Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2642

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/15/362557 / Ha Za 25-105
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:87 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 3:317 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid aannemer voor vochtproblemen en gebreken aan uitbouw woning

Eisers hebben een aannemer ingeschakeld voor de bouw van een uitbouw aan hun woning. Na oplevering ontstonden vochtproblemen en gebreken die deskundigen toeschreven aan ondeugdelijk werk van de aannemer. Eisers stelden de aannemer aansprakelijk en vorderden schadevergoeding en kosten.

De aannemer voerde aan dat de problemen voortkwamen uit bodemgesteldheid en grondwater, waarvoor hij niet aansprakelijk zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de aannemer, gezien zijn ervaring en de rapportages, tekort is geschoten in zijn waarschuwingsplicht en uitvoering.

Omdat de aannemer niet tot herstel is overgegaan, is hij in verzuim en is de vordering tot vervangende schadevergoeding toewijsbaar. De rechtbank wijst de gevorderde herstelkosten, deskundigenkosten en proceskosten toe, terwijl verhuis- en tijdelijke woonruimtekosten worden afgewezen als prematuur.

Uitkomst: De aannemer wordt veroordeeld tot betaling van € 208.581,49 schadevergoeding, deskundigenkosten en proceskosten wegens toerekenbare tekortkoming bij de bouw van de uitbouw.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/362557 / HA ZA 25-105
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van

1.[eiseres] ,

2.
[eiser],
beiden wonend te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. R.C. van Wieringhen Borski,
tegen
[gedaagde] tevens handelend onder de naam [naam bedrijf],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.M. Hueting.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de bouw van een uitbouw aan de woning van [eisers] De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden toerekenbaar tekort is geschoten tegenover [eisers] Hij is niet overgegaan tot herstel van de gebreken. De vordering tot vervangende schadevergoeding wordt toegewezen. [gedaagde] moet de volledige herstelkosten betalen en de onderzoeks/deskundigenkosten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 februari 2025, met 24 producties,
- de op 27 augustus 2025 tegen [gedaagde] verleende akte niet dienen,
- de brief van [gedaagde] van 30 september 2025, met 1 bijlage,
- de akte overleggen producties 25 tot en met 33, tevens houdende vermeerdering van eis van [eisers] ,
- het verzoek van [gedaagde] van 5 januari 2026 bij B16-formulier, en de reactie daarop van [eisers] bij B11-formulier van 6 januari 2026 (zie hierna onder punt 1.2.),
- de mondelinge behandeling van 15 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
- de pleitnota van [eisers] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .
1.2.
[gedaagde] heeft op 5 januari 2026 de rechtbank verzocht om bijlage 1 (een door [gedaagde] opgesteld overzicht/plan van aanpak) bij zijn brief van 30 september 2025 als gedingstuk toe te laten, [eisers] hebben daartegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft op 13 januari 2026 aan partijen meegedeeld dat de bijlage aan als gedingstuk wordt toegelaten.
1.3.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[eisers] zijn eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] , te [woonplaats] (verder: de woning). De woning ligt aan een ringvaart; het betreft een zogenoemde dijkwoning.
2.2.
[gedaagde] heeft een aannemersbedrijf en verricht een groot deel van zijn werkzaamheden in [woonplaats] en omgeving.
2.3.
Omstreeks najaar 2016 hebben [eisers] [gedaagde] benaderd voor het realiseren van een uitbouw aan de door hen gekochte woning. Hiervoor heeft Bouwplanadviesbureau Paauw (verder: Paauw) een werkomschrijving en bouwtekeningen gemaakt en op basis daarvan heeft [gedaagde] een offerte uitgebracht. Vervolgens heeft overleg plaatsgevonden tussen [eisers] , [gedaagde] en Paauw en heeft [gedaagde] zijn offerte aangepast.
2.4.
De woning is omstreeks februari 2017 aan [eisers] geleverd. Partijen hebben in april 2017 een schriftelijke aannemingsovereenkomst gesloten, waarbij zij zijn overeengekomen dat het werk voor een vaste aanneemsom van € 111.677,97 exclusief btw zal worden gerealiseerd. Partijen zijn 1 juli 2017 als streefdatum voor de oplevering van het werk overeengekomen, het werk diende in ieder geval op 1 augustus 2017 te worden opgeleverd. In de overeenkomst wordt verwezen naar bijlagen, te weten de werkomschrijving en bouwtekeningen van Paauw, de (gewijzigde) offerte van [gedaagde] van 25 februari 2025, een e-mail van Paauw van 29 maart 2017 waarin nadere afspraken naar aanleiding van de offerte zijn bevestigd, en de CAR-verzekering van [gedaagde] .
2.5.
In de aannemingsovereenkomst is verder het volgende bepaald:

Artikel 4: Verplichtingen Pro van de Opdrachtgever: (…)
4.b. De Opdrachtgever is verantwoordelijk voor fouten of gebreken in de door hem voorgeschreven plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften, alsmede voor tekortkomingen in de door hem gegeven orders of aanwijzingen, tenzij de Aannemer niet heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht zoals omschreven in artikel 5c.
4.c. De gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering van het Werk die is te wijten aan gebreken of ongeschiktheid van zaken, de grond daaronder begrepen, die ter beschikking zijn gesteld door de Opdrachtgever, komen voor rekening van de Opdrachtgever, tenzij de Aannemer niet heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht zoals omschreven in artikel 5c.”
(…)
Artikel 5: Verplichtingen Pro van de Aannemer (…)
5.c. De Aannemer is verplicht de Opdrachtgever bij het aangaan of het uitvoeren van deze overeenkomst te waarschuwen voor fouten of gebreken in de door hem voorgeschreven plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften, voor tekortkomingen in de door hem gegeven orders of aanwijzingen, alsmede voor gebreken in de door de Opdrachtgever ter beschikking gestelde zaken, de grond daaronder begrepen, voor zover de Aannemer deze onvolkomenheden kende of had behoren te kennen.”
2.6.
