Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2720

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
11582438 \ CV EXPL 25-1573
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:34 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling van openstaande btw over juridische werkzaamheden geweigerd door opdrachtgever

Eiser heeft in februari 2023 juridische werkzaamheden verricht voor gedaagde, waarbij een vaste prijs van €3.000 exclusief btw was afgesproken. Gedaagde betaalde een voorschot via haar rechtsbijstandsverzekeraar DAS, die de €3.000 exclusief btw betaalde, maar de btw van €630 bleef onbetaald. Eiser stuurde meerdere aanmaningen aan zowel DAS als gedaagde, maar betaling bleef uit.

Gedaagde stelde dat zij bevrijdend aan DAS had betaald en daarom niet aan eiser hoefde te betalen. De rechtbank oordeelde dat gedaagde niet aannemelijk had gemaakt dat zij bevrijdend had betaald, omdat uit de opdrachtbevestiging en correspondentie bleek dat de btw door gedaagde zelf moest worden voldaan. De vordering van eiser tot betaling van €630 btw, vermeerderd met rente en incassokosten, werd daarom toegewezen.

Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van €94,50 en wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na factuurdatum toegewezen. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van €730,47 en wettelijke rente over deze kosten bij niet-tijdige betaling. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €630 btw, incassokosten, rente en proceskosten wegens niet-nakoming betalingsverplichting.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11582438 \ CV EXPL 25-1573
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.P.A. Knol,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2]
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. N. Adrichem

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2025, met 3 producties;
- de conclusie van antwoord van 23 juli 2025;
- de conclusie van repliek van 1 oktober 2025;
- de conclusie van dupliek van 29 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] op of omstreeks februari 2023 juridische werkzaamheden verricht.
2.2.
In de opdrachtbevestiging, verzonden naar [e-mailadres 1], staat het volgende:
“(…) U en ik de volgende financiële afspraken gemaakt. Het bestuderen van de processtukken en het uitbrengen van een schriftelijk cassatieadvies kost € 3.000,00 nog te vermeerderen met de btw. Het gaat hier om een vaste prijstafspraak (…)
Een bedrag van € 2.000,00 nog te vermeerderen met de btw zal [gedaagde] bv als voorschot betalen. Het resterende bedrag van € 1000,00 ex btw zult [gedaagde] bv voldoen nadat het cassatieadvies is uitgebracht. (…) Bijgaand doe ik u de voorschotnota toekomen. Zodra [gedaagde] bv deze heeft betaald (…), kunt u op zijn vroegst pas over 2 weken daarna mijn schriftelijke cassatieadvies tegemoet zien. (…)”
2.3.
Op 1 maart 2023 bericht DAS met [e-mailadres 1] in de cc als volgt:
“ (…) Hierbij verstrekt DAS, namens verzekerde, in het kader van de door verzekerde afgesloten rechtsbijstandsverzekering, aan u de opdracht voor het uitbrengen van een cassatieadvies voor [gedaagde] B.V.
(…)
Gegevens verzekerde
[gedaagde] B.V.
(…)
Vergoeding van kosten
Fixed fee van E 3.000 exclusief BTW. De factuur zal door DAS aan opdrachtnemer worden voldaan. (…)
BTW
Dit dossier betreft een zakelijk geschil. Onze verzekerde kan dan ook de BTW over de te betalen advocaatkosten verrekenen, deze kosten komen niet voor vergoeding onder de rechtsbijstandverzekering in aanmerking. DAS zal uw factuur exclusief BTW voldoen. U dient de cliënt een kopie van de factuur te sturen met het verzoek de BTW te betalen. (…)
2.4.
Op 21 juni 2023 heeft [eiser] een declaratie naar [e-mailadres 2] en [e-mailadres 1] verzonden met het verzoek om € 1.630,00 te betalen. Van dit bedrag heeft € 630,00 betrekking op 21% BTW over € 3.000,00.
2.5.
Bij e-mails van 28 augustus 2023 en 25 september 2023 heeft [eiser] DAS en [gedaagde] aangemaand om het hiervoor genoemde bedrag te betalen.
2.6.
Op 10 oktober 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht:
“(…) Inmiddels heeft DAS Rechtsbijstand mijn honorarium ad € 1.000,00 exclusief 21% btw betaald. De btw hierover wordt niet betaald door DAS, zoals u weet, omdat [gedaagde] deze in mindering kan brengen op haar btw-aangifte. Het hiermee gemoeide bedrag is € 630,00. De betalingstermijn van deze declaratie is overigens al ruimschoots verstreken. Ik heb [gedaagde] herhaaldelijke keren verzocht om te betalen. (…)
Daarom wordt [gedaagde] gesommeerd om het totaalbedrag € 630,00 onmiddellijk over te maken (…).”

