Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2521

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/15/364921 / HA ZA 25-271
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Richtlijn 2013/53/EUArt. 6:74 BWArt. 6:119 BWArt. 7:400 BWArt. 16 Wet pleziervaartuigen 2016
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen tekortkoming certificeringsbureau bij verkoopverbod pleziervaartuigen

Eiser exploiteert een eenmanszaak die pleziervaartuigen importeert en wil deze op de Nederlandse markt verkopen. Hij sloot overeenkomsten met ECB, een notified body, voor certificering van de vaartuigen. Ondanks certificering verbood de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de verkoop vanwege onvolledige technische dossiers.

Eiser vordert dat ECB aansprakelijk wordt gesteld wegens tekortkoming in de opdracht, stellende dat ECB een resultaatsverbintenis had om goedkeuring door ILT te verkrijgen. ECB betwist dit en stelt dat zij aan haar wettelijke en contractuele verplichtingen heeft voldaan en dat de verantwoordelijkheid voor de technische documentatie bij eiser ligt.

De rechtbank oordeelt dat de beoordelingen van ECB en ILT los van elkaar staan en dat ILT niet gebonden is aan de certificaten van ECB. Het ontbreken van een definitief bestuursrechtelijk besluit van ILT maakt het onduidelijk waarom het verkoopverbod gehandhaafd blijft. ECB heeft haar werkzaamheden conform wet- en regelgeving uitgevoerd en is niet tekortgeschoten.

De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten. In reconventie wordt eiser veroordeeld tot betaling van een onbetaalde factuur aan ECB. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem tot betaling van proceskosten en een onbetaalde factuur aan ECB.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Handel, Kanton en Insolventie
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/364921 / HA ZA 25-271
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R.H. Bouwman,
tegen
EUROPEAN CERTIFICATION BUREAU NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Purmerend,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: ECB,
advocaten: mr. M.M.N.C. Schellekens en mr. C. Canjels.
De zaak in het kort
[eiser] wil twee geïmporteerde modellen pleziervaartuigen aanbieden op de Nederlandse markt. Hij heeft daartoe overeenkomsten gesloten met ECB ter certificering van de vaartuigen. De Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) heeft de verkoop van de voertuigen ondanks de certificeringen verboden. [eiser] vindt dat ECB daarom is tekortgeschoten in de verstrekte opdracht en vordert een schadevergoeding, op te maken bij staat. De rechtbank wijst de vorderingen in conventie af. In reconventie vordert ECB betaling van een door [eiser] onbetaalde factuur. De rechtbank wijst die vordering toe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 oktober 2025,
- het B8-formulier van 24 december 2025 namens ECB met overlegging van productie 9,
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarbij door mr. Bouwman en mr. Canjels gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis komt.