[gedaagde] is in maart/april 2017 met zijn werkzaamheden gestart. De verbouwing heeft langer geduurd dan gepland en tussen partijen is in de laatste fase een geschil ontstaan over de kosten van meerwerk (de aanleg van elektra). [eisers] hebben zich op het standpunt gesteld dat dat [gedaagde] hiervoor ten onrechte drie keer zoveel in rekening bracht dan was begroot en hebben het meerwerk niet volledig voldaan.
2.7.
In september 2017 zijn [eisers] naar de woning verhuisd. In die periode hebben zij een vochtplek links van de openslaande deuren in de nieuwe aanbouw geconstateerd. [gedaagde] heeft toen een regendrain voor deze deuren aangelegd. [gedaagde] heeft zijn werkzaamheden in oktober 2017 opgeleverd.
2.8.
Op 17 oktober 2019 hebben [eisers] [gedaagde] bericht over optrekkend vocht in de binnen- en buitenmuren van de uitbouw. [eisers] hebben meegedeeld: “
We mailen je omdat de laatste dagen ineens een vrij schrikbarend vochtprobleem in en om de door jou gemaakte aanbouw aan ons huis lijkt te ontstaan. Ik stuur foto’s mee van de situatie. Uiteraard vinden we dat erg vervelend. We hebben nog niet met zekerheid kunnen (laten) vaststellen wat hiervan de oorzaak is, maar telefonisch heeft een vochtweringsspecialist aan de hand van de foto’s aangegeven dat het er sterk op lijkt dat met een stijging van het grondwaterpeil sprake is van optrekkend vocht in de muren. Dit zou volgens hem niet zomaar moeten kunnen gebeuren als de (fundering van de) aanbouw goed gebouwd is. Wij hebben hier natuurlijk zelf geen verstand van, maar vreemd is het zeker. 29 oktober om 15 uur komt hij langs om een inspectie te doen om de oorzaak vast te stellen en een oplossing aan te dragen, eerder lukte hem helaas niet.
Uiteraard wilden we jou hiervan ten eerste alvast op de hoogte brengen, en ten tweede ook in de
gelegenheid stellen daarbij aanwezig te zijn of eerder langs te komen om het zelf te beoordelen als je
dat op prijs stelt. We zullen je in elk geval laten weten wat de conclusie van de specialist is na 29
oktober, als daaruit blijkt dat dit een kwestie is die jij bij jouw verzekeraar moet melden.”.
2.9.
[gedaagde] heeft op 26 oktober 2019 geantwoord: “
Bedankt voor je mailbericht van 17 oktober 2019. Ik heb het bericht met belangstelling gelezen.
Mogelijk brengt de vochtwerings-specialist een oplossing voor het probleem. Ik raad je aan om ook de architect naar zijn mening te vragen.
Afgelopen maandag benaderde (…) mij met de vraag wat ik er van vind dat het grondwater zo hoog staat. In zijn kruipruimte komt het water tot de onderkant vloer en op zijn erf blijft het water staan. Ik heb hem geadviseerd om met het Waterschap contact op te nemen en ook met gemeente Alkmaar vanwege de pas uitgevoerde werkzaamheden aan het riool.“.
2.10.
[eisers] hebben de heer [naam] van Dry Works Vochtservice B.V. (verder: [naam] ) ingeschakeld, die op 29 oktober 2019 onderzoek heeft gedaan. Op 2 december 2019 heeft [naam] gerapporteerd, met prijsopgaaf voor het verrichten van destructief onderzoek.
2.11.
Op 2 december 2019 hebben [eisers] [gedaagde] en Paauw (nogmaals) bericht over de vochtproblemen in de uitbouw, onder verwijzing naar de analyse/prijsopgaaf van [naam] . [eisers] hebben geschreven: “
Enkele weken geleden lieten wij [gedaagde] al weten dat er overal beneden optrekkend vocht in de (binnen- en buiten)muren van (met name) de aanbouw zit. (…). De loodgieter heeft inmiddels lekkage van de vloerverwarming uitgesloten. In de bijlage stuur ik jullie de analyse van een vochtspecialist waaruit blijkt dat destructief onderzoek nodig is om de oorzaak te kunnen vaststellen.
We wilden ook graag van jullie weten of jullie gedachten hebben over wat de oorzaak zou kunnen zijn aangezien de aanbouw door jullie ontworpen cq gebouwd is. De collega van (…) die hier was gaf aan dat het de grote hoeveelheid regenwater in oktober zou zijn, maar het bevreemdt ons dan toch wel een beetje dat het ook de binnenmuren betreft. Bovendien liggen er drains voor en achter die het regenwater toch zouden moeten afvoeren en lijkt het nu weer op te drogen terwijl het nog best veel heeft geregend de afgelopen weken. Overigens zou regenwater toch ook niet zomaar binnen moeten kunnen dringen in een nieuwe aanbouw lijkt ons....? We zitten zoals jullie wellicht begrijpen met de handen in het haar en maken ons best zorgen hierover.
We horen graag jullie reactie, indien mogelijk deze week zodat we snel een beslissing kunnen nemen of dit destructieve onderzoek verstandig/nodig is om te doen.”.
2.12.
Op 2 juni 2020 hebben [eisers] [gedaagde] nogmaals bericht over de vochtproblemen in de uitbouw. Hierop heeft [gedaagde] niet gereageerd.
2.13.
Op 17 juni 2020 hebben [eisers] een rappelbrief gestuurd naar [gedaagde] , waarbij zij hebben meegedeeld dat als zij wederom niets van hem horen, zij genoodzaakt zijn een formele/juridische weg te kiezen. Hierop heeft [gedaagde] ook niet gereageerd.
2.14.
In 2020 hebben [eisers] onder andere contact met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) gehad over de vochtoverlast in hun woning. In november 2020 heeft HHNK aan [eisers] bericht dat de oorzaak niet in de grondwaterstanden, het onderhoud van de dijk of de afwatering ligt.
2.15.
Begin 2021 hebben [eisers] Hanselman Groep B.V. (verder: Hanselman) ingeschakeld, die een vochtonderzoek heeft geadviseerd. Bij e-mail van 2 maart 2021 hebben [eisers] [gedaagde] uitgenodigd om aanwezig te zijn bij het onderzoek en een aantal data voorgesteld. [eisers] hebben toen aan [gedaagde] en Paauw gemaild: “
Met referte aan onze e-mails van 17 oktober 2019, 2 december 2019, 2 juni 2020 en 17 juni 2020 berichten wij jullie
hierbij nader over het geconstateerde vochtprobleem in onze woning.
