ECLI:NL:RBNHO:2026:2592

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11528069 \ CV EXPL 25-697
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatievordering passagiers wegens buitengewone weersomstandigheden en luchtverkeersleidingvertraging

De passagiers hebben compensatie gevorderd van de vervoerder Transavia Airlines C.V. wegens een vlucht die op 15 januari 2023 met meer dan drie uur vertraging aankwam op de eindbestemming. De passagiers baseren hun vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004 en stellen recht te hebben op €400 per persoon.

De vervoerder voert verweer dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk slechte weersomstandigheden op de luchthaven van Kittilä en latere vertrektijden opgelegd door de luchtverkeersleiding. De passagiers betwisten dit deels, maar de vervoerder heeft voldoende bewijs geleverd dat de vertraging niet door eigen toedoen is veroorzaakt en dat alle redelijke maatregelen zijn getroffen.

De kantonrechter oordeelt dat de vertraging inderdaad het gevolg was van buitengewone omstandigheden die niet inherent zijn aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en dat de vervoerder geen invloed had op de opgelegde vertrektijden. Ook is vastgesteld dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te beperken.

Daarom worden de vorderingen van de passagiers afgewezen en worden zij veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vorderingen van de passagiers worden afgewezen wegens buitengewone omstandigheden en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11528069 \ CV EXPL 25-697
Uitspraakdatum: 11 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1], wonende te [plaats 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]beiden wonende te [plaats 2]

4. [eiser 4]

5. [eiser 5]beiden wonende te [plaats 3]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde]. (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)
tegen
de commanditaire vennootschap
Transavia Airlines C.V.
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. G.I. Niesert (LVH Advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd voor een langdurig vertraagde vlucht. De vervoerder stelt dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk slechte weersomstandigheden en latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Het verweer slaagt en de vorderingen worden afgewezen.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- de akte eisers.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 15 januari 2023 vervoeren van Kittalä, Finland naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht HV546 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vertraging van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 300,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden. [2]

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. [3]
4.3.
Volgens de vervoerder werd de vertraging veroorzaakt door slecht weer op de luchthaven van Kittalä. Er was sprake van zeer lage temperaturen en bevriezende mist. Hierdoor werd het zicht beperkt en werd ook de grip op de landingsbaan bemoeilijkt. Vanwege dit slechte weer heeft de luchtverkeersleiding een steeds latere vertrektijd aan het toestel opgelegd. Hierdoor kon de vlucht pas (ruimschoots) later vertrekken dan gepland.
4.4.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat in één van de door de vervoerder overgelegde rapporten staat dat ook gewacht moest worden op passagiers van een andere, geannuleerde vlucht. Daarnaast voeren zij aan dat uit de eveneens overgelegde berichten van de luchtverkeersleiding lijkt te volgen dat de vervoerder zelf een latere vertrektijd heeft aangevraagd.
4.5.
De vervoerder stelt dat het wachten op de passagiers van de andere vlucht geen aanvullende vertraging heeft veroorzaakt. De vlucht in kwestie moest hoe dan ook wachten op het verbeteren van de weersomstandigheden en op toestemming van de luchtverkeersleiding om te vertrekken. Tijdens deze wachttijd konden de passagiers van de andere vlucht instappen. Daarnaast heeft hij steeds de oorspronkelijk geplande vertrektijd doorgegeven aan de luchtverkeersleiding. De luchtverkeersleiding heeft vervolgens zelf uit eigen beweging latere vertrektijden opgelegd. Dit volgt ook uit de daaraan gekoppelde vertragingscode. Ter onderbouwing heeft hij onder meer de berichten van de luchtverkeersleiding overgelegd.
4.6.
Het betoog van de vervoerder slaagt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van de weeromstandigheden en met name de daardoor opgelegde beperkingen van de luchtverkeersleiding. Als een toestel een latere vertrektijd opgelegd krijgt door de luchtverkeersleiding heeft dit niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten immers altijd worden opgevolgd (ongeacht de achterliggende reden). Dergelijke besluiten zijn niet inherent aan de bedrijfsactiviteit aan de vervoerder. De vervoerder heeft eveneens voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de latere vertrektijden niet op zijn eigen verzoek zijn opgelegd, zodat hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. Daarmee was de vertraging het gevolg van buitengewone omstandigheden.
4.7.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken. De vervoerder stelt dat hij de vertraging niet kon voorkomen maar dat hij direct is vertrokken zodra het weer het toeliet. Inzet van een ander toestel of een andere bemanning zou geen zin hebben gehad omdat die met dezelfde beperkingen geconfronteerd zouden worden. De passagiers hebben dit niet betwist.
4.8.
Het verweer slaagt. Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van de vervoerder kon worden verwacht. De passagiers hebben in dit verband ook niets aangevoerd. Daarmee heeft hij alle redelijke maatregelen getroffen. De vorderingen zullen worden afgewezen.
4.9.
De passagiers zullen in het ongelijk worden gesteld. Daarom zullen zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder zullen worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van dit vonnis.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 434,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder,
en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 108,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt
,te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van dit vonnis;
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 7 van Pro de Verordening.
2.Artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
3.Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.