2.De feiten

2.1.
[eiser] exploiteert de eenmanszaak [bedrijf], waarmee hij zich onder andere bezighoudt met im- en export van pleziervaartuigen met het oog op verkoop op de Nederlandse markt. ECB is een bedrijf dat zich bezighoudt met verschillende juridische aspecten van de maritieme sector, waaronder het afgeven van CE-certificeringen. ECB is een zogenaamde ‘notified body’, wat inhoudt dat zij door de Europese Commissie is aangewezen om de conformiteit van vaartuigen te beoordelen voordat deze op de Nederlandse markt worden gebracht.
2.2.
[eiser] is in ieder geval sinds 2022 bezig om de benodigde certificaten en toestemmingen te verkrijgen om de pleziervaartuigen Damare 570/600T en Gentle 500/Liberty 505 (hierna: de vaartuigen) op de Nederlandse markt te kunnen verkopen.
2.3.
Bij besluit van 25 mei 2022 heeft de ILT een last onder dwangsom opgelegd aan [eiser], inhoudende dat [eiser] zich op grond van artikel 7 van Pro de Richtlijn 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters (hierna: de Richtlijn) dient te onthouden van de verkoop van de vaartuigen (ook wel: het verkoopverbod).
2.4.
Op 26 maart 2023 heeft [eiser] de technische dossiers van de vaartuigen, met assistentie van ECB, aan ILT verstuurd. Bij brief van 17 mei 2023 heeft ILT aan [eiser] bericht dat de bedoelde technische dossiers nog steeds onvolledig en onvoldoende zijn, dat daarmee de conformiteit van de vaartuigen niet is aangetoond en dat [eiser] nog steeds in overtreding is van artikel 7 van Pro de Richtlijn.
2.5.
Op 27 mei 2023 zijn tussen partijen twee overeenkomsten voor onderzoek en certificering van de vaartuigen tot stand gekomen. Op de overeenkomsten staat vermeld dat deze tot stand zijn gekomen tussen ‘[bedrijf] bv’ en ECB.
2.6.
[eiser] heeft ILT vervolgens in kort geding gedagvaard. In die procedure
vorderde hij primair a) ILT te verbieden een verkoopverbod op te leggen ten aanzien van de vaartuigen en b) ILT te verbieden zijn afnemers over dit verkoopverbod te informeren dan wel hem te dwingen zijn afnemers hierover te informeren. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 28 juli 2023 de vorderingen van [eiser] afgewezen.
2.7.
Na het toezenden van de door ECB aangepaste documentatie heeft de heer [betrokkene 1] van ILT (hierna: [betrokkene 1]) op 8 september 2023 aan [eiser] geschreven:
“Dank u voor het aanleveren van de documenten van de geaccrediteerde keuringsinstantie ECB. Op basis van de door u aangeleverde gegevens kunnen wij nog geen beoordeling uitvoeren. In de rapportages van ECB wordt gerefereerd aan een aantal documenten waarop ECB zijn beoordeling heeft vastgesteld. Kunt u ons deze documenten toezenden? (…)
Technisch dossier
Gebruikershandleiding
Conformiteitsverklaring
Afbeelding plaatje van de bouwer
Uitkomsten/verslagen van de verschillende testrapporten (…)”
2.8.
Op 18 september 2023 heeft mr. Klompé namens [eiser] aan ILT geschreven:
“Cliënt heeft naar aanleiding van uw e-mail van 8/9 nogmaals ECB naar de stukken laten kijken en advies gevraagd. De rapporten van ECB
zijnde technische dossiers en die voldoen volgens ECB (ruimschoots) aan de wettelijke vereisten. De gebruikershandleidingen heeft u al eerder gekregen, maar ook die zal cliënt nogmaals toevoegen. Dat geldt ook voor de conformiteitsverklaringen en de afbeeldingen van de bouwersplaatjes. Vriendelijk verzoek ik u een nieuwe link ter beschikking te stellen, zodat cliënt de documenten later vandaag of morgenochtend kan uploaden.
U vraagt ook om uitkomsten/verslagen van de tests (ik neem althans aan dat u dat bedoeld, uitkomsten/verslagen van testrapporten bestaan niet). Die heeft cliënt niet en die hoeft hij ook niet over te leggen. Indien u vragen heeft over of twijfelt aan de tests zoals door ECB uitgevoerd, dan zult u daar moeten aankloppen. Bij mij is het correct opereren van ECB als notified body boven elke twijfel verheven en cliënt mag daar ook van uit gaan.
Nadat cliënt de vernieuwde documenten heeft ingediend, verzoek ik vriendelijk mij binnen bekwame tijd te berichten dat cliënt daarmee alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan en dat de betreffende boten (Damare 570 en 600T, Gentle 50CR / Liberty 505 GT) in de handel mogen worden gebracht.”
2.9.
Op 20 september 2023 heeft [betrokkene 1] aan de heer [betrokkene 2] van ECB (hierna: [betrokkene 2]) verzocht om documenten en testrapporten die de conformiteit van de vaartuigen onderbouwen. [betrokkene 2] heeft dat verzoek op 21 september 2023 als volgt beantwoord:
“Geachte heer [betrokkene 1],
Hartelijk dank voor uw bericht.
Ik ben wat verrast door uw verzoek, omdat ik meende dat [bedrijf] onderwerp van uw onderzoek is. Nu lijkt het erop dat wij dat zijn, klopt dat? Dat zou wat ons betreft de situatie veranderen.
Voor nu zijn we u graag behulpzaam en ik beantwoord uw vragen als volgt.
Ik kan bevestigen dat de documenten waarnaar ik in mijn rapport verwijs aanwezig zijn bij ons en bij producent. Het technisch dossier wordt gevormd door mijn rapport. Daarin heb ik op een paar plaatsen naar een document verwezen dat ‘Technische dossier Gentle500-Liberty505 8-2023’ heet. Dit document is echter niet als Technisch Dossier volledig, zodat mijn rapport als TD geldt. Dit is een praktijk die met RvA is afgestemd en geaccepteerd.
De genoemde handleidingen zijn eveneens aanwezig bij ons en bij de producent. In mijn rapport heb ik echter nergens naar testrapporten verwezen, omdat die er niet zijn. Testrapporten zijn niet vereist, zolang er bijv. niet naar verwezen wordt in het TD. In de plaats van testrapporten is in mijn rapport/TD beschreven op welke wijze aan de essentiële eisen is voldaan. ‘Overeenstemmingsverklaringen fabrikant buitenboordmotor’ zijn niet aanwezig, omdat de boten o.h.a. zonder motoren worden geleverd door [eiser]. Mocht een boot wel met motor worden geleverd, dan zal deze verklaring wel voorhanden zijn in het dossier. De verwijzing naar de verklaring in het TD dient om aan te geven dat die eis gedekt wordt door de Overeenstemmingsverklaring van de motorfabrikant, indien van toepassing.
In uw upload link stuur ik u de volgende gevraagde documentatie:
- Handleidingen
- Bestand ‘Technisch dossier Gentle500-Liberty505 8-2023’
Als u verdere vragen heeft, verneem ik dat graag.”
2.10.
Op 21 september 2023 heeft ECB de CE-certificeringen van de vaartuigen aan [eiser] verstrekt met de bijbehorende inspectierapporten aangehecht.
2.11.
Op 11 oktober 2023 heeft [betrokkene 1] naar aanleiding van de aanlevering van documenten door partijen [eiser] als volgt bericht, voor zover relevant:
“(…) Omdat er door u geen conformiteitsverklaringen als bedoeld in artikel 7, lid 2 van de Richtlijn is aangeleverd, kan niet worden afgeleid welke combinatie van modules u heeft toegepast. Bovendien wil ik u erop wijzen dat de door u aangeleverde technische dossiers (…) aan de aangemelde Instantie niet voldoen aan de vereisten die aan een aanvraag voor typegoedkeuring worden gesteld op basis van besluit Nr. 768/2008/EG. Zo ontbreken onder andere de:
  • Ontwerp- en fabricagetekeningen, inclusief schema’s van componenten, onderdelen, circuits, enz.
  • Een lijst van de geheel of gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen en/of andere relevante technische specificaties waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt
  • berekeningen voor ontwerpen, uitgevoerde controles, enz. en
  • testrapporten
Door het ontbreken van deze documenten, conformiteitsverklaring en de in de bijlages bij deze e-mail geconstateerde tekortkomingen is de conformiteit van de pleziervaartuigen niet aangetoond. In de bijlages bij deze e-mail vindt u per afgegeven typecertificaat en de technische dossiers de door de ILT geconstateerde tekortkomingen.”
2.12.
Op 30 oktober 2023 heeft [eiser] ILT opnieuw in kort geding gedagvaard. [eiser] heeft in dit kort geding primair gevorderd het verkoopverbod ten aanzien van de vaartuigen op te heffen en subsidiair het verkoopverbod op te schorten totdat duidelijk is of de technische dossiers van ECB de handhaving van het verkoopverbod rechtvaardigen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft de vorderingen bij vonnis van 5 december 2023 opnieuw afgewezen, kortgezegd omdat de door [eiser] aangeleverde technische documentatie nog altijd niet op orde was.
2.13.
Op 19 maart 2024 heeft mr. Liefting namens [eiser] aan ECB geschreven:
“[eiser] heeft een beroep op u gedaan en heeft aan u gevraagd de boten in kwestie te laten voldoen aan alle eisen en normen. Uzelf maakt reclame op uw site hiervoor. ‘U hoeft dan niet zelf alle technische normen uit te pluizen’, zegt u op uw site. In het recht bestaat o.a. een resultaatsverbintenis; in geval van een resultaatsverbintenis wordt het behalen