Afgelopen jaar hebben wij met HHNK gesprekken gevoerd over mogelijke oorzaken van het vochtprobleem (door hoge grondwaterstanden) in onze woning, zoals [gedaagde] heeft voorgesteld. Uit de bestudering van de ontvangen stukken blijkt dat ook voorafgaand aan de verbouwing diverse keren sprake is geweest van vergelijkbare hoge grondwaterstanden op ons perceel. Het enige wat sinds de vorige hoge grondwaterstanden is veranderd is de door jullie uitgevoerde uitbouw.
De schade openbaart zich in de tussentijd steeds meer: niet alleen het optrekkend vocht en schimmel in de muren is zichtbaar, vloertegels zitten inmiddels los en er komt schimmel door de (hier en daar loslatende) voegen heen. Wij hebben daarom een onafhankelijk bouwkundig expert, (…) van de Hanselman Groep (hierbij ook in de CC), de opdracht gegeven om de oorzaak van het vochtprobleem verder te onderzoeken.
Jullie aanwezigheid bij zijn inspectie zou zeer wenselijk zijn, nu het vochtprobleem zich openbaart in de door (…)[rechtbank: Paauw)
getekende en door [gedaagde] uitgevoerde verbouwing in onze woning. (…)[rechtbank: Hanselman]
geeft aan dat het belangrijk is om de vochtoverlast gezamenlijk vast te stellen en op locatie de uitgevoerde werkwijze en enkele details met elkaar te bespreken. Als we met elkaar een beter begrip krijgen waar het probleem zit, bespaart dit uiteindelijk kosten voor alle partijen (zoals bijvoorbeeld kosten voor uitvoerig destructief onderzoek). Het blijft onze voorkeur om met elkaar constructief in gesprek te gaan over deze vervelende situatie voor ons.
Graag vernemen wij op korte termijn van jullie op welke datum en tijdstip in maart jullie beiden aanwezig kunnen zijn bij een gezamenlijke inspectie van onze woning.“.
2.16.
[gedaagde] heeft niet op deze e-mail gereageerd.
2.17.
Bij brief van 26 maart 2021 heeft de toenmalige advocaat van [eisers] [gedaagde] nogmaals verzocht om aanwezig te zijn bij het deskundigenonderzoek. Bij e-mail van 30 maart 2021 heeft [gedaagde] geantwoord dat hij niet bij het deskundigenonderzoek aanwezig zal zijn.
2.18.
Op 12 april 2021 heeft Trition B.V. (verder: Trition) onderzoek gedaan en zij heeft een plan van aanpak/offerte opgesteld.
2.19.
Bij e-mail van 18 mei 2021 heeft Hanselman aan [eisers] bericht: “
Uit het onderzoek van Trition blijkt dat op dit moment op globaal drietal locaties sprake is van vochtaantasting in de constructie. Al deze locaties zijn ter plaatse van de overgang bestaande bouw/nieuwbouw of in de nieuwbouw, zoals in onderstaande afbeelding weergegeven: (…)
Het blijft gezien de locatie wel zeer aannemelijk dat de waargenomen vochtoverlast terug te voeren is naar het niet waterdicht bouwen en aansluiten van de nieuwbouw in combinatie met een vermoedelijk hoge grondwaterstand/lange duur inwateren hemelwater. Derhalve is helaas nog wel aanvullend onderzoek noodzakelijk voor een goede onderbouwing van het causale verband tussen vochtoverlast & werkzaamheden én voor het uiteindelijke herstelplan.
Voor dergelijke schade onderzoeken assumeren wij vaak Trition voor het aanvullend uitvoeren van lekdetectie en/of bouwkundig (destructief) onderzoek. (…)
Zoals eerder al telefonisch besproken zal elke aanvullende onderzoeksmethode wel aanzienlijke kosten met zich meebrengen. Wij zien vooralsnog een tweetal opties voor een vervolg: (…)”.
2.20.
Bij brief van hun (toenmalige) advocaat van 2 juli 2021 hebben [eisers] [gedaagde] erover geïnformeerd dat Trition op 12 april 2021 onderzoek heeft verricht en dat er nader onderzoek zal plaatsvinden op 28 februari 2022. Hierbij is meegedeeld dat die datum is gekozen omdat het grondwaterpeil dan vermoedelijk vrijwel dezelfde hoogte heeft als in de periode dat zij voor het eerst vochtoverlast hadden. Verder staat in de brief dat deze heeft te gelden als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW Pro.
2.21.
Bij brief van 16 februari 2022 heeft de advocaat van [eisers] aan [gedaagde] geschreven dat KMZ Lekdetectie B.V. (verder: KMZ) het vervolgonderzoek zal gaan verrichten en heeft hij [gedaagde] hiervoor uitgenodigd. [gedaagde] heeft daar niet op gereageerd.
2.22.
Op 9 maart 2022 heeft KMZ onderzoek gedaan. KMZ heeft geadviseerd aanvullend destructief onderzoek te verrichten om de opbouw van de fundering te onderzoeken. Dat onderzoek is enige tijd uitgesteld door [eisers] , tot het moment dat de vochtoverlast in de uitbouw weer toenam.
2.23.
Bij brief van hun advocaat van 26 juni 2023 hebben [eisers] [gedaagde] uitgenodigd om bij het destructieve vervolgonderzoek aanwezig te zijn. In deze brief is ook vermeld dat deze als stuitingshandeling heeft te gelden. [gedaagde] heeft daarop meegedeeld dat hij bij het onderzoek aanwezig zal zijn en een eigen deskundige wil meenemen.
2.24.
Op 19 september 2023 heeft het vervolgonderzoek plaatsgevonden, in aanwezigheid van [gedaagde] en zijn deskundige. De destructieve werkzaamheden zijn verricht door DS Timmerwerken.
2.25.
Op 16 juli 2024 heeft Hanselman (onder de nieuwe naam “Socotec”) gerapporteerd.
