ECLI:NL:RBNHO:2026:2600

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11364670 CV ECL 24-7482 en 11518387 CV EXPL 25-552
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25.3 Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimteArt. 6:96 BWArtikel 30 FaillissementswetArtikel 18 Wetboek van Koophandel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ex-vennoot blijft hoofdelijk aansprakelijk voor huurschuld na ontbinding vennootschap

In deze civiele bodemzaak en vrijwaringszaak stond de aansprakelijkheid voor huurachterstand van een bedrijfsruimte centraal. De vennootschap onder firma (vof) was ontbonden en een van de vennoten had zich uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. De eiser vorderde betaling van huurachterstand, boetes en incassokosten van de vennootschap en haar vennoten.

De kantonrechter oordeelde dat vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor verbintenissen van de vof, ook na uittreden, zolang de huurovereenkomst loopt. De vaststellingsovereenkomst tussen de vennoten deed hieraan niet af, omdat deze geen werking heeft jegens derden. De ex-vennoot kon zich niet onttrekken aan haar betalingsverplichting ondanks feitelijke afwezigheid en pogingen tot samenwerking.

De gevorderde contractuele boete en buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen, evenals de proceskosten. In de vrijwaringszaak werd de andere vennoot veroordeeld om de ex-vennoot te vrijwaren, waarbij verstek was verleend. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de faillietverklaring van een vennoot leidde niet tot schorsing van de procedure.

Uitkomst: Ex-vennoot blijft hoofdelijk aansprakelijk voor huurachterstand en andere vennoot wordt veroordeeld tot vrijwaring en betaling.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11364670 \ CV EXPL 24-7482 en
Zaaknummer: 11518387 \ CV EXPL 25-552
Vonnis in de hoofdzaak en in vrijwaring van 18 maart 2026
in de zaak met zaaknummer 11364670 \ CV EXPL 24-7482 (hoofdzaak) van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: M.J. van Twuijver,
tegen

1.de opgeheven vennootschap onder firma [gedaagde 1],

te [plaats],
niet verschenen

2.[gedaagde 2],

te [plaats],
procederend in persoon

3.[gedaagde 3],

te [plaats],
niet verschenen
gedaagde partijen,
en in de zaak van met zaaknummer 11518387 \ CV EXPL 25-552 (vrijwaringszaak) van
[gedaagde 2],
te [plaats],
procederend in persoon
tegen
[gedaagde 3],
te [plaats],
niet verschenen
gedaagde
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], gezamenlijk: [gedaagden]

1.De procedure in de hoofdzaak

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het (tussen)vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 8 januari 2025
- de conclusie van repliek van [eiser]
- de conclusie van dupliek van [gedaagde 2]
- de akte uitlating producties van [eiser].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het (tussen)vonnis in het incident en in hoofdzaak van 8 januari 2025
- de dagvaarding van 27 januari 2025
- het tegen [gedaagde 3] verleende verstek.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten in hoofdzaak en vrijwaring

