Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2833

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/15/371734 / JU RK 25-1607
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met intensieve zorgvraag

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met het Coffin-Siris syndroom, die een intensieve zorgvraag heeft en verblijft in een gespecialiseerde woongroep. De ouders verschillen van mening over de zorg en contactmomenten, waardoor de gecertificeerde instelling (GI) regie moet kunnen voeren.

De kinderrechter heeft de stukken bestudeerd en een zitting met gesloten deuren gehouden, waarbij de ouders en de GI aanwezig waren. Vanwege de kwetsbaarheid van de minderjarige is hij niet uitgenodigd voor een kindgesprek, maar dit kan bij een volgende zitting wel gebeuren.

De minderjarige verblijft merendeels op de woongroep, waar hij tot rust komt en goed functioneert. De moeder werkt mee en staat achter de plaatsing, terwijl de vader zich heeft neergelegd bij de situatie maar meer contact wenst. De kinderrechter acht de verlenging van de machtiging noodzakelijk om de plaatsing juridisch te borgen en de regie van de GI te waarborgen.

De machtiging wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 4 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 4 juli 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/371734 / JU RK 25-1607
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
advocaat: mr. S. Kuijs, kantoorhoudende te Heiloo,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 27 november 2025 en de daarbij behorende stukken;
  • de brief van de GI van 26 februari 2026, ontvangen op dezelfde datum;
  • de brief van de vader, ontvangen op 3 maart 2026;
  • het plan van aanpak van 3 maart 2026, ontvangen op 4 maart 2026.
1.2.
Op 6 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
Gezien de kwetsbaarheid en ontwikkelingsleeftijd van [de minderjarige] , is ervoor gekozen om hem niet uit te nodigen voor een kindgesprek. Ter zitting is met de ouders besproken dat hij bij een volgende zitting wel uitgenodigd kan worden voor een kindgesprek. Het is een uitnodiging; [de minderjarige] is dan niet verplicht om met de kinderrechter te praten.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij de [groep] (onderdeel van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ) te [plaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 juli 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 4 juli 2026.
2.4.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 juli 2025:
- de moeder vervangende toestemming verleend om ten behoeve van [de minderjarige] , zo spoedig
mogelijk een zorg- en dienstverleningsovereenkomst met [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] aan te gaan
ter plaatsing van [de minderjarige] bij de [groep] ;
- de moeder vervangende toestemming verleend om ten behoeve van [de minderjarige] , na voornoemde
plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] (de [groep] ) met het oog op optimale behandeling
van [de minderjarige] mede met betrekking tot zijn Coffin-Siris syndroom, adviezen van de betrokken
deskundigen op te volgen in de breedste zin, waaronder de inzet van (para)medische,
pedagogische dan wel psychologische hulpverlening.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 november 2025 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 december 2025. Bij beschikking van 27 november 2025 is voornoemde beschikking gehandhaafd, en is de machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 12 maart 2026, met aanhouding van de beslissing op het verzoek voor het overige.

3.Het verzoek

3.1.
De GI handhaaft het aangehouden deel van het verzoek en verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige] doet het goed op de groep de [groep] en komt hier tot rust. Het is de bedoeling dat [de minderjarige] gaat opgroeien op de groep. De moeder werkt mee aan de afspraken en staat achter de plaatsing van [de minderjarige] . De vader zegt achter de plaatsing te staan, maar blijft uitspraken doen waardoor hij lijkt te ageren tegen de plek van [de minderjarige] op de groep. Daarnaast voldoet de vader niet aan de voorwaarden die gesteld zijn door de GI voor het bezoek aan [de minderjarige] . Omdat sprake is van een ondertoezichtstelling en gezien de houding van de vader, is de GI van mening dat een machtiging tot uithuisplaatsing nodig is voor en dat regie moet worden gevoerd op de plaatsing van [de minderjarige] op de groep.
4.
De standpunten
4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek. Het is van belang dat [de minderjarige] op de groep kan opgroeien en geen last heeft van de spanningen eromheen. De ouders kunnen dit niet samen vormgeven en daarom is het van belang dat de GI regie voert. De moeder heeft verteld dat goed is gekeken naar wie [de minderjarige] is en wat hij nodig heeft. De [groep] is een fijne en veilige plek voor [de minderjarige] . Hij gaat er blij heen en komt er blij vandaan. Wanneer [de minderjarige] thuis is, hebben de moeder en de broers van [de minderjarige] weer energie om er voor hem te zijn.
4.2.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij zich heeft neergelegd bij het verblijf van [de minderjarige] bij de [groep] . De vader wordt er verdrietig van dat hij steeds omschreven wordt als boze vader die zich niet aan de afspraken houdt. Hij wil graag een liefhebbende vader zijn voor [de minderjarige] en uitbreiding van het contact, maar dat wordt hem onmogelijk gemaakt. [de minderjarige] raakt niet alleen geïsoleerd van de vader maar ook van zijn familie en omgeving. De vader heeft iedere woensdag vier uur contact met [de minderjarige] en dat verloopt goed.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. [de minderjarige] heeft het Coffin-Siris syndroom met een IQ tussen de 35 en 55 en (kenmerken van) autisme. [de minderjarige] heeft hierdoor zowel fysieke problemen als gedragsproblemen en heeft een intensieve zorgvraag. Op de groep de [groep] lijken zij aan deze opvoedvraag te kunnen voldoen. [de minderjarige] verblijft inmiddels merendeels op de groep; van dinsdag uit school tot vrijdagmiddag. In de weekenden is [de minderjarige] bij de moeder en op woensdagmiddag heeft [de minderjarige] contact met de vader. Gezien wordt dat [de minderjarige] het goed doet op de groep. De [groep] is een prikkelarme omgeving en [de minderjarige] komt daar tot rust. Wanneer hij daar behoefte aan heeft, kan [de minderjarige] het contact opzoeken met kinderen op de andere groepen. Ook de contactmomenten met de ouders verlopen goed. De moeder heeft aangegeven dat zij blij is als [de minderjarige] thuis is en zij dan hernieuwde energie heeft om voor hem te zorgen. Ook wordt gezien dat [de minderjarige] met plezier naar de vader gaat.
5.3.
Omdat sprake is van een ondertoezichtstelling en [de minderjarige] niet bij (één van) de gezaghebbende ouders woont, is het nodig om de plaatsing van [de minderjarige] juridisch te borgen middels een machtiging tot uithuisplaatsing. Daarnaast verschillen de ouders van visie over de zorg van en de contactmomenten met [de minderjarige] , en is het nodig dat de GI hierop regie kan voeren. Hierbij vindt de kinderrechter het van belang dat aandacht moet zijn voor het contact met beide ouders, en met name voor de mogelijkheden van uitbreiding van het contact met de vader. De vader heeft aangegeven dat hij graag meer contact wil met [de minderjarige] en dat ook zijn familie [de minderjarige] mist. Uit het dossier en de bespreking ter zitting blijkt dat de contactmomenten met de vader [de minderjarige] goed doen. Het is belangrijk voor [de minderjarige] om te ervaren dat hij twee liefhebbende ouders heeft, die graag voor hem willen zorgen. Het is aan de GI als regievoerder om te beoordelen welk contact met de afzonderlijke ouders in het belang van [de minderjarige] is.
5.4.
De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 4 juli 2026.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 4 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 18 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.