In haar rapport staat onder andere het volgende: “
Naar aanleiding van onze inspectie van 19 september 2023 heeft [eiser] ons diverse vragen gesteld. De door [eiser] gestelde vragen worden hieronder beantwoord:
1. Welke gebreken heeft u geconstateerd en wat is de oorzaak van die gebreken?
Wij hebben de volgende gebreken geconstateerd:
- Bitumen tegen metselwerk ontbreken gedeeltelijk onder maaiveld;
- Hoeveelheid (dikte) aangebrachte bitumen is onduidelijk;
- Houten regel van de HSB wand (buitengevel) ligt onder maaiveld op de betonvloer, waardoor bij vochtoverlast deze constant vochtig zal zijn en gaan rotten;
- Open stootvoegen ontbreken, waardoor water niet weg kan stromen of verdampen en de constructie in trekt;
- Bovenzijde onderdorpel dubbele deuren gelijk aan maaiveld;
- Onbekend of folie onder de bestaande en nieuwe betonvloer en onder de anhydrietvloer is aangebracht;
- Verkeerde (niet-gecoate) wapeningsnetten waarop anhydriet is gestort;
- Geen warmteverliesberekening gemaakt;
- Geen constructieberekening overlegd, deze zou verloren zijn gegaan als gevolg van computercrash;
2. Bestaat er een causaal verband tussen de werkzaamheden van [gedaagde] en de gebreken?
De door ons geconstateerde gebreken zijn te herleiden naar de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden. Door onvoldoende onderzoek naar de bestaande constructie en opbouw van de vloer en de wijze van uitvoering in de vochtige omgeving kan regen- en grondwater de constructie van de woning instromen en in de verschillende onderdelen trekken.
a. Wat is de schade als gevolg van die gebreken?
Door het ontbreken van vochtschermen, folie en/of bitumen, en mogelijkheden om regen- en
grondwater voldoende te kunnen afvoeren via de spouw door het ontbreken van open stootvoegen is
het regen- en grondwater in de anhydrietvloer getrokken met loslatende vloertegels tot gevolg en in de houten wandconstructie getrokken met verrotting tot gevolg. Daarnaast is door het ontbreken van
isolatie of minimale isolatie onder de bestaande betonvloer sprake van warmteverlies via de onderzijde van de vloerverwarming en door het ontbreken van een warmteverliesberekening onduidelijk of de vloerverwarming wel voldoende capaciteit heeft en wel op de juiste wijze (onderlinge afstand) is aangebracht. In beide gevallen zal sprake zijn van extra stookkosten. Het in- en optrekkende vocht heeft verder aan wanden in de aanbouw zichtbare schade tot gevolg aan het stuc- en schilderwerk.
b. Op welke manier dient de oorzaak van de gebreken te worden verholpen en wat zijn de geschatte
kosten daarvan?
Het metselwerk onder maaiveld zal moeten worden voorzien van een vochtwerende laag. Daarnaast
dienen open stootvoegen te worden aangebracht voor ventilatie in de spouw. De bestaande en nieuwe
betonvloer onder de anhydrietvloer zal moeten worden voorzien van een vochtwerende laag om
optrekkend vocht te voorkomen.
De kantplanken onder de beide gevelkozijnen verwijderen en vervangen door metselwerk inclusief
vochtwerend behandelen.
Voor de raming van de herstelkosten verwijzen wij u naar ons hoofdstuk Schaderaming.
c. Op welke manier dient de gevolgschade van de gebreken te worden verholpen en wat zijn de
geschatte kosten daarvan?
Door het aanbrengen van een vochtwerende laag onder maaiveld zal het straatwerk moeten worden
opgenomen en na het gereedkomen van de werkzaamheden opnieuw moeten worden aangebracht.
Daarnaast zal een bredere lijngoot voor het dubbele deurkozijn en enkel deurkozijn moeten worden
aangebracht en worden aangesloten op de riolering voor het afvoeren van het regenwater.
Voor het aanbrengen van een vochtscherm over de bestaande en nieuwe betonvloer zal de
anhydrietvloer met vloerverwarming en vloertegels in zijn geheel moeten worden verwijderd. Na het
aanbrengen van de vochtwerende laag en het maken van een warmteverlies berekening kan een
nieuwe afwerkvloer met vloerverwarming en vloertegels worden aangebracht.
Ter plaatse van de vochtplekken in de wanden zal onderzoek moeten worden uitgevoerd tot waar en in hoeverre sprake is van verrotting van de houten onderregel en OSB beplating. Alle aangetaste houten regels en beplating dient te worden vervangen en de wandafwerking moeten worden hersteld.
Voor de raming van de herstelkosten verwijzen wij u naar ons hoofdstuk Schaderaming.”.
2.26.
Hanselman/Socotec heeft in haar rapport de herstelkosten als volgt begroot:

Wij ramen de kosten voor het aanbrengen van vochtwerende laag tegen de buitenzijde van het metselwerk met open stootvoegen en een vochtwerende laag op de betonvloer op € 23.446,24 inclusief btw geheel volgens bijgevoegde calculatie D: 65475 001 Herstellen gebreken, zie bijlage 3.
Wij ramen de kosten voor het herstellen van de gevolgschade op € 74.924,81 inclusief btw geheel volgens bijgevoegde calculatie D: 65475 001 Herstelkosten gebreken, zie bijlage 4.”
2.27.
Bij brief van hun advocaat van 26 juli 2024 hebben [eisers] het rapport van Hanselman/Socotec naar [gedaagde] verzonden en hem in gebreke gesteld. Daarbij hebben zij [gedaagde] gesommeerd om binnen twee weken per e-mail te bevestigen dat hij bereid is de gevolgschade c.q. de gebreken binnen 3 maanden te herstellen en de buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden.
2.28.
[gedaagde] heeft geen gehoor aan de sommatie gegeven. Hij heeft op 27 juli 2024 geantwoord dat hij gaat overleggen met zijn verzekeraar.
2.29.
De verzekeraar van [gedaagde] heeft op 5 augustus 2024 aan [eisers] bericht dat zij een extern expert opdracht heeft gegeven om onderzoek uit te voeren naar de polisdekking en aansprakelijkheid.
2.30.