3.1.
[gedaagden] hebben via een akte van indeplaatsstelling per 1 maart 2020 op grond van een huurovereenkomst van 1 september 2017 de bedrijfsruimte op het adres [adres] te [plaats] van [eiser] gehuurd tegen een huurprijs van (laatstelijk) € 3.556,60, telkens voor of op de eerste dag van de maand te voldoen.
3.2.
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro van 17 september 2012 van toepassing verklaard. Daarin staat, voor zover van belang:
“25.3 Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand. (…)”
3.3.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben in de vorm van een vennootschap onder firma [gedaagde 1] geëxploiteerd. Per whatsapp heeft [gedaagde 3] [gedaagde 2] op 23 november als volgt bericht:
“De VOF houdt dan inderdaad op te bestaan en ik neem alle lopende contracten over. De kosten die uit de ontbinding komen kan ik via financiering dan regelen. De 15K maakt mij niet zo veel uit hoe en wanneer en welke manier maar als daar akkoord op is kan ik dat mee financieren voor de ontbinding (…) De contracten van de zaken komen na ontbinding direct vrij en zouden overgenomen moeten worden door nieuwe bedrijven. Ik ga dan starten met de oprichting hiervan en dan de in de plaatststelling van de huurders regelen (...) Met die ‘voorlopige overeenkomst’ word jij dus gevrijwaard van alle lopende schulden.”
3.4.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben op 31 december 2023 een schriftelijke vaststellingovereenkomst (VSO) gesloten waarbij zij hun samenwerking in goed overleg hebben beëindigd en vennootschapsovereenkomst met betrekking tot [gedaagde 1] hebben ontbonden. Andre partijen bij de VSO zijn onder meer [gedaagde 1] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]), waarvan [gedaagde 3] middellijk aandeelhouder en bestuurder is. De overeenkomst is door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ondertekend, zowel in persoon als namens [gedaagde 1] en [bedrijf]. In de VSO staat, onder meer, dat alle vorderingen, rechten, schulden en plichten van [gedaagde 1] met ingang van 1 januari 2024 voor rekening komen van [bedrijf], en dat deze [gedaagde 2] vrijwaart voor eventuele vorderingen of (schade)claims van derden. Ook staat in de vaststellingsovereenkomst:

- Partijen wensen overeen te komen dat (…) [bedrijf] vanaf 1 januari 2024 alle rechten en verplichtingen op zich zullen n[e]men ten aanzien van de VOFs (…);
- Partijen begrijpen dat de overname van deze ondernemingen niet jegens derden (door)werkt. Dat wil zeggen: derden die een overeenkomst hebben gesloten met de VOFs kunnen zich tot [gedaagde 2] en [gedaagde 3] blijven richten, aangezien die derden met hen een overeenkomst hebben gesloten;
- Deze overeenkomst tot doel heeft dat (…) [bedrijf] alle rechten en verplichtingen op zich zullen nemen, dus ook op het moment dat een derde [gedaagde 2] zal aanspreken op de nakoming van enige verplichting;”
3.5.
Per 1 januari 2024 is [gedaagde 2] bij de Kamer van Koophandel uitschreven als vennoot van [gedaagde 1].
3.6.
Bij (tussen)vonnis van 8 januari 2025 is [gedaagde 2] in het incident toegestaan [gedaagde 3] te dagvaarden. In de hoofdzaak is tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] verstek verleend en heeft [gedaagde 2] geen verweer gevoerd tegen de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Om een einde aan het steeds verder oplopen van de huurachterstand en om [eiser] beschikking te geven over het pand, is de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de bedrijfsruimte bij voormeld (tussen)vonnis reeds toegewezen.
3.7.
[eiser] heeft sinds april 2025 de volledige toegang tot het gehuurde.
3.8.
Op 11 november 2025 is [gedaagde 3] failliet verklaard.
3.9.
Op 1 december 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] verzocht om de procedure tegen [gedaagde 3] te schorsen en de procedure tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voort te zetten.

4.Het geschil in de hoofdzaak

4.1.
[eiser] vordert – na wijziging eis –:
Huurachterstand tot en met januari 2025 € 68.798,90
Boetes tot en met april 2025 € 15.282,11
Incassokosten € 1.641,11
In mindering voldaan
€ 16.570,29-/-
€ 69.151,83
te vermeerderen met, primair, een boete van 1% per maand of een gedeelte daarvan met een minimum van € 300,00 vanaf 1 april 2025 berekend over een bedrag van € 68.798,90, subsidiair, indien de boete niet wordt toegewezen, de wettelijke handelsrente over de huurtermijnen vanaf de respectievelijke vervaldata.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij met [gedaagde 1] een huurovereenkomst heeft gesloten en dat de huur niet is betaald. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn als vennoten van [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de huurachterstand.
4.3.
[gedaagde 2] voert verweer. Zij voert aan dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de opgelopen huurachterstand. [gedaagde 1] is ontbonden en zij heeft zich per 1 januari 2024 laten uitschrijven uit het handelsregister als vennoot. [gedaagde 3] zou vanaf dat moment de volledige onderneming en bijbehorende verplichtingen van [gedaagde 1] overnemen en deze onderbrengen in zijn eigen B.V.’s. [gedaagde 3] zou in dit verband nieuwe huurcontracten aangaan. [gedaagde 3] heeft zich niet aan zijn afspraken gehouden. [gedaagde 2] had per 1 januari 2024 geen toegang meer tot of zeggenschap over het pand. Uit de stukken blijkt dat zij niet betrokken is geweest bij de verdere communicatie over het gehuurde. Desondanks heeft zij altijd geprobeerd om een constructieve samenwerking te realiseren om zo verdere schade te voorkomen. [eiser] laat het juridisch gewicht van de vaststellingsovereenkomst buiten beschouwing.

