ECLI:NL:RBNHO:2026:2635

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
12082550 \ VV EXPL 26-18
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BWArt. 611a RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing uitsluitend gebruik huurwoning aan eiser na beëindiging affectieve relatie

Eiseres en gedaagde huurden samen een woning en hadden een affectieve relatie die is beëindigd. Eiseres vordert op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro het uitsluitend gebruik van de huurwoning, met vertrekverplichting en contact- en locatieverbod voor gedaagde, vanwege onveilige situatie en belangen van minderjarige kinderen.

De kantonrechter stelt vast dat er sprake is van een spoedeisend belang door oplopende spanningen en een incident dat bij de politie is gemeld. De belangenafweging leidt tot toewijzing van het uitsluitend gebruik aan eiseres, mede vanwege het belang van haar minderjarige kind dat in de woning woont en naar school gaat in de omgeving.

Gedaagde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij gebonden is aan de woning voor werk en kan elders wonen. De termijn voor vertrek wordt gesteld op één week na betekening. Het contact- en locatieverbod wordt beperkt tot één jaar en een straal van 100 meter rond de woning, met dwangsommen bij overtreding.

De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Eiseres krijgt het uitsluitend gebruik van de huurwoning toegekend met vertrekverplichting en contact- en locatieverbod voor gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12082550 \ VV EXPL 26-18
Vonnis in kort geding van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. R.J.A. Verhoeven,
tegen
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. I.P. van Rossen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 februari 2026, met 4 producties;
- de conclusie van antwoord van 10 februari 2026, met 3 producties;
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [eiser];
- de pleitnota van [gedaagde].
1.2.
Op de zitting van 11 februari 2026 is aangegeven dat op 25 februari 2026 vonnis zal worden gewezen. Op verzoek van (de gemachtigde van) [eiser] wordt dit vonnis heden (vervroegd) uitgesproken wegens dreigende escalatie tussen partijen.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde] huren sinds 20 juni 2025 van Stichting Woonopmaat de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats]. De huurprijs bedraagt € 922,53 per maand.
2.2.
Partijen onderhielden sinds 2021 een affectieve relatie, zonder samenlevingscontract. Uit een eerdere relatie van [eiser] zijn twee kinderen geboren, die ook op voornoemd adres wonen. Eén van haar kinderen is minderjarig. [gedaagde] heeft ook een minderjarig kind uit een eerdere relatie. Hij heeft met zijn dochter een omgangsregeling waarin is vastgelegd dat zij eens per veertien dagen in het weekend bij hem verblijft.
Inmiddels is de affectieve relatie tussen [eiser] en [gedaagde] geëindigd en zijn zij niet langer in staat gezamenlijk in de woning te verblijven.
2.3.
[eiser] heeft een dienstverband bij Hartekamp Groep. [gedaagde] is werkzaam als zelfstandig ondernemer in de evenementen- en productiesector.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat - dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorzieningen:
  • te bepalen dat [eiser], met uitsluiting van [gedaagde], gerechtigd is tot het gebruik van de huurwoning aan de [adres] ([postcode]) [plaats], met bevel dat [gedaagde] met afgifte van de sleutels aan [eiser] de woning dient te verlaten en deze niet mag betreden op straffe van een dwangsom
  • te bepalen dat aan [gedaagde] een contact- en locatieverbod wordt opgelegd, op straffe van een dwangsom;
  • [gedaagde] te veroordelen in de kosten van onderhavig geding, gebruikelijk salaris van gemachtigde en de nakosten inbegrepen.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat partijen niet langer met elkaar in de huurwoning kunnen verblijven. Onder verwijzing naar artikel 7:267 lid 7 BW Pro stelt zij dat haar belangen om de huur van de woning voort te zetten zwaarder wegen dan die van [gedaagde]. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan:
  • [eiser] heeft de zorg voor haar kinderen, van wie één minderjarig is. Haar jongste zoon van dertien jaar zit op school in [plaats];
  • [eiser] heeft een grotere binding met [plaats] dan [gedaagde]. Dit blijkt onder meer uit haar woonhistorie.
  • De werklocaties van [gedaagde] als evenementenbouwer bestrijken het hele land en hij is om die reden niet gebonden aan [plaats]. Daar komt bij dat [gedaagde] pas sinds 6 december 2025 staat ingeschreven in de gemeente [plaats];
  • [eiser] betaalt de vaste lasten, waaronder de huur, verzekeringen, water en energie. [gedaagde] betaalt slechts mondjesmaat en onregelmatig mee aan de huur.