De advocaat van [eisers] heeft de verzekeraar op 25 oktober 2024 gerappelleerd. Hierop heeft de verzekeraar geantwoord dat de expert zijn onderzoek nog niet heeft kunnen afronden en dat zij over onvoldoende informatie beschikt om een standpunt in de zaak te kunnen innemen.
2.31.
[eisers] hebben Engel Bouw Advies B.V. (verder: Engel Bouw) verzocht een offerte uit te brengen voor de herstelwerkzaamheden. Engel Bouw heeft nader destructief onderzoek in de woning van [eiser] verricht, om de omvang van de te verrichten werkzaamheden zelf te beoordelen. Engel Bouw heeft op 9 september 2025 het volgende gerapporteerd: “
Opdracht; Inzichtelijk maken van vermoedelijke bouwgebreken die ten grondslag leggen aan de vochtproblemen. Binnen te zien in de woning ter plaatse van keuken / eetkeuken en aangrenzende bouwdelen.
Methode;
Destructief onderzoek om waar te nemen in constructies;
Meting vocht met een Laser liner Moisture Master Compact plus, geijkt 2025
Locaties;
Het pand, omgeving, foto’s van de bouw en tekeningen geven een verhaal met de situatie die nu
aanwezig is. Opvallend aan het geheel kunnen we het volgende benoemen;
- Ringvaart in de achtertuin +/- 1100mm hoger dan peil binnen;
- Te verwachten is een hoge grondwater stand (het hele jaar), zeker met kwelwater door de
ringvaart wat voor waterdruk onder de vloer zorgt; (1-1.5bar);
- Niveau buiten, maaiveld ligt hoog t.a.v. vloerpeil binnen; (te hoog en straatwerk);
- HSB wanden gekozen in het bouwsysteem op de constructievloer verankerd, deze zit te laag t.a.v. omgeving;
- Anhydrietvioer, veelal op gipsbasis, is hier géén verstandige keuze, verrot bij teveel vocht;
- Staalnetten i.c.m. Anhydriet gaat roesten, kan niet!;
- Vloerverwarming met standaard vlechtdraad in Anhydriet, kan niet!:
- Isolatie is te verwaarlozen, voldoet niet aan huidige eisen, ook 7 jaar geleden niet!;
- Stortnaad, oude met nieuwe constructie is niet in acht genomen, slecht schoon gemaakt, oude stenen zijn te zien en dus een zwakte. Er is géén aandacht voor situatie geweest, wanneer je kwelwater heb moet je daarnaar handelen!; (afdichten, schoonmaken, injectieslang ect;
- T.p.v. maaiveld kun je niet volstaan met een bitumenstrook, dit is géén duurzaam materiaal in
de grond. Daarbij zit het tegen de gevel en niet tegen de buitenzijde houtskelet, daardoor kan er vocht worden opgesloten en niet uit reguleren;
- Onder de anhydriet is géén afsluitende folie aangebracht, veelal voorschrift van leverancier;
- Leidingen in de randzone van de vloer liggen alle bij elkaar, ook de koud en warmwaterleiding, voor legionella een zeer groot risico. Had deze leidingen in de beton weg gestort met de juiste mantelbuizen er omheen;
- Detail aansluitingen wand/vloer en binnen/buiten zorgen voor grote schimmelvorming en
verrotting in wanden.
- Weer buiten op moment van openhalen, droog.
(…)

Conclusie van inspectie, uitgevoerd op 9-9-2025, [adres] te [woonplaats];
- Vermoedelijk vocht vanuit de ondergrond door stortnaad is waargenomen en zorgt voor transport buiten- binnen omgeving;
- Aandacht tijdens de bouw voor deze situatie i.c.m. aansluiting bestaand en nieuw is “niet” in
achtgenomen, slecht schoongemaakt, oude stenen niet weggehakt, oude beton niet ruw gemaakt, géén stortvoorzieningen of andere maatregelen (injectieslang ter voorbereiding indien dit optreed);
- Combinatie;
• maaiveld hoogte;
• ruwe betonvloer hoogte;
• onderzijde houtskeletwanden op ruwe betonvloer welk lager is dan maaiveld;
• het niet voldoende in achtnemen van deze situatie, te samen met de ringvaart en zijn kwelwater;
• En stortnaad oud/nieuw.
Bovengenoemde combinatie zijn de basis van de huidige problemen, een grondige aanpak is onvermijdelijk om deze bouwgebreken aan te pakken.
• Keringen aanbrengen in de bron van de problemen, wand/vloer aansluiting. Bitumen plakken is “niet de oplossing!”. Water vind dan via andere route zijn weg, daarnaast is het bitumen als bedoeld “géén” duurzame en blijvende oplossing;
• Gehele dekvloer, vloerverwarming en tegels moeten eruit. Tegels liggen los, dekvloer en zijn wapening voldoen niet, corrosie met op termijn lekkage van leidingen door opgetreden spanning. (roestig ijzer zet meervoudig uit);
• Betonwerk, oud/nieuw, gehele aansluiting schoonhakken en met specialisten de oplossing bedenken middels juiste primers, overbruggingsverankeringen (tegen wisselen van oud/nieuw) juiste mortel afsluitend aanwerken en eventueel met injecteren nabehandelen.
Wanneer dat gereed is een afsluitende topping aanbrengen;
• Bijkomende zaken, in- en uitbouwen keuken, leidingwerk vervangen i.v.m. legionela (leidingen liggen niet goed!), vervangen vloerverwarming, dekvloer op cementbasis, inbouwkasten en haard in en uitbouwen (opvangen?), bestaande wanden elders aangetaste delen vervangen.
URGENT, de constructies (dragend) verliezen hun draag vermogen, “dringend advies” is om e.e.a. te bespoedigen, dit omdat veiligheid gewaarborgd moet zijn maar ook de gevolgschade in rap tempo gaat toenemen. (verzakking en zetting die als het tegen zit slecht of niet te herstellen zijn)”.
2.32.
Engel Bouw heeft op 9 december 2025 haar offerte uitgebracht voor de uit te voeren werkzaamheden, voor een bedrag van € 208.581,49.
2.33.
[eisers] hebben bij e-mail van 18 december 2025 de bevindingen van Engel Bouw aan Hanselman voorgelegd en vragen gesteld. Hierop heeft Hanselman geantwoord: “
Wij hebben de door u overlegde stukken bestudeerd. Onderstaand geven wij u antwoord op de door u gestelde vragen.
