ECLI:NL:RBNHO:2026:2712

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
HAA 26/1457
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 111 lid 3 Wvw 1994Art. 124 lid 1 Wvw 1994Art. 8 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs wegens rechtmatig verblijf

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 4 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoekster een voorlopige voorziening vroeg tegen de ongeldigverklaring van haar rijbewijs per 5 maart 2026. De burgemeester van Haarlemmermeer had het rijbewijs ongeldig verklaard omdat verzoekster nog in afwachting was van een verblijfsvergunning en daarmee niet voldeed aan de vereisten voor het verkrijgen van een rijbewijs.

Verzoekster ontleent haar verblijfsrecht aan een W-document dat rechtmatig verblijf aantoont in afwachting van een beslissing op haar asielaanvraag, maar dit valt niet onder de categorieën rechtmatig verblijf die volgens de Wegenverkeerswet 1994 vereist zijn. De voorzieningenrechter oordeelde dat het rijbewijs abusievelijk was afgegeven in strijd met artikel 111, derde lid, Wvw, en dat de ongeldigverklaring op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, Wvw terecht is.

Het beroep op het evenredigheids- en vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat de wet geen ruimte biedt om de ongeldigverklaring te voorkomen, ondanks de mogelijke nadelige gevolgen voor verzoekster. De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wees het af zonder zitting. De uitspraak is bindend voor het voorlopige geding en er staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om schorsing van de ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt afgewezen omdat het rijbewijs abusievelijk is afgegeven aan een persoon zonder rechtmatig verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1457

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

en

de burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer, de burgemeester.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in verband met de ongeldigverklaring van verzoeksters rijbewijs per 5 maart 2026. De burgemeester heeft deze ongeldigverklaring kenbaar gemaakt met het besluit van 26 februari 2026. Verzoekster heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht het besluit te schorsen totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter schorst het besluit niet. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het inhoudelijke oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoekster ontleent haar verblijfsrecht aan een W-document. Dit document toont het rechtmatig verblijf in Nederland aan, in afwachting van een beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel.
4. Op 7 mei 2025 heeft de burgemeester aan verzoekster een rijbewijs verstrekt. Met het besluit van 26 februari 2026 heeft de burgemeester dit rijbewijs per 5 maart 2026 ongeldig verklaard. Hij voert daartoe aan dat verzoekster in afwachting is van een verblijfsvergunning, zodat zij (nog) geen recht heeft op een Nederlands rijbewijs.
5. Op grond van artikel 111, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) wordt aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, een rijbewijs slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet.
6. Op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw wordt een rijbewijs ongeldig verklaard indien na afgifte van het rijbewijs blijkt dat het kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het rijbewijs is afgegeven in strijd met artikel 111, derde lid, van de Wvw. Verzoekster is nog in afwachting van een beslissing op haar aanvraag om een verblijfsvergunning. Het W-document toont aan dat verzoekster rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Vw 2000. Zij verblijft dus niet rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met d, Vw 2000. Verzoekster ontleent haar verblijfsrecht niet aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije, zodat zij ook niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder l, Vw 2000.
8. Het standpunt van verzoekster dat de ongeldigverklaring in strijd is met het evenredigheids- en vertrouwensbeginsel, volgt de voorzieningenrechter niet. De omstandigheid dat aan verzoekster een rijbewijs is afgegeven, maakt niet dat verzoekster daaraan het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat haar rijbewijs niet ongeldig zou worden verklaard, juist omdat de verlening in strijd is met de wet. Voorts kan de voorzieningenrechter geen rekening houden met de door verzoekster benoemde voor haar mogelijk nadelige gevolgen van de ongeldigverklaring, omdat artikel 111, derde lid, Wvw, noch artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, Wvw daarvoor ruimte biedt.
Conclusie en gevolgen
9. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. De ongeldigverklaring gaat 5 maart 2026 in. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.