) jaren verbinden, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank zal ook bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit
vonnis in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht. De rechtbank zal voorts bepalen dat het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
6.3.4.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot bewaring van de verdachte opheffen.

7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Vorderingen
De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.041,96 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade, ter grootte van € 41,96 (buitenlamp), en immateriële schade, ter grootte van € 3.000,-, die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule.
Daarnaast heeft de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van beide benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft (primair) verzocht de benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] in hun respectievelijke vorderingen tot vergoeding van de gestelde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren wegens een gebrek aan onderbouwing. Subsidiair is verzocht de gevorderde bedragen voor de immateriële schade fors te matigen en in dit geval niet de hoofdelijkheidsclausule op te leggen. Ten aanzien van het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] , heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
7.4.1.
Materiële schade van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit (kort gezegd: het teweegbrengen van een ontploffing, met gemeen gevaar voor goederen). Dit deel van de vordering zal daarom als onweersproken tot een bedrag van € 41,96 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding voor dit deel van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat bij een strafbaar feit waarbij de schade is veroorzaakt door een onrechtmatige gedraging van twee of meer personen, geen ruimte bestaat om af te wijken van de wettelijke hoofdelijke aansprakelijkheid voor betaling van de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
7.4.2.
Immateriële schade van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2]
Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft geen van beide benadeelde partijen voldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële schadevergoeding in hun geval van toepassing is. De rechtbank overweegt hierbij dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard, het medeplegen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen. De omstandigheid dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde zijn geschrokken, stressklachten hebben ontwikkeld en gevoelens van onrust en onveiligheid hebben gekregen waardoor zij hun woning eerder hebben verkocht – hoe voorstelbaar ook – vormt onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat zij op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de ontploffing met gemeen gevaar voor goederen voor de benadeelden zodanig voor de hand liggen dat zonder meer aantasting van de persoon kan worden aangenomen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat hoewel de ontploffing direct aan de woning van de benadeelde partijen heeft plaatsgevonden, zij hier pas de volgende ochtend wat van hebben gemerkt. Het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard. De vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] zal daarom in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
De benadeelde partijen kunnen de (delen van de) vordering die niet ontvankelijk worden verklaard desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
Artikel 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van
100 (honderd) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot
40 (veertig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
2 (twee) jaren.
Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van deze werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht 2 (twee) uren taakstraf, subsidiair 1 (één) dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 1]geleden materiële schade tot een bedrag van
€ 41,96, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij
[de benadeelde partij 1]niet-ontvankelijk in het meer of anders als immateriële schade gevorderde.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 41,96, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij
[de benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Heft op het reeds geschorste bevel tot bewaring van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mrs. C.E. Voskens en T. Fuchs, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 maart 2026.
Mr. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.