Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2573

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/15/374646 / JU RK 26-225
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens vermoedelijk huiselijk geweld

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, omdat het kind heeft verklaard door de moeder geslagen te worden. De moeder ontkent dit en stelt dat er geen sprake is van huiselijk geweld. De kinderrechter heeft op 11 februari 2026 reeds een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend.

Tijdens de zitting op 20 februari 2026 is het verzoek besproken met betrokken partijen, waaronder de moeder met haar advocaat, de Raad en de gecertificeerde instelling. De minderjarige heeft verklaard dat zij thuis wordt geslagen en niet meer naar huis wil. Uit een top-teen onderzoek is een blauwe plek vastgesteld, maar het is onduidelijk of deze door de moeder is toegebracht. De moeder ontkent het geweld en wil meewerken aan hulpverlening.

De kinderrechter constateert dat de verhalen van moeder en kind verschillen en dat het niet uitgesloten kan worden dat één of beide verhalen deels waar zijn. De acute veiligheid van de minderjarige moet worden gewaarborgd. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 25 maart 2026, korter dan door de Raad gevraagd, om in die periode de thuissituatie en opvoedvaardigheden van de moeder te onderzoeken en een veiligheidsplan op te stellen.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na de uitspraak. De kinderrechter benadrukt het belang van inzet van de moeder voor hulpverlening en het herstellen van het contact met de minderjarige.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 25 maart 2026 om haar veiligheid te waarborgen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374646 / JU RK 26-225
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. D.E. Oud, kantoorhoudende te Krommenie.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 11 februari 2026;
  • de onderbouwing van het spoedverzoek van de Raad van 12 februari 2026;
  • de brief van de Raad van 19 februari 2026;
  • de forensische medische letselrapportage van 19 februari 2026, door de GI ter zitting overlegd.
1.2.
Op 20 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • [tolk] , een tolk [taal] voor de moeder;
- [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder oefent thans alleen het gezag over [de minderjarige] . Volgens de moeder woont de vader in [land] en met hem is geen contact. De rechtbank neemt vooralsnog aan dat het gezag van de vader sinds 2014 van rechtswege is geschorst.
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 februari 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 11 mei 2026. De kinderrechter heeft bij dezelfde beschikking tevens een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een voorziening voor pleegzorg tot 11 maart 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden tot aan deze zitting.
2.3.
[de minderjarige] verblijft op basis van bovengenoemde spoedmachtiging op een groep.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad heeft verzocht [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook heeft de Raad verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
[de minderjarige] heeft verteld dat zij thuis wordt geslagen door haar moeder. De Raad is met Veilig Thuis van mening dat de zorgen over [de minderjarige] zorgvuldig onderzocht moeten worden en dat hiervoor een top-teen onderzoek nodig is. [de minderjarige] heeft bij Veilig Thuis aangegeven dat zij niet meer naar huis wil en durft. Ze is bang voor de consequenties, omdat zij de instanties over het geweld heeft verteld. Eerder woonde zij met haar moeder in [plaats] en ook daar is Veilig Thuis op de hoogte gesteld van het door [de minderjarige] aangegeven huiselijk geweld. De Raad vindt dat [de minderjarige] op een andere, veilige plek dient te verblijven. Omdat de moeder de zorgen ontkent en niet instemt met de plaatsing van [de minderjarige] op een veilige plek, zijn een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing nodig.
3.3.
Ter zitting heeft de Raad hieraan toegevoegd dat meer duidelijkheid moet komen over de veiligheid bij de moeder thuis, voordat [de minderjarige] naar huis kan. Tijdens de betrokkenheid van Veilig Thuis in [plaats] heeft de moeder zich niet aan de veiligheidsafspraken gehouden en hield zij hulpverlening af. Het is nodig dat de directe veiligheid van [de minderjarige] gegarandeerd wordt, dat deze stabiel blijft en dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] hersteld wordt.