5.Het geschil in de vrijwaringszaak

5.1.
[gedaagde 2] vordert – samengevat – [gedaagde 3] te veroordelen om datgene te betalen waartoe [gedaagde 2] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] moet worden veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling. Ook vordert [gedaagde 2] [gedaagde 3] te veroordelen in de proceskosten van de vrijwaringsprocedure.
5.2.
[gedaagde 2] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Uit de tussen partijen overeengekomen VSO volgt dat [bedrijf] [gedaagde 2] vrijwaart voor eventuele vorderingen of (schade)claims van derden ten aanzien van [gedaagde 1] en dat [gedaagde 3] uiteindelijk hiervoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Aanvullend zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde 3] een nieuwe huurovereenkomst met [eiser] zou aangaan. Ten slotte voert [gedaagde 2] aan dat [gedaagde 3] uit hoofde van de VSO weliswaar gevrijwaard dient te worden door [bedrijf], maar dat deze verplichting uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid op [gedaagde 3] rust omdat uit zijn handelen en nalaten blijkt dat hij niet van plan is geweest om uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken.
5.3.
[gedaagde 3] heeft geen verweer gevoerd.

6.De verdere beoordeling

In de hoofdzaak en in vrijwaring
6.1.
Het verzoek van [eiser] om de procedure jegens [gedaagde 3] te schorsen, wordt niet gehonoreerd. [gedaagde 3] is op 11 november 2025 failliet verklaard. Omdat zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringszaak op dat moment de stukken van het geding tot het geven van een beslissing al aan de rechter waren overgelegd is daarvoor immers geen aanleiding [1] .
In de hoofdzaak
6.2.
Vennoten zijn hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verbintenissen van de v.o.f. [2] . Voor verbintenissen die ontstaan zijn na het uittreden van een vennoot, is deze in beginsel niet aansprakelijk. In het onderhavige geval gaat het onder meer om huurschulden die voorafgaand aan en na het uittreden van [gedaagde 2] uit [gedaagde 1] zijn ontstaan. [eiser] heeft aangevoerd dat de huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaar die blijkens de akte van indeplaatsstelling na 31 augustus 2022 voor vijf jaar is verlengd. [gedaagde 2] heeft dit niet weersproken. Dat betekent dat [gedaagde 2] zich als vennoot van [gedaagde 1] jegens [eiser] hoofdelijk heeft verbonden de huur tot het einde van de huurovereenkomst te voldoen. Door het uittreden van [gedaagde 2] uit IJzerman is deze verbintenis niet geëindigd. Het verweer van [gedaagde 2] dat zij niet kan worden aangesproken voor enige schuld die na 1 januari 2024 uit de huurovereenkomst is ontstaan faalt derhalve.
6.3.
De tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gesloten vaststellingsovereenkomst met een overdracht van de onderneming doet daar niet aan af. De daarin vastgelegde afspraken hebben alleen werking tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 3]; [eiser] is hierbij geen partij geweest. Onder omstandigheden kan toewijzing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, maar hier is niet voldoende van gebleken. Daar is meer voor nodig dan het enkele feit dat [gedaagde 2] feitelijk niet meer betrokken was bij de onderneming of dat zij geen toegang meer had tot het gehuurde. Dat [gedaagde 2] alles in het werk heeft gesteld om alsnog tot oplossingen te komen, is te prijzen maar maakt niet dat zij uit haar betalingsverplichting wordt ontslagen.
6.4.