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 630,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] - ondanks aanmaning - niet tot volledige betaling van de declaratie van 21 juni 2023 is overgegaan. Doordat [gedaagde] niet tot betaling is overgegaan is zij ook de buitengerechtelijke incassokosten en rente verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Voorts verzoekt [gedaagde] [eiser] te bevelen diverse stukken te overleggen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[eiser] heeft [gedaagde] terecht gedagvaard
4.1.
[gedaagde] heeft allereerst aangevoerd dat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard. Dit verweer slaagt niet. Zoals uit de opdrachtbevestiging (zie nr. 2.2) blijkt is [gedaagde] een overeenkomst aangegaan met [eiser]. Dat [gedaagde] zich nadien tot haar rechtsbijstandsverzekeraar (hierna: DAS) heeft gewend en deze de opdracht (nogmaals) namens [gedaagde] heeft verstrekt, maakt dit niet anders. [gedaagde] is de contracterende partij geweest.
Er is niet bevrijdend betaald
4.2.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij de hoofdsom rechtstreeks aan DAS heeft betaald. Afgezien van de vraag of de betaling heeft plaatsgevonden, is het aan [gedaagde] om te stellen en (bij betwisting) te bewijzen dat zij bevrijdend kon betalen aan DAS in plaats van aan [eiser] en dat zij om die reden niet de openstaande hoofdsom is verschuldigd. Reeds hierom gaat de kantonrechter voorbij aan het verzoek van [gedaagde] [eiser] te bevelen stukken te overleggen.
4.3.
[eiser] heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde] bevrijdend kon betalen aan DAS en heeft daartoe aangevoerd dat uit het e-mailbericht van DAS van 1 maart 2023 slechts blijkt dat DAS, in haar hoedanigheid van rechtsbijstandsverzekeraar van [gedaagde], de betalingsverplichting van haar verzekerde heeft overgenomen. Dit gold niet voor de aan [eiser] verschuldigde BTW, aldus [eiser]. Bovendien is [gedaagde] de opdrachtgeefster geweest en niet DAS.
4.4.
Op grond van artikel 6:34 BW Pro kan de schuldenaar die heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, aan degene aan wie betaald moest worden tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, indien hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat de ontvanger van de betaling als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was of dat uit anderen hoofde aan hem moest worden betaald. In dit geval heeft [gedaagde] dus bevrijdend betaald indien zij mocht menen dat zij aan DAS moest en/of mocht betalen.
4.5.
Aan dit criterium is niet voldaan. Uit de opdrachtbevestiging van [eiser] aan [gedaagde] blijkt dat partijen een honorarium van € 3.000,00 exclusief BTW zijn overeengekomen. Uit de e-mail van DAS van 21 maart 2023 blijkt duidelijk dat DAS (alleen) het bedrag van € 3.000,00 betaalt en dat [gedaagde] de verschuldigde BTW moest voldoen: “(…)
BTW
Dit dossier betreft een zakelijk geschil. Onze verzekerde kan dan ook de BTW over de te betalen advocaatkosten verrekenen, deze kosten komen niet voor vergoeding onder de rechtsbijstandverzekering in aanmerking. DAS zal uw factuur exclusief BTW voldoen. U dient de cliënt een kopie van de factuur te sturen met het verzoek de BTW te betalen. (…)” Daar komt bij dat [eiser], zoals DAS in de hiervoor genoemde e-mail heeft aangegeven, de declaratie óók heeft gestuurd naar [gedaagde] (zie nr. 2.4). [gedaagde] wist dan wel had op grond hiervan moeten weten dat zij de verschuldigde BTW aan [eiser] moest betalen.
4.6.
[gedaagde] heeft ook geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan zij mocht menen dat zij bevrijdend aan DAS kon betalen. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom van € 630,00 toewijsbaar is.
4.7.
Dat [eiser] de aanmaningen uitsluitend heeft gericht aan DAS is overigens ook niet juist. In ieder geval heeft [eiser] op 28 augustus 2023, 25 september 2023 en 10 oktober 2023 [gedaagde] verzocht het openstaande bedrag ter hoogte van € 630,00 te voldoen (zie nr.2.5 en nr. 2.6).
4.8.
Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter niet toe aan het door [gedaagde] gedane bewijsaanbod.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.9.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat hij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt om betaling van de declaratie te verkrijgen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten (€ 94,50) zijn daarom toewijsbaar.
4.10.
De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf 30 dagen na de dag volgende op de dag van ontvangst van de factuur, omdat niet gebleken is dat partijen een andere uiterste betaaldatum zijn overeengekomen.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
226,00
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
730,47
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 724,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over
€ 630,00 vanaf 30 dagen na de dag volgende op de dag van ontvangst van de factuur tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 730,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.