ECLI:NL:RBNHO:2026:2597

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11685212 \ CV EXPL 25-1279
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v lid 3 BWArt. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:96 lid 5 BWArt. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen en informatieverplichtingen in consumentenovereenkomst

De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland behandelde een zaak waarin de eisende partij de gedaagde partij vorderde tot betaling van een bedrag van €2.251,84 plus bijkomende kosten. De gedaagde partij was niet verschenen, waardoor verstek werd verleend.

De vordering was gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter voerde een ambtshalve toetsing uit op de naleving van de wettelijke precontractuele informatieverplichtingen uit de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v BW. De eisende partij had onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat aan deze verplichtingen was voldaan, maar kreeg eenmalig gelegenheid om dit nader toe te lichten.

Daarnaast werd ambtshalve getoetst of de algemene voorwaarden oneerlijke bedingen bevatten. Het incassokostenbeding en het prijswijzigingsbeding werden vermoed oneerlijk geacht omdat zij niet voldeden aan de wettelijke en Europese eisen, met name het transparantievereiste en de beperking van kosten. De kantonrechter gaf de eisende partij ook hier gelegenheid om zich uit te laten.

Verder werd de eisende partij verzocht om concreet toe te lichten hoe de gefactureerde bedragen zich verhouden tot de overeengekomen prijzen en of het prijswijzigingsbeding daarbij is toegepast. De zaak werd aangehouden tot de rolzitting van 8 april 2026 om nadere stukken en toelichtingen te ontvangen.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de zaak aan en geeft de eisende partij gelegenheid tot nadere toelichting over informatieverplichtingen en oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 11685212 \ CV EXPL 25-1279
Uitspraakdatum: 12 maart 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
te [plaats]
de eisende partij
gemachtigde: R.M.Th. Toonen
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 2.251,84, aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente, de proceskosten en de nakosten.
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
2.3.
De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat zij haar standpunten met betrekking tot de (pre)contractuele informatieplichten strikt genomen onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft weliswaar gesteld dat aan die verplichtingen is voldaan, waarbij wordt verwezen naar overgelegde schermafbeeldingen van de webwinkel en algemene voorwaarden, maar dit is niet voldoende. Producties kunnen stellingen ondersteunen, maar niet vervangen. De partij die producties overlegt, moet inzichtelijk maken welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt van die partij. Een enkele verwijzing naar (bepaalde pagina’s van) de producties is daarom onvoldoende. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. Dat betekent dat de eisende partij expliciet en op een duidelijke manier moet aangeven op welke schermafbeelding welke informatie van artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230v lid 3 BW te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren en daarbij te vermelden aan welk artikel, lid en subonderdeel is voldaan).
De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat in eventuele vervolgzaken [2] het ontbreken van een dergelijke onderbouwing kan leiden tot afwijzing van de vordering.
2.4.
In dit geval en bij wijze van uitzondering wordt
de eisende partij echter eenmalig in de gelegenheid gesteld om bij akte nader toe te lichtenhoe zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieverplichtingen.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.5.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [3] Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.6.
Op de overeenkomst(en) zijn de volgende algemene voorwaarden van toepassing verklaard: ‘[bedrijf] B.V. Consumenten voorwaarden’ (hierna: de algemene voorwaarden).
2.7.
Artikel 10.16 van de algemene voorwaarden bevat een incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:
’10.16 Onverminderd (…) aanvaardt de consument een persoonlijke verantwoordelijkheid om te betalen voor: (…)c) Advocaatkosten waar de wet dit toestaat, incassokosten etc. die aan de consument worden opgelegd. (…)’
2.8.
De bedoelde bedingen sluiten onvoldoende aan bij artikel 6:96 lid 5 en Pro lid 6 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In het algemeen spraakgebruik wordt de term ‘incassokosten’ niet alleen gebruikt in de zin van de wettelijke regeling voor incassokosten (artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro en de leden 5 en 6 van datzelfde artikel). De term ‘incassokosten’ komt in dat wetsartikel ook niet voor. Het gebruik van deze term in voornoemde bedingen sluit voor een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument dus niet uit dat daarmee ook andere kosten kunnen worden bedoeld. Het gebrek aan verwijzing naar artikel 6:96 lid 5 en Pro 6 BW leidt er bovendien toe dat kan worden afgeweken van de wet en dat incassokosten ongelimiteerd in rekening kunnen worden gebracht. Daarom is het beding vermoedelijk oneerlijk.
