ECLI:NL:RBNHO:2026:2711

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
HAA 26/1066
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering omgevingsvergunning hotelbouw

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer om een omgevingsvergunning voor de bouw van een hotel te weigeren. Het college baseerde de weigering op het ontbreken van een maximale bouwhoogte in het bestemmingsplan en strijd met redelijke eisen van welstand.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Er is geen sprake van een spoedeisend belang, omdat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Ook is het besluit niet evident onrechtmatig; het is niet zonder diepgaand onderzoek duidelijk dat het ontbreken van een maximale bouwhoogte een misslag is.

Omdat de gevraagde voorziening verstrekkend is en geen voorlopig karakter heeft, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1066

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats 1] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P.J.G. Poels),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,het college.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de weigering van een omgevingsvergunning. Bij besluit van 26 mei 2025 heeft het college de omgevingsvergunning ter realisering van een hotel op het perceel aan de [adres] (hierna: het perceel) te [plaats 2] , geweigerd. Met het bestreden besluit van 27 januari 2026 op het bezwaar van verzoekster is het college bij die weigering gebleven. Aan de weigering ligt ten grondslag dat het niet opnemen van een maximale bouwhoogte op het perceel een kennelijke misslag in het bestemmingsplan is geweest en dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen waarin. De voorzieningenrechter is primair verzocht te bepalen dat voor de duur van de beroepsprocedure moet worden gehandeld alsof verzoekster in het bezit is van de omgevingsvergunning, is subsidiair verzocht te bepalen dat het college binnen een bepaalde termijn op straffe van een dwangsom een besluit moet nemen over de maximale bouwhoogte op het perceel en is meer subsidiair verzocht een andere voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is en doet daarom uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Is geen sprake van een spoedeisend belang, dan kan aanleiding bestaan voor het treffen van een voorlopige voorziening als blijkt dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Evident onrechtmatig houdt in dat ook zonder diepgaand onderzoek naar de feiten of het recht, ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit.
5. Verzoekster heeft in haar verzoek aangegeven dat in dit geval een spoedeisend belang niet aanwezig hoeft te zijn, omdat de weigering volgens haar evident onrechtmatig is. Volgens verzoekster is het geschil rechtens beperkt tot de vraag of het ontbreken van een maximale bouwhoogte een evidente misslag betreft. Verzoekster meent dat die vraag evident ontkennend moet worden beantwoord. Verzoekster meent ook dat het treffen van een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is omdat het college geen uitsluitsel geeft over de maximale bouwhoogte op het perceel.
6. Voor zover verzoekster heeft willen betogen dat een spoedeisend belang bij het verzoek gelegen is in het feit dat het college geen uitsluitsel geeft over de maximale bouwhoogte op het perceel, volgt de voorzieningenrechter dit niet. Verzoekster kan weliswaar op zoek zijn naar duidelijkheid over de maximale bouwhoogte, maar heeft niet onderbouwd waarom voor eventuele beantwoording van die vraag de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Een spoedeisend belang acht de voorzieningenrechter dus niet aanwezig.
7. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is voorts geen sprake van een evident onrechtmatig besluit. Op voorhand kan niet worden gezegd dat de beoordeling van het beroep zich beperkt tot de vraag of het ontbreken van een maximale bouwhoogte een evidente misslag betreft.
8. Nu de gevraagde voorlopige voorziening tevens verstrekkend is en geen voorlopig karakter heeft, zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.