ECLI:NL:RBNHO:2026:2517

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
11903623 \ CV EXPL 25-6562
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing incassovordering wegens niet nagekomen meerwerkfacturen en eenzijdige tariefverhoging

De zaak betreft een incassovordering van een administratiekantoor ([eiseres]) tegen twee vennootschappen ([gedaagde 1] en [gedaagde 2]) voor betaling van facturen inzake administratieve dienstverlening, meerwerk en werkzaamheden rondom de inbreng van een eenmanszaak in bv's.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomsten van opdracht tussen partijen gelden vanaf 1 april 2022 en dat facturen voor de periode daarvoor geen grondslag hebben. De kantonrechter stelt dat [eiseres] als goed opdrachtnemer een zorgplicht heeft om gedaagden tijdig te informeren over het meerwerk en de gevolgen daarvan, wat zij onvoldoende heeft gedaan. Hierdoor is het onredelijk dat gedaagden achteraf het volledige meerwerk moeten betalen.

De rechtbank wijst de vordering voor meerwerk slechts voor een derde toe en bevestigt dat maandtermijnen tot en met 2024 verschuldigd zijn, ook al zijn er in 2024 geen werkzaamheden verricht omdat de overeenkomsten niet zijn opgezegd. Daarnaast wordt betaling van de werkzaamheden voor de inbreng van de eenmanszaak toegewezen. De buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten worden eveneens toegewezen aan [eiseres].

Uitkomst: De rechtbank wijst de incassovordering deels toe en beperkt de betaling van meerwerk wegens schending van de mededelingsplicht en toepassing van redelijkheid en billijkheid.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Locatie Haarlem
Zaaknummer: 11903623 \ CV EXPL 25-6562
Vonnis van de kantonrechter van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [plaats 1],
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. X. Huijser,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [plaats 2],
2. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 2],
gedaagden,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en samen: gedaagden,
gemachtigde: mr. K.R. Stephan.
De zaak in het kort
[eiseres] vordert betaling van facturen die betrekking hebben op administratiewerkzaamheden en werkzaamheden voor de inbreng van een eenmanszaak. Gedaagden betwisten de facturen verschuldigd te zijn omdat [eiseres] niet heeft gewaarschuwd voor meerwerk, omdat zij al heeft betaald voor de inbreng van de eenmanszaak en omdat geen kosten in rekening kunnen gebracht over een periode dat zij nog niet bestonden. Omdat de overeenkomst tussen partijen geen grondslag biedt voor de facturen voor maandtermijnen en meerwerk tot 1 april 2022, wordt dat deel van de vordering afgewezen. De kantonrechter wijst de vordering voor het overige slechts gedeeltelijk toe, omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat gedaagden achteraf al het meerwerk moeten betalen. [eiseres] had als goed opdrachtnemer gedaagden op de gevolgen van hun werkwijze moeten wijzen; namelijk dat dit structureel meerwerk zou opleveren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 32 producties;
- de conclusie van antwoord met 3 producties;
- het tussenvonnis van 17 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte namens [eiseres], met overlegging van producties 34 tot en met 40;
- de mondelinge behandeling van 6 februari 2026, waarbij door mr. Huijser gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis komt.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] exploiteert een administratiekantoor dat dienstverlening aanbiedt en adviseert op het gebied van financiële administratie. [gedaagde 2] verkoopt onder andere mallen voor bierkratten. [gedaagde 1] is haar bestuurder en enig aandeelhouder. [gedaagde 1] is een houdstermaatschappij, waarvan de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) bestuurder en enig aandeelhouder is.
2.2.
[eiseres] heeft van 2017 tot 2024 de financiële administratie voor [betrokkene] en zijn vennootschappen verzorgd. In ieder geval tot het boekjaar 2021 ging dat om de eenmanszaak [bedrijf] en daarna om gedaagden.
2.3.
In juli 2021 heeft [betrokkene] besloten om de eenmanszaak in te brengen in op te richten bv’s, inmiddels gedaagden. [eiseres] heeft de inbreng begeleid in samenwerking met een fiscalist. Op 30 maart 2022 zijn gedaagden opgericht.
2.4.
Op 1 september 2022 zijn per 1 april 2022 tussen [eiseres] en beide gedaagden afzonderlijk overeenkomsten van opdracht tot stand gekomen voor administratieve dienstverlening. In de overeenkomst met [gedaagde 1] staat voor zover relevant:

