Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2544

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 810
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZWet WOZWet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep WOZ-waarde woonwagen wegens gebrek aan materieel belang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een object bestaande uit een woonwagen, drie opbergruimten en een perceel grond. Verweerder had de waarde van het object vastgesteld op €155.000 voor het kalenderjaar 2024 en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tijdens de zitting, waar eiser niet aanwezig was maar wel tijdig was uitgenodigd, heeft de rechtbank vastgesteld dat eiser gebruiker is van het object, maar geen eigenaar. Het object is voor eiser geen eigen woning of beleggingsobject in de zin van de Wet IB 2001. Bovendien is er geen aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd voor het object waarop eiser woont.

De rechtbank concludeert dat eiser geen materieel belang heeft bij het beroep en verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van de woonwagen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan materieel belang.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/810

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) met dagtekening 23 februari 2024 de waarde van het object [straat] [# 1] te [woonplaats] (hierna: het object) voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op € 155.000.
Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de waarde van het object gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026 te Haarlem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] . Eiser is niet verschenen. Bij bericht van 10 december 2025 is eiser onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd tot het bijwonen van de zitting. In het digitale dossier van deze procedure bevindt zich een e-mailnotificatie waaruit blijkt dat het bericht is gestuurd naar het door eiser opgegeven
e-mailadres. Eiser is dus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd voor het bijwonen van de zitting en de rechtbank heeft de zitting daarom door laten gaan.
Ter zitting heeft ook de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het beroep van eiser met het zaaknummer HAA 25/1744. Alles wat in die zaak is aangevoerd en overgelegd wordt ook geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

Overwegingen

Feiten
1. Eiser is gebruiker van het object. Het object bestaat uit een woonwagen met een gebruiksoppervlakte van ongeveer 91 m², drie opbergruimten met oppervlakten van ongeveer 15 m², 12 m² en 36 m² en een perceel grond met een oppervlakte van ongeveer 265 m².
2. Bij de onderhavige beschikking heeft verweerder de waarde van het object vastgesteld op € 155.000, te weten € 13.832 voor de woonwagen, € 2.190, € 1.752 en € 12.060 voor de opbergruimten en € 125.875 voor de grond.

Geschil3.In geschil is de waarde van het object. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken.

Beoordeling van het geschil
4. Met het aanslagbiljet waarmee de beschikking is bekendgemaakt is ook de WOZ-beschikking ter zake van het object [straat] [# 2] bekendgemaakt, alsmede de ter zake van beide objecten opgelegde aanslagen in de gemeentelijke belastingen. Het aanslagbiljet is geadresseerd aan eiser op het adres [straat] [# 1] . Op het aanslagbiljet staat bij nummer [# 1] wel een WOZ-waarde, maar geen aanslag Onroerendezaakbelastingen (Ozb). Bij nummer [# 2] staat een WOZ-waarde en ook een aanslag Ozb. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat eiser op nummer [# 1] woont en eigenaar is van nummer [# 2] .
5. Op grond van al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd houdt de rechtbank het er voor dat eiser in het object op nummer [# 1] woont, maar daarvan geen eigenaar is. Ter zake van het object is aan eiser geen aanslag in de Ozb opgelegd en de andere gemeentelijke belastingen die op het aanslagbiljet zijn vermeld worden niet geheven naar rato van de WOZ-waarde. En omdat eiser geen eigenaar is van het object, is het object voor hem ook geen eigen woning en geen beleggingsobject in de zin van de Wet IB 2001. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiser geen materieel (=financieel) belang heeft bij het beroep en het beroep daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Proceskosten
6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).