2.9.
De kantonrechter is daarom voornemens om dit beding vanwege deze oneerlijkheid te vernietigen en de buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen.
De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over dit voorlopige oordeel.
2.10.
Artikel 10.3.3 van de algemene voorwaarden bevat een prijswijzigingsbeding. Dat luidt als volgt:
‘Volgens huidige wetgeving kan de [bedrijf] partner na ondertekening van de auto huurovereenkomst achteraf verschuldigde kosten in rekening brengen of het transactiebedrag wijzigen.’
2.11.
Dit beding valt onder punt 1 onder j en l en punt 2 sub b en d van de bijlage bij Richtlijn 93/13/EEG. Deze bijlage bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. [4] Op grond van deze punten in samenhang met vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie [5] is een prijswijzigingsbeding slechts aanvaardbaar wanneer de gronden voor de prijswijziging in de overeenkomst of algemene voorwaarden worden genoemd en deze een geldige reden voor wijziging vormen. Het beding moet ook voldoen aan het transparantievereiste. Dit transparantievereiste moet ruim worden uitgelegd, en impliceert dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument bij het sluiten van de overeenkomst in staat moet worden gesteld om de concrete werking van het beding te begrijpen, en op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen van het beding voor zijn financiële verplichtingen te beoordelen. De bedingen dienen duidelijk en begrijpelijk te zijn opgesteld. [6] Het betrokken beding moet voor de consument niet alleen grammaticaal duidelijk en begrijpelijk zijn, maar de economische redenen voor de toepassing van het contractuele beding en het verband van dat beding met andere bedingen van de overeenkomst moeten voor die consument eveneens duidelijk en begrijpelijk zijn. De consument dient verder een reële mogelijkheid te hebben om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een eenzijdige wijziging.
2.12.
Aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet onderhavig prijswijzigingsbeding niet; met dit prijswijzigingsbeding kan de eisende partij het verschuldigde bedrag immers (achteraf) in onbeperkte mate verhogen. Daarmee is het onmogelijk om de financiële consequenties van de toepassing van dit beding in te schatten. Gelet hierop wordt dit beding vermoed oneerlijk te zijn. De kantonrechter is daarom voornemens om dit beding te vernietigen.
De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over dit voorlopige oordeel.
2.13.
De overige bedingen uit de algemene voorwaarden die op de vordering van toepassing zijn, te weten de artikelen 8.1, 10.3.4 en 12.1, zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Hoogte van de vordering
2.14.
De prijzen zoals afgesproken in de huurovereenkomst komen niet overeen met de uiteindelijk in rekening gebrachte bedragen op de kostenspecificatie. De eisende partij heeft onvoldoende concreet gesteld waar deze verschillen vandaan komen.
De eisende partij wordt daarom in de gelegenheid gesteldom per gefactureerde kostenpost (huurprijs, verzekeringen, borg, andere kosten en eventuele kortingen, etc.) uit te leggen welk bedrag is overeengekomen, hoe zij dit berekend heeft en welk bedrag zij uiteindelijk aan de gedaagde partij in rekening heeft gebracht. Als de overeengekomen en gefactureerde posten verschillen, dan dient de eisende partij uit te leggen wat de grondslag daarvoor is.
2.15.
Daarbij wordt
de eisende partij ook in de gelegenheid gesteld om toe te lichtenof en in hoeverre zij bij het wijzigen van deze prijzen toepassing heeft gegeven aan het prijswijzigingsbeding uit artikel 10.3.3 van de algemene voorwaarden.
Conclusie
2.16.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld bij akte de onder 2.4, 2.14 en 2.15 bedoelde toelichting te geven. In deze akte kan zij zich ook uitlaten over de voorlopige oordelen over de oneerlijkheid van de hierboven bedoelde bedingen (zie 2.9 en 2.12).
2.17.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
2.18.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 8 april 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen bij akte de onder 2.4, 2.14 en 2.15 bedoelde toelichting te geven en zich uit te laten over de voorlopige oordelen over de oneerlijkheid van de hierboven bedoelde bedingen (zie 2.9 en 2.12);
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021,ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 april 2026.
3.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).
4.Artikel 3 lid 3 Richtlijn Pro 93/13/EEG.
5.HvJ EU 26 april 2012, C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 en HvJ EU 21 maart 2013 (RWE Vertrieb), C-92/11, ECLI:C:EU:2013:180; zie ook het Rapport Ambtshalve Toetsing III pag. 35 en 36.
6.Artikel 5 Richtlijn Pro 93/13/EEG.