van een resultaat of het bereiken van een toestand toegezegd en in het vooruitzicht gesteld, er is geen twijfel, er is geen onzekerheid, het doel wordt behaald, c.q. gehaald.
Uzelf heeft nooit ruimte voor twijfel gelaten, neen, het doel, het voldoen aan alle eisen en normen, zou worden gehaald. Maar het tegenovergestelde blijkt het geval. Niets, althans slechts maar een deel, van wat u heeft gemaakt, c.q. heeft gedaan, van u heeft gezegd te
moeten (laten) doen is geaccepteerd, maar lang niet alles waardoor het toegezegde resultaat uitblijft, een situatie waarin de boten in kwestie voldoen aan alle eisen blijft uit.”
2.14.
Op 20 maart 2024 heeft mr. Marijnen van ECB ieder verwijt van een tekortkoming van een resultaatsverbintenis door ECB van de hand gewezen.
2.15.
Tot op heden heeft ILT haar verkoopverbod ten behoeve van de vaartuigen gehandhaafd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat -, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, te verklaren voor recht dat:
I. het aan ECB was om ervoor te zorgen dat [eiser] de vereiste certificaten voor de vaartuigen zou verkrijgen,
II. ECB jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de uitvoering van deze opdracht, althans in het vervullen van de aan haar toegewezen wettelijke taken,
III. ECB aansprakelijk is voor alle kosten, schade en geldelijke gevolgen van haar tekortkoming, op te maken bij staat.
3.2.
Kortgezegd legt [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag dat de aard van de dienstverlening en de bijzondere positie van ECB als notified body meebrengen dat op ECB een resultaatsverbintenis rust, inhoudende dat de vaartuigen na certificering ook zullen worden goedgekeurd door ILT. ECB is daarin tekortgeschoten, omdat ILT de vaartuigen herhaaldelijk heeft afgekeurd ondanks de afgegeven certificaten en de door ECB uitgevoerde testen en onderzoeken. [eiser] heeft mogen vertrouwen op de expertise van ECB, in de zin dat ECB het nodige zou verrichten zodat de vaartuigen ook door ILT zouden worden goedgekeurd. Om die reden is ECB aansprakelijk voor de schade die [eiser] door haar tekortkoming lijdt, in de zin van artikel 6:74 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.3.
ECB betwist enige tekortkoming in de nakoming van een resultaatsverbintenis aan haar zijde, die er volgens haar onmogelijk kan zijn. ECB voert aan te hebben voldaan aan haar wettelijke en contractuele verplichtingen ten aanzien van de certificering van de vaartuigen. ECB is niet verantwoordelijk voor de conformiteit van de vaartuigen van [eiser], noch voor het opstellen van de technische documentatie die ILT voor haar eigen beoordeling heeft geëist, die in dit (uitzonderlijke) geval uitgebreider is dan de geldende wettelijke normen. De certificering van de vaartuigen is daar weliswaar een onderdeel van, maar de verplichting om de documentatie voor het overige compleet te maken rust volledig op [eiser] zelf als aanvrager. Dat ECB [eiser] hierbij behulpzaam is geweest, maakt dat niet anders. ECB treedt in dat kader ook niet in het belang van [eiser] op. Tot slot betwist ECB de door [eiser] gestelde schade en het causaal verband tussen de schade en de vermeende tekortkoming.
in reconventie
3.4.
In reconventie vordert ECB [eiser] te veroordelen tot betaling van € 2.464,97, zijnde de onbetaalde factuur 24045 voor aanvullende werkzaamheden in 2024. [eiser] betwist de factuur verschuldigd te zijn, gelet op zijn stellingen in conventie.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
[eiser] en ECB zijn de contractspartijen
4.1.
Vooropgesteld heeft ECB in haar conclusie van antwoord het verweer gevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat hij geen contractuele relatie heeft met ECB. De contracten zijn namelijk gesloten met ‘[bedrijf] bv’ en die partij had volgens ECB de vorderingen moeten instellen. Ter zitting heeft ECB dit standpunt ingetrokken, aangezien [bedrijf] bv niet bestaat en dit kennelijk door ECB zelf fout is genoteerd bij het opstellen van de overeenkomsten. Partijen zijn het dus erover eens dat [eiser] en ECB de contractspartijen zijn.
Overeenkomst van opdracht voor de certificering van de vaartuigen
4.2.
De overeenkomsten tussen [eiser] en ECB gelden als overeenkomsten van opdracht in de zin van artikel 7:400 lid Pro BW. In artikel 1 van Pro de overeenkomsten is de opdracht als volgt omschreven:

Artikel 1.Onderzoek en beoordeling
1. Het ECB-onderzoek wordt uitgevoerd volgens de bepalingen in het bij de opdracht behorende activiteiten- en kostenoverzicht. Naar die bepalingen wordt hier verwezen.
2. Het onderzoek en de certificering worden uitgevoerd volgens het ECB Quality Manual
3. Aanvrager/opdrachtgever geeft ECB opdracht tot uitvoering van de volgende stappen:
• Onderzoek & Rapportage (beoordelingen, inspecties, testen)
• Beoordeling onderzoeksdossier ten behoeve van certificatiebeslissing
• Certificatieperiode”
4.3.
Tussen partijen staat vast dat ECB de overeengekomen onderzoeken heeft verricht door typekeuringen uit te voeren en de bijbehorende rapportages aan te leveren. Op basis daarvan heeft ECB voor beide vaartuigen een CE-certificaat afgegeven. In zoverre staat vast dat ECB aan haar verplichtingen op grond van de overeenkomst van opdracht heeft voldaan. Ook heeft ECB gedurende het gehele jaar 2023 op verzoek van [eiser] ondersteuning geleverd ten aanzien van de verzoeken van ILT betreffende het aanleveren van technische documentatie.
Geen tekortkoming in de nakoming van de opdrachtovereenkomsten
4.4.
Ondanks dat heeft [eiser] tot op heden geen goedkeuring van ILT om de voertuigen op de Nederlandse markt te mogen verkopen. Volgens [eiser] is alleen daarom al sprake van een tekortkoming in de nakoming van de opdrachtovereenkomsten, omdat het aan ECB is om als notified body ervoor te zorgen dat de door haar gecertificeerde vaartuigen ook mogen worden verkocht. [eiser] heeft daarop mogen vertrouwen.
4.5.
De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. ECB heeft uitgebreid gemotiveerd betwist dat haar opdracht, en haar wettelijke verplichtingen als notified body, een resultaatsverbintenis inhouden om ervoor te zorgen dat ILT de vaartuigen na certificering ook zal goedkeuren. De beoordelingen van ECB als notified body en van ILT als markttoezichthouder staan namelijk volledig los van elkaar. ILT is in geen geval gebonden aan de door ECB uitgegeven certificeringen. De taak van ILT als overkoepelende toezichthouder is op grond van artikel 16 van Pro de Wet pleziervaartuigen 2016 juist om onder andere erop toe te zien of een afgegeven EU-conformiteitsverklaring in de vorm van een CE-certificaat correct is opgesteld en of de technische documentatie van de vaartuigen beschikbaar en volledig is. In dit geval heeft ILT geconstateerd dat dit niet het geval is, althans heeft zij aanvullende eisen gesteld die [eiser] niet heeft vervuld en die het domein van ECB te buiten gaan. Deze verantwoordelijkheid rust immers volledig en uitsluitend op [eiser] als fabrikant van de vaartuigen, op grond van artikel 7 van Pro de Richtlijn. Dat ECB bereidwillig is gebleken (en wellicht nog steeds is) om [eiser] bij de verzoeken van ILT te assisteren, doet aan die exclusieve verplichting niets af.
4.6.
Het enkele feit dat ILT ondanks de certificering door ECB aanvullende eisen heeft gesteld aan de verkoop van de vaartuigen, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat er sprake is van een tekortkoming van ECB bij de certificering. In de eerste plaats overweegt de rechtbank daartoe dat niet is komen vast te staan wat de exacte reden is dat ILT de vaartuigen niet toelaat op de markt. [eiser] heeft namelijk nagelaten het onderliggende bestuursrechtelijke besluit van ILT in te brengen. De verwijzing naar de e-mail van 11 oktober 2023 van ILT is onvoldoende, omdat dat geen (definitief) besluit van ILT is. Daardoor kan de rechtbank niet vaststellen dat het besluit van ILT om het verkoopverbod te handhaven het gevolg is van de manier waarop ECB haar werkzaamheden heeft verricht en de certificering heeft opgesteld. In de tweede plaats heeft ECB onbestreden aangevoerd dat zij bij de uitvoering van haar opdracht beoordelingen heeft uitgevoerd conform de geldende wet- en regelgeving en dat haar protocollen voldoen aan de eisen die de Recreational Craft Sectoral Group Europeesrechtelijk aan notified bodies stelt. ECB heeft haar werkwijze en zienswijze ook richting ILT verdedigd, maar ondanks dat lijkt het erop dat ILT daarin niet is meegegaan. [eiser] zal zich dan ook met zijn bezwaren moeten wenden tot ILT als eindverantwoordelijke in de keten. Weliswaar is het voor de partijen die zich wenden tot een notified body voor certificering en vervolgens onderworpen zijn aan het toezicht van ILT wenselijk dat beide instanties op één lijn zitten, maar als dat niet het geval is, is daarmee niet gegeven dat ECB is tekortgeschoten in haar opdracht tot certificering. Ook dit vormt op zichzelf dus geen aanleiding voor aansprakelijkheid van ECB. De rechtbank zal de vorderingen in conventie dan ook afwijzen.
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ECB worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.463,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
4.9.
In reconventie vordert ECB [eiser] te veroordelen tot betaling van € 2.464,97, te weten het openstaande bedrag van haar factuur 24045 van 13 maart 2024.
4.10.
[eiser] heeft weliswaar betwist dat hij de factuur verschuldigd is, maar hij baseert dit uitsluitend op de stellingen waarover in conventie al is geoordeeld dat deze niet opgaan. De vordering is daarom onvoldoende betwist, zodat de rechtbank deze zal toewijzen.
4.11.
[eiser] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ECB worden begroot op
€ 277,00 aan salaris advocaat (1 punt x factor 0,5 x € 554,00).

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 8.463,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
5.4.
veroordeelt [eiser] tot betaling van een bedrag van € 2.464,97,
5.5.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 277,00,
in conventie en in reconventie
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.2 tot en met 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
1949