  • [eiser] kan gelet op haar inkomen geen duurdere woning huren;
  • [eiser] heeft geen alternatieve woning om in te verblijven met haar kinderen. [gedaagde] kan een leegstaande woning van zijn zus in Wassenaar betrekken;
  • De huidige huurwoning is weliswaar op grond van de inschrijfduur aan [gedaagde] toegewezen door Stichting Woonopmaat, maar dat kon alleen vanwege de aanwezigheid van [eiser] en haar kinderen worden gerealiseerd.
3.3.
Voorts voert [eiser] aan dat zij en haar kinderen zich niet meer veilig voelen in hun woning. Zij stelt dat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden op 30 november 2025, 26 en 31 januari 2026. De onveilige situatie wordt bevestigd door de wijkagent van politie Noord-Holland. Om deze reden vordert [eiser] naast het alleenrecht op de huurwoning ook een contact- en locatieverbod voor [gedaagde] op straffe van een dwangsom bij overtreding van het verbod.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met compensatie in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.2.
[gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, althans dat dit spoedeisend belang in voldoende mate is gesteld en onderbouwd. De door [eiser] geschetste onveilige situatie voor haar en haar kinderen waardoor een onmiddellijke voorziening nodig is strookt niet met de feitelijke gang van zaken, aldus [gedaagde]. Sinds de beëindigde relatie in december 2025 hebben partijen nog enkele tijd samen met de kinderen van [eiser] in de woning gewoond. De door de relatiebreuk ontstane verstoorde verhouding, maakt op zichzelf nog niet dat sprake is van een situatie die een onmiddellijke en ingrijpende rechterlijke ordemaatregel vereist.
4.3.
De kantonrechter volgt het betoog van [gedaagde] niet. Onbetwist is dat de relatie tussen partijen is verbroken en dat sprake is van oplopende spanningen tussen beiden. Er heeft tussen hen een incident voorgedaan waarvan [eiser] melding heeft gedaan bij de politie. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening kan op grond van deze omstandigheden worden vastgesteld.
Toetsingskader
4.4.
Voor toewijzing van de vordering in kort geding is vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat de vordering in de nog te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in de bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.5.
Op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro kunnen huurders en medehuurders vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. De vordering wordt alleen toegewezen als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is. Strikt genomen betreft artikel 7:267 lid 7 BW Pro een conflictenregeling tussen contractuele huurders enerzijds en hun wettelijke medehuurders anderzijds en niet tussen louter contractuele huurders, zoals bij [eiser] en [gedaagde] het geval is. De bepaling kan echter naar analogie worden toegepast als sprake is van contractuele medehuurders die niet gehuwd noch geregistreerd partner zijn.
Belangenafweging valt voorlopig in voordeel van [eiser]
4.6.
Zowel [eiser] als [gedaagde] pretendeert een overwegend belang bij het gebruiksrecht van de woning te hebben. Hoewel voor beide partijen geldt dat het moeilijk zal zijn (op korte termijn) andere passende woonruimte te vinden – en partijen wat dat betreft dus beiden een groot belang hebben bij behoud van de woning – is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat [eiser] onder de huidige omstandigheden een groter belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning dan [gedaagde].
4.7.
Doorslaggevend hierbij is het belang van het minderjarige kind van [eiser]. Het minderjarige kind heeft op dit moment zijn hoofdverblijf in de woning en het is in zijn belang dat hij in deze voor hem vertrouwde omgeving, in de buurt van zijn school, kan blijven wonen. Wanneer [eiser] de woning moet verlaten, zal het minderjarige kind uit zijn vertrouwde omgeving worden gehaald. Dat is niet wenselijk.
4.8.
Weliswaar heeft [gedaagde] terecht gesteld dat ook rekening moet worden gehouden met zijn minderjarige dochter, maar vast staat dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige dochter bij zijn ex-partner is. [gedaagde] heeft met zijn dochter een omgangsregeling waarbij zij eens per veertien dagen in het weekend bij hem verblijft. Dat deze omgangsregeling niet in een andere woning kan worden voortgezet, is niet gebleken.
4.9.
Bovendien heeft [gedaagde] - in tegenstelling tot [eiser] - onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor zijn werk aan (voorzieningen in) deze woning gebonden is. Dat hij een andere baan (naast de werkzaamheden in de evenementensector) heeft waardoor hij gebonden is aan de omgeving [plaats], is op geen enkele manier concreet gemaakt. Verder weegt de kantonrechter mee dat [eiser] als onbetwist heeft gesteld dat zij geen duurdere woning (de kantonrechter begrijpt: een woning in de vrije sector) kan huren.