Nu sprake is van een huurachterstand zijn [gedaagden] op grond van artikel 25.3 van de algemene bepalingen een contractuele boete van 1% van de huurachterstand verschuldigd geworden, met een minimum van € 300,00 per maand. De kantonrechter begrijpt dat bedoeld is dat telkens eenmaal € 300,00 verschuldigd is voor iedere maand dat niet (tijdig of volledig) tot betaling is overgegaan. Omdat uit de specificatie in de conclusie van repliek blijkt dat 19 maanden niet (tijdig of volledig) zijn betaald, zal een bedrag van € 5.700,00 aan contractuele boete worden toegewezen. [eiser] heeft in het licht van de ontbinding van de huurovereenkomst als gevolg van het (tussen)vonnis van 8 januari 2025 onvoldoende onderbouwd dat [gedaagden] een hoger bedrag aan boetes verschuldigd is geworden. Aangezien de boete wordt toegewezen is de voorwaarde voor de beoordeling van de subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente niet vervuld, met als gevolg dat deze onbesproken zal blijven.
6.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het gevorderde bedrag is hoger dan in het Besluit bepaalde tarief. Een bedrag van € 1.462,99 zal worden toegewezen (gebaseerd op een hoofdsom van € 68.798,90).
6.6.
De vorderingen zullen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen worden toegewezen, ook ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 3], omdat deze de kantonrechter overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
6.7.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
280,33
- griffierecht
706,00
- salaris gemachtigde
2.165,00
(2,5 punten × € 866,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.295,33
In de vrijwaringszaak
6.8.
[gedaagde 2] heeft toegelicht dat zij met [gedaagde 3] is overeengekomen dat hij de onderneming van [gedaagde 1] van haar zou overnemen en vervolgens zou inbrengen in [bedrijf]. Volgens [gedaagde 2] is daarbij expliciet door [gedaagde 3] de verzekering gegeven dat ook de huurachterstand door [bedrijf] zou worden voldaan, en dat [gedaagde 3] een nieuwe huurovereenkomst zou aangaan. [gedaagde 3] is volgens [gedaagde 2] keer op keer zijn afspraken niet nagekomen met als gevolg dat zij ten onrechte door [eiser] wordt aangesproken in verband met de openstaande huurschuld. In dit verband heeft [gedaagde 2] onder meer verwezen naar het whatsapp-gesprek met [gedaagde 3] van 23 november 2023 en naar de VSO. Daarmee heeft [gedaagde 2] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat het de bedoeling van partijen is geweest dat [gedaagde 3] haar in persoon zou vrijwaren, en in verband daarmee [bedrijf] zou inschakelen. De omstandigheid dat in de VSO in dit verband alleen [bedrijf] wordt genoemd acht de kantonrechter gelet op de inhoud van voormeld whatsappgesprek van ondergeschikt belang. De vordering komt de kantonrechter overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
6.9.
[gedaagde 3] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde 2] in persoon procedeert worden de proceskosten begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
90,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
379,45

7.De beslissing

De kantonrechter
In de hoofdzaak
7.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, met dien verstande dat hetgeen de een betaalt ook in mindering strekt op de schuld van de ander, om aan [eiser] te betalen:
- een bedrag van € 68.798,90 aan huurachterstand,
- een bedrag van € 5.700,00 aan contractuele boete,
- een bedrag van € 1.462,99 aan buitengerechtelijke kosten,
7.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van 3.295,33, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
7.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In de vrijwaringszaak
7.5.
veroordeelt [gedaagde 3] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [gedaagde 2] al datgene waartoe [gedaagde 2] in de hoofdzaak tegenover [eiser] is veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling,
7.6.
veroordeelt [gedaagde 3] in de proceskosten van € 379,45 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 3] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op18 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 30 Faillissementswet Pro.
2.Artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel (WvK)