1.Onderschrijft u de nadere conclusies ten aanzien van de gebreken van Engel Bouw?
Door de aanvullende uitgevoerde onderzoeken, waaronder destructief, is een duidelijk en helder beeld gekomen van de gebreken en wij kunnen ons daarin vinden.
2.Wat is uw oordeel over de herstelwijze zoals Engel Bouw deze nu voor ogen heeft?
De gekozen wijze van herstel is gezien de omvang van de gebreken de juiste.
3.Indien u deze herstelwijze onderschrijft, is de daarop gebaseerde offerte en begroting voor herstel van Engel Bouw wat u betreft redelijk en proportioneel in het licht van de gebreken en (gevolg)schade?
Na bestudering van open begroting en de wijze van herstel kunnen wij niet anders concluderen dan dat de kosten goed en duidelijk in beeld zijn gebracht en op ons als marktconform overkomen. De omvang van de gebreken en de herstelwijze zijn complex. Hierdoor zal tijdens de uitvoering, en dan met name na de sloopwerkzaamheden, voor een groot deel van de werkzaamheden pas echt duidelijk worden wat de wijze van herstel zal zijn.”.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen na vermeerdering van eis - samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade ontstaan aan de woning door de gebreken in de uitvoering van zijn werkzaamheden, zoals gespecificeerd in het rapport van Hanselman/Socotec en het rapport van Engel Bouw,
II. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een schadebedrag van € 222.641,49, te vermeerderen met wettelijke rente,
III. [gedaagde] zal veroordelen tot het betalen van een vergoeding van de daadwerkelijk door [eisers] geleden schade, voor zover deze hoger blijkt te zijn dan begroot en toegewezen onder de vordering sub (II), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
V. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 8.332,- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente,
VI. [gedaagde] zal veroordelen in de werkelijke proceskosten, althans de proceskosten conform het liquidatietarief, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Daaraan leggen [eisers] het volgende – zakelijk weergegeven – ten grondslag. [eisers] hebben [gedaagde] op advies van hun buren benaderd voor het realiseren van de uitbouw omdat hij decennialang ervaring heeft als aannemer en goed bekend is met de omgeving en het bouwen in een waterrijk gebied. In oktober 2019 merkten [eisers] dat er sprake is van optrekkend vocht in de binnen- en buitenmuren van de uitbouw. Na grondig deskundigenonderzoek is gebleken dat [gedaagde] diverse fouten heeft gemaakt, waardoor de woning niet waterdicht is en schade is ontstaan door binnendringend vocht. [gedaagde] is aldus toerekenbaar tekort geschoten in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. [eisers] hebben [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade en hem gesommeerd de gebreken te herstellen maar [gedaagde] heeft daar geen gehoor aan gegeven. Hierdoor is [gedaagde] in verzuim geraakt. Aangezien [gedaagde] niet bereid is om de gebreken te herstellen, maken [eisers] geen aanspraak meer op nakoming maar op vervangende schadevergoeding conform artikel 6:87 BW Pro. [eisers] vorderen ook de gevolgschade die is ontstaan door de gebrekkige werkzaamheden van [gedaagde] . Die schade wordt steeds erger, aangezien de vochtproblematiek niet wordt verholpen. Uit het onderzoek van Engel Bouw blijkt ook dat er meer gebreken zijn dan eerder werd gedacht en daarnaast zijn de materiaalkosten flink toegenomen. Hanselman/Socotec heeft de conclusies, herstelwijze en herstelkosten van Engel Bouw onderschreven. Verder zullen [eisers] tijdens de herstelwerkzaamheden hun inboedel deels elders moeten opslaan en elders moeten verblijven. Daarom hebben [eisers] hun vordering vermeerderd. Het schadebedrag komt op € 222.641,49 en bestaat uit de herstelkosten conform offerte van Engel Bouw van € 208.581,49, verhuis-en opslagkosten van € 5.060,- en kosten voor tijdelijke woonruimte van € 9.000,-. [eisers] vorderen daarnaast de kosten van Hanselman/Socotec, DS Timmerwerken en Engel Bouw, in totaal een bedrag van € 8.332,-. Tot slot vorderen [eisers] veroordeling van [gedaagde] in de werkelijke proceskosten, omdat hij op verwijtbare wijze de procedure onnodig heeft vertraagd en [eisers] daardoor onnodige kosten hebben gemaakt.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] .
3.4.
Op de stellingen en het verweer van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vermeerdering van eis
4.1.
[gedaagde] stelt dat de vermeerdering van eis in strijd is met de goede procesorde. Hij voert daartoe aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld aanwezig te zijn bij het onderzoek door Engel Bouw of zijn visie daarop te geven. Dat het onderzoek van Engel Bouw volgens [eisers] primair was bedoeld om een offerte voor herstelwerkzaamheden op te stellen, doet hier volgens [gedaagde] niet aan af. Volgens [gedaagde] strekte de feitelijke opdracht immers tot het achterhalen van de oorzaak van de gebreken.
4.2.
Dit verweer faalt. Vanwege de opstelling van [gedaagde] in deze kwestie hebben [eisers] gedurende lange periode geprobeerd om de aard en de oorzaken van de hiervoor vermelde gebreken en dat daardoor ontstane schade in beeld te brengen. De klacht dat [gedaagde] niet is uitgenodigd voor een onderzoek dat tot doel had de bevindingen van Hanselman/Socotec omtrent de gebreken en de schade - die het resultaat zijn van het onderzoek op 19 september 2023 waarbij [gedaagde] samen met zijn deskundige aanwezig is geweest - te toetsen door degene die het herstel gaat uitvoeren, kan er dan niet toe leiden dat de rechtbank geen acht slaat op dat rapport enkel omdat [gedaagde] daarbij niet betrokken is geweest. Bovendien dateert het rapport van Engel Bouw van 9 september 2025 en is dit rapport op 25 september 2025 aan de rechtbank en aan [gedaagde] toegezonden. [gedaagde] heeft inhoudelijk op dit rapport kunnen reageren tijdens de mondelinge behandeling en ook had [gedaagde] al eerder, en veel uitvoeriger, op de rapportage van Hanselman/Socotec kunnen reageren door desgewenst een contra-expertise uit te voeren en, minst genomen, (tijdig) een conclusie van antwoord te nemen.