4.10.
De overige door partijen genoemde omstandigheden leiden de kantonrechter niet tot een ander oordeel. [gedaagde] heeft nog betoogd dat hij aanzienlijk in de woning heeft geïnvesteerd, maar deze stelling heeft hij niet onderbouwd en legt daardoor in het kader van de belangenafweging geen gewicht in de schaal.
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat het voortgezet gebruik van de woning, met uitsluiting van [gedaagde], bij wijze van voorlopige voorziening aan [eiser] zal worden toegekend. Dit betekent dat [gedaagde] de woning moet verlaten en de sleutels aan [eiser] moet afgeven.
4.12.
[eiser] verzoekt om de termijn voor [gedaagde] om de woning te verlaten te bepalen op vierentwintig uur na betekening van dit vonnis en te bepalen dat [gedaagde] de woning daarna niet meer mag betreden, op straffe van een dwangsom. [gedaagde] voert daartegen verweer en verzoekt aan hem een redelijke termijn toe te kennen. Hoewel tijdens de mondelinge behandeling gebleken is dat de spanningen hoog zijn opgelopen, is een termijn van vierentwintig uur niet redelijk. [gedaagde] moet enige tijd worden gegund om alternatieve woonruimte te vinden. De kantonrechter stelt daarom de termijn voor [gedaagde] om de woning te verlaten en tot afgifte van de sleutels op één week na betekening van dit vonnis.
4.13.
Ingevolge artikel 611a Rv kan de kantonrechter op vordering van een der partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. De door [eiser] gevorderde dwangsom is echter te hoog. Een dwangsom van € 100,00 per dag(deel), met een maximum van € 5.000,00 is een voldoende prikkel voor [gedaagde] om de woning te verlaten.
Contact- en locatieverbod
4.14.
[eiser] heeft verzocht om een contact- en locatieverbod van de duur van twee jaar, inhoudende dat [gedaagde] zich niet binnen de gemeente [plaats] mag bevinden en op geen enkele wijze contact met haar mag opnemen, op straffe van een dwangsom.
4.15.
[eiser] vreest voor haar veiligheid en die van haar kinderen. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een concrete bedreiging van haar veiligheid of die van haar kinderen. Wel staat vast dat de verhouding tussen partijen ernstig is verstoord en dat de spanningen hoog zijn opgelopen. Om verdere escalatie te voorkomen, acht de kanonrechter een contact- en locatieverbod noodzakelijk.
4.16.
De kantonrechter acht een dergelijk verstrekkend verbod (zie r.o. 4.14) onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het noodzakelijk is om [gedaagde] gedurende twee jaar uit de gehele gemeente [plaats] te weren. Een verbod met een dergelijke geografische reikwijdte gaat verder dan nodig is om verdere escalatie te voorkomen en wordt daarom niet proportioneel geacht.
4.17.
De kantonrechter zal het verbod beperken in duur en omvang. [gedaagde] zal worden verboden om gedurende één jaar op enige wijze contact op te nemen met [eiser] en zich te bevinden binnen een straal van 100 meter van de woning van [eiser], met die woning als middelpunt. Aan dit verbod wordt op grond van artikel 611a Rv een dwangsom verbonden van € 250,00 per overtreding, met een maximum van € 5.000,00.
Proceskosten
4.18.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Dit betekent dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.19.
Dit vonnis wordt zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). De door [gedaagde] hiertegen aangevoerde verweren slagen niet.

5.De beslissing

De kantonrechter
rechtdoende als Voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening:
5.1.
bepaalt dat [eiser] na één week na betekening van dit vonnis met uitsluiting van [gedaagde] gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan het adres aan de [adres] te ([postcode]) [plaats],
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om de woning, gelegen aan de [adres] te ([postcode]) [plaats], binnen één week na betekening van dit vonnis te verlaten en deze niet meer te betreden, onder afgifte van de sleutels aan [eiser], op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag(deel), tot een maximum van € 5.000,00,
5.3.
verbiedt [gedaagde] om gedurende één jaar, na betekening van dit vonnis, op enige wijze contact op te nemen met [eiser] en zich te bevinden binnen een straal van 100 meter van de woning van [eiser], met die woning als middelpunt, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per overtreding en voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 5.000,00,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.