Eiser betwistte de WOZ-waarde van een object bestaande uit een woonwagen, berging en perceel grond, stellende dat de woonwagen geen onroerende zaak is en de waarde daarom verlaagd moet worden. Verweerder stelde dat de woonwagen duurzaam op de locatie is geplaatst en onderdeel uitmaakt van het WOZ-object, waarbij de waarde van grond, woonwagen en berging samen de totale WOZ-waarde bepalen.
De rechtbank stelde vast dat verplaatsing van de woonwagen en omliggende objecten niet of nauwelijks mogelijk is, en dat de woonwagen zodanig is geconstrueerd en geplaatst om duurzaam ter plaatse te blijven. Dit maakt de woonwagen tot een onroerende zaak in de zin van de Wet WOZ en de Onroerendezaakbelastingen.
De vastgestelde waarde van €103.000, waarvan €10.944 voor de woonwagen, werd door verweerder voldoende onderbouwd. Eiser kon geen feiten aandragen die een lagere waarde aannemelijk maakten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.