4.3.
Gelet op de uitzonderlijk passieve houding die [gedaagde] tot kort voor de mondelinge behandeling aan de dag heeft gelegd kan nu niet worden gezegd dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om adequaat verweer te voeren. Het evidente belang van een voortvarende aanpak van de herstelwerkzaamheden dient nu te prevaleren. Iedere dag dat herstel op zich laat wachten neemt de schade aan de woning van [eisers] als gevolg van de vochtproblemen toe, terwijl uit het rapport van Engel Bouw blijkt dat ook de veiligheid van de woning in het gedrang begint te komen.
4.4.
De rechtbank zal de vermeerderde vordering dus als zodanig beoordelen.
Wanprestatie
4.5.
[gedaagde] stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een tekortkoming aan zijn zijde. In dat verband wijst hij op de werkomschrijving van Paauw, die onderdeel uitmaakt van de aannemingsovereenkomst, waarin is opgenomen:
“de bodemopbouw is niet onderzocht”
“de grondwaterstandgegevens zijn niet onderzocht”.
4.6.
Volgens [gedaagde] volgt uit artikel 4 onder Pro b van de aannemingsovereenkomst dat het risico en de aansprakelijkheid voor het niet verrichten van deze onderzoeken onder die omstandigheden bij de opdrachtgever liggen. [gedaagde] voert aan dat van meet af aan duidelijk was dat de oorzaken van de vochtproblematiek in de woning is gelegen in een verhoogde grondwaterstand en de bodemgesteldheid, en daarmee buiten de reikwijdte van de overeenkomst vielen. Volgens [gedaagde] is het gebrek aan afwatering van het perceel het werkelijke probleem en niet ondeugdelijk of onduidelijk uitgevoerd werk van zijn zijde. [gedaagde] wijst daarbij erop dat hij bij het stellen van de kozijnen van de openslaande deuren in de nieuwe uitbouw heeft geconstateerd dat het grondwaterpeil tot problemen zou leiden. Als oplossing heeft hij toen voorgesteld het erf te verlagen. Dat voorstel is door [eisers] niet opgevolgd wegens gebrek aan budget. Indien dit advies wel was gevolgd, dan wel vooraf adequaat onderzoek naar de staat van de locatie was verricht, zou het vochtprobleem volgens [gedaagde] niet zijn ontstaan. Daarnaast verwijst [gedaagde] naar de e-mail van Hanselman van 18 mei 2021 (productie 13 bij de dagvaarding) waarin de deskundige concludeert dat een uitsluitende oorzaak en locatie nog niet zijn aangetoond en dat het zeer wel aannemelijk blijft dat de waargenomen vochtoverlast is terug te voeren op het niet waterdicht bouwen en aansluiten van de nieuwbouw, in combinatie met een vermoedelijk hoge grondwaterstand en langdurige waterbelasting en hemelwater.
4.7.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde] , naar hij niet heeft betwist, een ervaren aannemer is die een groot deel van zijn werkzaamheden in [woonplaats] en omgeving uitvoert en dus ruime ervaring heeft met het bouwen in dit waterrijke gebied. [gedaagde] miskent met zijn betoog dat het, hem gelet op die ervaring, op grond van een enkele schouw van de situatie ter plaatse, zoals omschreven in de vermelde rapportages van onder andere [naam] van 2 december 2019 en Hanselman/Socotec van 16 juli 2024, al duidelijk moet zijn geweest dat de vochtdichtheid van het bouwwerk bij de opzet en de uitvoering van het bouwplan bijzondere aandacht vergde. Als het ontbreken van bodemonderzoek en gegevens omtrent de grondwaterstand problematisch is of lijkt te zijn in verband met de op de aannemer rustende verantwoordelijkheid voor realisatie van een waterdicht bouwwerk, dient de aannemer zijn opdrachtgever te waarschuwen en om die gegevens te vragen. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd. Verder wordt het betoog van [gedaagde] in alle opzichten weerlegd door de nadere onderzoeken en rapportages van Hanselman/Socotec en Engel Bouw, die in essentie eensluidend zijn en tot de slotsom leiden dat op een groot aantal essentiële punten geen sprake is van goed en deugdelijk werk.
4.8.
[gedaagde] heeft zich verder nog op het rapport van Hanselman/Socotec beroepen, namelijk op de beantwoording van vraag 2 van [eisers] op pagina 12 van dit rapport. [gedaagde] wijst erop dat daarin is vermeld dat de oorzaak is gelegen in onvoldoende onderzoek naar de bestaande constructie en opbouw van de vloeren en dat bij uitvoering in een vochtige omgeving regen- en grondwater de constructie kan binnendringen en zich verspreiden in de verschillende bouwdelen. Dit beroep helpt hem niet. Deze uitlatingen onderstrepen nu juist de essentie van het verwijt dat [eisers] aan [gedaagde] maken, namelijk een volkomen gebrek aan oog voor wat de omgeving aan zorg van een aannemer verlangt.
4.9.
Aangezien [gedaagde] de bevindingen van Hanselman/Socotec en Engel Bouw niet, althans onvoldoende heeft betwist volgt de rechtbank de conclusies in hun rapportages van 16 juli 2024 respectievelijk 9 september 2025 en stelt zij vast dat [gedaagde] tegenover [eisers] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst.
Vervangende schadevergoeding
4.10.