4.De standpunten

4.1.
Namens de moeder is verzocht om afwijzing van het verzoek. De moeder ontkent dat zij [de minderjarige] slaat; er is geen sprake van huiselijk geweld. Er zijn Veilig Thuis meldingen gedaan, maar het is onduidelijk wat precies gebeurd is. Uit het top-teen onderzoek is enkel een vage blauwe plek naar voren gekomen, waarvan niet zeker is dat deze door de moeder is toegebracht. De moeder wil graag onderzoek en hulpverlening, zodat duidelijk wordt waarom [de minderjarige] liegt. Het lijkt dat [de minderjarige] niet van de regels van de moeder is gediend en dat zij zich daartegen verzet omdat zij meer vrijheid wil. Nu [de minderjarige] op de groep woont en uit het zicht van de moeder is, is bijvoorbeeld sprake van meer schoolverzuim. De hulpverlening in [plaats] is gestopt, omdat [de minderjarige] geen contact met hen wilde. De moeder wil meewerken met de hulpverlening en een gedwongen kader is dus niet nodig. Er is onvoldoende grond voor een uithuisplaatsing.
4.2.
De GI is het eens met de Raad. Uit het top-teen onderzoek is naar voren gekomen dat bij [de minderjarige] een blauwe plek is gevonden passend bij toegebracht letsel, maar het is niet zeker dat dit door de moeder is toegebracht. De moeder lijkt minder emotioneel beschikbaar voor [de minderjarige] en lijkt [de minderjarige] te beperken in haar vrijheid. De GI wil de komende periode de samenwerking met de moeder en [de minderjarige] starten en het contact tussen hen positief opbouwen. [de minderjarige] kan nog in ieder geval vijf weken op de groep blijven.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
heeft verteld dat het goed gaat met haar op de groep en dat zij daar wil blijven. Zij werd thuis door de moeder veel geslagen en heeft niet de verwachting dat het beter zal worden. Ook omdat de melding bij Veilig Thuis in [plaats] niet heeft geholpen.

6.De beoordeling

De voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
6.1.
Op grond van de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, ziet de kinderrechter geen aanleiding om het oordeel geformuleerd in de beschikking van
11 februari 2026 over de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te wijzigen. De kinderrechter zal die beslissing dan ook handhaven.
De reguliere machtiging tot uithuisplaatsing
6.2.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] langer uit huis wordt geplaatst. [1]
6.3.
Voorop staat dat huiselijk geweld onacceptabel is. De kinderrechter stelt vast dat de verhalen van [de minderjarige] en de moeder over wat in de thuissituatie is gebeurd, sterk van elkaar verschillen. Dat is overigens niet ongewoon bij huiselijk geweldzaken. In dit geval kan de kinderrechter echter niet uitsluiten dat één of beide verhalen (gedeeltelijk) op de waarheid berusten. De conclusies uit het top-teen onderzoek zijn niet eenduidig en ondersteunen daarom niet zonder meer het verhaal van [de minderjarige] . Voor de kinderrechter is wel duidelijk geworden dat [de minderjarige] veel moeite heeft met de – in haar ogen – strenge regels van de moeder en dat ze het fijn vindt dat ze op de groep en meer vrijheid ervaart. De situatie in [plaats] , waar het gezin tot voor kort woonde, is voor de kinderrechter onduidelijk. Veilig Thuis [plaats] is betrokken geweest bij dit gezin, omdat [de minderjarige] daar in 2023 heeft verteld dat zij geslagen werd door de moeder. De Raad heeft aangegeven dat toen is geprobeerd hulpverlening in te zetten, maar dat de moeder dit afhield en zich niet aan de gemaakte veiligheidsafspraken hield. De moeder heeft een ander verhaal. Volgens de moeder heeft zij de hulpverlening nooit geweigerd en heeft ze altijd willen meewerken. [de minderjarige] liep regelmatig weg en was uren van huis, waarbij niemand zicht op haar had. Het is [de minderjarige] die op een gegeven moment het contact met de hulpverlening heeft afgehouden. Desgevraagd heeft de Raad geen verdere informatie kunnen geven over de situatie van destijds, de kennelijk ingezette hulpverlening, de veiligheidsafspraken en op welke manier de moeder niet zou hebben meegewerkt. Het is de kinderrechter dan ook onvoldoende duidelijk geworden wat zich precies heeft afgespeeld in [plaats] en of de moeder daadwerkelijk onwelwillend tegenover (vrijwillige) hulpverlening stond.
6.4.
Hoe dan ook, het is noodzakelijk dat de acute veiligheid van [de minderjarige] geborgd wordt. Daarvoor zijn het gedwongen kader en de machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment nodig. Wel zal de kinderrechter de machtiging voor kortere duur verlenen, zodat de komende weken op een veilige en zorgvuldige manier gewerkt kan worden aan de thuisplaatsing van [de minderjarige] , mits uiteraard in het belang van [de minderjarige] . Er moet een gedegen veiligheidsplan worden opgesteld en stevige hulpverlening bij de moeder worden ingezet. Wat de thuissituatie ook is, gelet op wat [de minderjarige] naar voren heeft gebracht en haar weerstand ten aanzien van de moeder, is duidelijk dat de moeder hulp en opvoedondersteuning nodig heeft om weer samen met [de minderjarige] op een verantwoorde wijze thuis te wonen. De kinderrechter benadrukt dat het van belang is de moeder zich zal inzetten voor hulpverlening en openheid van zaken zal geven, zodat zicht komt op de opvoedvaardigheden van de moeder en de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie van de moeder. Daarnaast is het aan de Raad om te onderzoeken wat zich precies heeft afgespeeld in [plaats] .
6.5.
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] daarom tot en met 25 maart 2026 en wijst het verzoek voor het overige af.
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot en met 25 maart 2026;
7.2.
wijst af het meer of anders verzochte;
7.3.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).