Opdrachtnemer zal per maand administratieve dienstverlening verlenen aan opdrachtgever waaronder wordt verstaan:
  • verwerking van de aangeleverde (zakelijke) administratie met gemiddeld 15 mutaties per maand;
  • waarbij boven overeenkomstige mutaties per jaar in rekening worden gebracht als meerwerk, tegen het geldende mutatie tarief uit deze overeenkomst;
  • waarbij een mutatie een verwerking is in de boekhouding, om tot het resultaat van een winst- en verliesrekening te komen of balansposten bij te werken over de administratieve periode.
(…)
De overeenkomst wordt aangegaan voor minimaal 12 maanden en wordt na elke periode zonder weder bericht per 1 januari van het nieuwe boekjaar verlengt met 12 maanden. De opzegtermijn bedraagt tenminste 2 kalendermaanden.
Opdrachtnemer zal per maand vanaf april 2022 een bedrag van 170,00 euro exclusief btw in rekening brengen.
(…)
Op deze overeenkomst zijn Algemene Voorwaarden van [eiseres], handelsnaam van FinteliQ B.V., van toepassing. Deze voorwaarden zijn gevoegd aan deze overeenkomst en maken hier deel van uit. Opdrachtnemer zal bij wijziging aan de voorwaarden opdrachtgever hiervan in kennis van stellen.
De overeenkomst met [gedaagde 2] is gelijkluidend, met dien verstande dat er is uitgegaan van gemiddeld 60 mutaties per maand en een maandbedrag van € 297,50 exclusief btw.
2.5.
In de algemene voorwaarden van [eiseres] versie 2018, staat voor zover relevant:

3.5 Indien Overeenkomst een duurovereenkomst is, is Opdrachtnemer gerechtigd de gehanteerde tarieven op elk moment te verhogen. Opdrachtnemer stelt Opdrachtgever tijdig en schriftelijk op de hoogte van tariefswijzigingen. Opdrachtgever heeft bij een prijsverhoging recht Overeenkomst te beëindigen met inachtneming van Algemene Voorwaarden.
(…)
5.1
Opdrachtgever behoudt zich het recht om diensten, die door Opdrachtnemer aangenomen zijn, door derden verder te laten uitvoeren. De tot dan toe reeds uitgevoerde opdracht zal door Opdrachtnemer verstrekt worden aan de door Opdrachtgever opgegeven derde persoon na een nader overeen te komen vergoeding.
(…)
11.5
Meerwerk, anders dan besproken in Overeenkomst zal na oplevering van Product worden gefactureerd, mits Opdrachtnemer dit alvorens te kennen heeft gegeven aan Opdrachtgever.
2.6.
In de algemene voorwaarden Administratie en Boekhouding van [eiseres], versie 2018, staat voor zover relevant:

5. Mutaties en verwerkingen
5.1
Een mutatie is iedere verwerking die gedaan moet worden in de boekhouding om tot het correcte eindresultaat te komen.
5.2
Onder een mutatie wordt verstaan, een mutatieregel:
a. op een bank, volgens aangeleverde bankafschriften horend bij een bankrekening in de boekhouding zoals overeenkomstig in de Overeenkomst;
b. op een kas, ieder boekstuk welke niet gekoppeld kan worden aan een mutatieregel op de bank;
c. op een online betaaldienst;
d. op het memoriaal;
e. in crediteuren administratie, ieder ingekomen boekstuk;
f. in debiteurenadministratie, ieder uitgaand boekstuk.
5.3
In de Overeenkomst is een gemiddeld aantal mutaties per maand opgenomen. Dit aantal mutaties is vast gesteld op een geschatte waarde en kan door Opdrachtnemer eenzijdig worden aangepast als dit gemiddelde van reeds minimaal drie voorgaande periodes afwijkt van het eerder geschatte aantal.”
2.7.
In een e-mailbericht van [eiseres] aan [betrokkene] van 26 mei 2022 staat, voor zover hier van belang:
“je doet veel rekening courant opnames omdat je aan het beleggen bent, privé opnames lopen via [gedaagde 2] BV naar [gedaagde 1] BV, het is verstandig om de rekening van de holding te openen zodat je een groot bedrag kunt overmaken van de werk-bv naar holding -bv en nadien dit vanuit de holding privé kunt opnemen.”
2.8.
In mei 2024 is per 1 januari 2023 het gemiddelde aantal mutaties in de overeenkomsten door [eiseres] aangepast naar respectievelijk 80 per maand voor [gedaagde 2] en 40 per maand voor [gedaagde 1], wat heeft geleid tot een aanpassing van het maandelijkse tarief naar respectievelijk € 360,00 en € 247,50 exclusief btw. [eiseres] heeft hiervoor facturen aan gedaagden gestuurd, die onbetaald zijn gebleven.
2.9.
Vanaf 1 januari 2024 heeft [eiseres] feitelijk geen werkzaamheden meer voor gedaagden verricht.
2.10.
Op 10 mei 2024 en 10 september 2024 heeft [eiseres] meerwerkfacturen gestuurd aan gedaagden, waarbij achteraf het werkelijke aantal mutaties per jaar over de jaren 2021 tot en met 2023 aan gedaagden is doorberekend. Gedaagden hebben deze facturen, en de facturen inzake de maandtermijnen over 2024 en de werkzaamheden inzake de inbreng van de eenmanszaak, onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van € 17.022,84, en [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 16.401,04. Daarbij vordert [eiseres] beide bedragen te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand, althans de wettelijke handelsrente, vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot de dag van algehele betaling, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten van opdracht ten grondslag. Gedaagden zijn alle maandtermijnen tot en met december 2024 verschuldigd, ook als in 2024 geen werkzaamheden zijn verricht, aangezien de overeenkomsten niet (eerder) zijn opgezegd. Daarnaast heeft zij recht op betaling van de bovenovereenkomstige mutaties als meerwerk á € 2,82 exclusief btw per mutatie. Tot slot vordert [eiseres] betaling van de werkzaamheden die zij heeft verricht in het kader van de inbreng van de eenmanszaak van [betrokkene] in gedaagden.
3.3.
Gedaagden betwisten de facturen verschuldigd te zijn. Er is door [eiseres] namelijk nooit gewaarschuwd voor het meerwerk dat zij nu met terugwerkende kracht in rekening brengt, en dat had gelet op haar zorgplicht als goed opdrachtnemer wel gemoeten. Daarnaast betwisten zij de door [eiseres] gehanteerde uitleg van ‘mutatie’, nu er veel meer mutaties in rekening zijn gebracht dan mag worden verwacht op basis van het aantal transacties. Gedaagden beroepen zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, gelet op het late factureren van termijnen en mutaties waardoor gedaagden hun werkwijze niet hebben kunnen aanpassen. Tot slot voeren zij aan dat de vennootschappen pas in maart 2022 zijn opgericht en dat [eiseres] geen werk aan hen in rekening kan brengen over de periode vóór oprichting.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De betwiste facturen van [eiseres] zijn uitgesplitst op boekjaar. Over de jaren 2021 en 2022 (tot en met augustus) worden van gedaagden alsnog maandtermijnen gevorderd, waarbij de eerder aan de eenmanszaak in rekening gebrachte maandtermijnen worden verrekend met de maandtermijnen voor [gedaagde 2]. Daarnaast worden aan beide gedaagden bovenovereenkomstige mutaties in rekening gebracht. Over 2023 worden bovenovereenkomstige mutaties en verhogingen van de maandtermijnen per 1 januari 2023 gevorderd. Over 2024 worden enkel de maandtermijnen gevorderd, inclusief de verhogingen daarvan. Tot slot vordert [eiseres] afzonderlijk een vergoeding voor haar werkzaamheden inzake de inbreng van de eenmanszaak in de bv’s á € 85,00 per uur exclusief btw. Hierna zal het relevante juridisch kader worden besproken en vervolgens zal per boekjaar worden beoordeeld of, en zo ja voor welk bedrag, gedaagden de facturen zijn verschuldigd.