In hun dagvaarding hebben [eisers] verklaard dat zij in plaats van herstel door [gedaagde] schadevergoeding vorderen, als gevolg waarvan de verbintenis tot nakoming is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW Pro. [eisers] zijn tot die omzetting gerechtigd, omdat zij [gedaagde] bij brief van 26 juli 2024 in gebreke hebben gesteld en gelegenheid hebben gegeven om over te gaan tot herstel van de gebreken. [eisers] hebben [gedaagde] daarbij gesommeerd zijn bereidheid tot het verrichten van herstelwerkzaamheden binnen veertien dagen te bevestigen. [gedaagde] heeft hierop meegedeeld dat hij de kwestie zal voorleggen aan zijn verzekeraar en hij heeft daarna geen contact meer met [eisers] opgenomen. Van de verzekeraar hebben [eisers] nauwelijks iets vernomen. [gedaagde] is ook later niet alsnog overgegaan tot het verrichten van herstel-werkzaamheden (of het aanbieden daarvan). Nu herstel door [gedaagde] is uitgebleven is hij in verzuim komen te verkeren. [eisers] maken dus terecht aanspraak op vervangende schadevergoeding.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] zichzelf, als gevolg van zijn lakse opstelling, in de voet heeft geschoten. Immers, na het rapport van Hanselman/Socotec van 16 juli is de schade door verdere inwerking van het vocht aanzienlijk toegenomen. Zo is daardoor inmiddels ook de houten muur van de woning aangetast (het hout verpulvert). Het uitgebleven herstel van de gebreken leidt aldus tot hogere kosten. Dat blijkt duidelijk uit het rapport van Engel Bouw van 9 september 2025 en de bevestiging daarvan door Hanselman/Socotec in haar e-mail van 18 december 2025. De rechtbank ziet ook overigens geen reden om aan de juistheid van de offerte Engel Bouw te twijfelen, en dat brengt mee dat de gevorderde schadevergoeding ter hoogte van de geoffreerde herstelkosten van € 208.581,49 toewijsbaar is.
4.12.
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen over het aanvankelijk gevorderde schadebedrag van € 98.371,05 vanaf 26 juli 2024 (de datum van de ingebrekestelling) en over het bedrag van € 110.210,44 (de bij wijziging van eis gevorderde aanvullende schade op basis van het rapport en de offerte van Engel Bouw) vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Daadwerkelijke schade
4.13.
[eisers] vorderen verder dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de daadwerkelijke schade voor zover deze hoger blijkt te zijn dan, naar de rechtbank begrijpt, het bedrag van € 208.581,49, en vragen verwijzing naar de schadestaatprocedure. Daartoe stellen zij in de dagvaarding dat het door hen gevorderde bedrag slechts een begroting is van deskundige Hanselman/Socotec en geen offerte van een aannemer, dat de begroting stelposten bevat, dat er additionele kosten kunnen zijn omdat enkele zaken nog niet door de deskundige zijn onderzocht en dat de offerte van de aannemer waarschijnlijk hoger uitpakt gelet op de overspannen markt.
4.14.
De rechtbank overweegt dat dit standpunt inmiddels grotendeels is achterhaald door de overgelegde offerte van Engel Bouw en de daarop gebaseerde vermeerdering van eis, die wordt toegewezen. Echter, [eisers] hebben gemotiveerd betoogd dat de schade zich op dit moment niet definitief laat begroten omdat tijdens de herstelwerkzaamheden mogelijk meer gebreken aan het licht kunnen komen en hogere kosten worden gemaakt. Nu de mogelijk-heid van nadere schade aannemelijk is zal de rechtbank dit onderdeel van de vorderingen ook toewijzen.
Kosten rapportage
4.15.
[eisers] vorderen een bedrag van totaal € 8.332,- voor onderzoekskosten respectievelijk deskundigenrapporten van Hanselman/Socotec, DS Timmerwerken en Engel Bouw. Ter onderbouwing daarvan hebben [eisers] de betreffende facturen overgelegd. De rechtbank overweegt dat [eisers] deze kosten hebben gemaakt voor de vaststelling van de gebreken en de aansprakelijkheid van [gedaagde] daarvoor. De kosten komen de rechtbank ook redelijk voor, zodat deze zullen worden toegewezen op grond van artikel 6:96 BW Pro lid 2 aanhef en onder b.
4.16.
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen over het bedrag van € 6.261,75 (de kosten voor Hanselman/Sonotec en DS Timmerwerk) vanaf 26 juli 2024 (de datum van de ingebrekestelling) en over het bedrag van € 2.117,50 (de bij wijziging van eis gevorderde kosten van Engel Bouw) vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Overige kosten
4.17.
Verder vorderen [eisers] in totaal € 14.060,- aan verhuis- en opslagkosten en huur van vervangende woonruimte. De rechtbank zal deze kosten afwijzen omdat deze vordering prematuur is. Op dit moment staat immers niet vast dat [eisers] kosten van deze omvang daadwerkelijk zullen maken en voor zover dat wel het geval is kunnen deze kosten, voor zover deze gerelateerd zijn aan de herstelwerkzaamheden, in de schadestaatprocedure (zie hiervoor onder 4.14.) worden meegenomen.
Proceskosten
4.18.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
4.19.
[eisers] vorderen primair dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de integrale proceskosten, waaronder de daadwerkelijke advocaatkosten. Zij leggen daaraan ten grondslag dat [gedaagde] de procedure onnodig heeft vertraagd doordat hij meerdere keren uitstel heeft gevraagd voor het nemen van een conclusie van antwoord met het oog op het vinden van een oplossing buiten rechte. Maar [gedaagde] , althans zijn advocaat, waren gedurende een lange periode onbereikbaar. Hierdoor zijn onnodig kosten gemaakt en is de schade aan de woning onnodig opgelopen. Volgens [eisers] is daarom sprake van misbruik van recht. Subsidiair vorderen [eisers] veroordeling van [gedaagde] in de geliquideerde kosten.
4.20.
De rechtbank overweegt dat de opstelling van [gedaagde] in deze procedure niet van dien aard is dat aan de strikte, kwade trouw vereisende maatstaf voor toewijzing daarvan is voldaan.
4.21.
De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,57
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.830,57
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € € 208.581,49, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van
€ 98.371,05 vanaf 26 juli 2024 tot de dag van volledige betaling, en over het bedrag van
€ 110.210,44 vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van een vergoeding aan [eisers] voor de daadwerkelijk door [eisers] geleden schade, voor zover deze hoger blijkt te zijn dan begroot en toegewezen onder 5.1., op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 8.332,- voor kosten van onderzoek/deskundigen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van € 6.261,75 vanaf 26 juli 2024 tot de dag van volledige betaling, en over het bedrag van € 2.117,50 vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.830,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en door mr. J.H. Gisolf in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
NMB/AS