Goed opdrachtnemerschap en uitleg van de overeenkomst
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat zij overeenkomsten van opdracht in de zin van artikel 7:400 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) met elkaar hebben gesloten. [eiseres] dient bij de uitvoering van haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen en haar opdrachtgever op de hoogte houden van haar werkzaamheden.
4.3.
Partijen zijn het niet eens over de definitie van de term ‘mutaties’ en of [eiseres] op basis van de overeenkomst en de algemene voorwaarden de bovenovereenkomstige mutaties in rekening mocht brengen. Daarom zal de kantonrechter de afspraken tussen partijen moeten uitleggen. Het is daarbij leidend wat de bedoeling van partijen was bij het maken van de afspraken, wat zij over en weer hebben verklaard en gedaan en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten.
4.4.
Partijen zijn in de overeenkomsten van 1 september 2022 een vast maandtarief overeengekomen en hebben daarnaast vastgelegd dat bovenovereenkomstige mutaties als meerwerk in rekening kunnen worden gebracht, tegen het geldende mutatietarief van € 2,82 exclusief btw per mutatie. In beginsel vormt dit voor [eiseres] de basis om de bovenovereenkomstige mutaties door te berekenen. De in artikel 11.5 opgenomen waarschuwingsplicht voor meerwerk geldt op grond van het artikel alleen voor meerwerk waarin niet is voorzien in de overeenkomst. Maar dat betekent naar oordeel van de kantonrechter niet dat [eiseres] heeft mogen verwachten dat zij zonder meer alle mutaties boven de in de overeenkomsten opgenomen gemiddelden mag doorberekenen.
4.5.
Zoals gedaagden stellen lag het op de weg van [eiseres] om, gelet op haar zorgplicht als goed opdrachtnemer, gedaagden tussentijds op de hoogte te houden van haar werkzaamheden. Dit brengt met zich mee dat van [eiseres] verwacht had mogen worden dat zij in het kader van deze informatieverplichting gedaagden actief op de hoogte zou houden van de verhouding tussen het aantal mutaties waarop het maandbedrag was gebaseerd en het aantal werkelijke mutaties. Dit zodat gedaagden werden gekend in de gevolgen van hun werkwijze, namelijk dat er veel meerwerk verricht moest worden, en zij eventueel hun werkwijze hadden kunnen aanpassen. Dit heeft [eiseres] nagelaten. Weliswaar heeft [eiseres] gesteld dat zij gedaagden van de werkwijze en het hoge aantal transacties op de hoogte heeft gesteld in haar e-mail van 26 mei 2022 aan [betrokkene], maar dit is te mager. [betrokkene] wordt daarin niet concreet gewaarschuwd dat zijn toenmalige werkwijze tot meerwerk leidde of zou leiden. Dit terwijl tijdens de zitting door [eiseres] is bevestigd dat het mogelijk was om de werkwijze bij het doen van opnames van de bankrekening van [gedaagde 2]/rekening-courantopnames en betalingen via betaalplatforms zodanig aan te passen dat dit tot beduidend minder mutaties zou leiden. Ook is na betwisting niet concreet door [eiseres] onderbouwd dat [betrokkene] hier in een telefoongesprek op zou zijn gewezen. Het feit dat gedaagden over de boekjaren 2022 en 2023 laat waren met het aanleveren van de administratie ontslaat [eiseres] niet van haar zorgplicht. [eiseres] heeft niet weerlegd dat zij, ondanks het ontbreken van de volledige administratie in 2022 en 2023, in de loop van 2022 en 2023 wel gedeeltelijk daarin inzicht had door stukken zoals rekeningafschriften voor het doen van btw-aangiftes. En ook over 2021 was volgens [eiseres] al sprake van een aanzienlijk aantal extra mutaties, terwijl dat boekjaar al in 2022 was afgesloten. Daardoor had zij gedaagden tussentijds erop kunnen wijzen dat het aantal werkelijke mutaties aanzienlijk aan het scheeflopen was met het gemiddelde uit de overeenkomsten.
4.6.
Gedaagden stellen dat het daarom onredelijk is als zij achteraf de meerwerkfacturen moeten betalen. Hiermee doen zij een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW Pro. Dit artikel bepaalt dat een tussen partijen geldende regel (in dit geval de regeling die [eiseres] in staat stelt meerwerk door te berekenen) niet van toepassing is als dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij moeten alle voor het geval relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, wat hierna per factuur zal worden besproken.
4.7.
Met betrekking tot het begrip ‘mutaties’ sluit [eiseres] aan bij wat hierover in de overeenkomsten en de algemene voorwaarden staat gedefinieerd. Volgens gedaagden dienen deze bepalingen zo te worden gelezen dat een mutatie bijvoorbeeld het inboeken van een factuur is, het verwerken van een banktransactie of de verwerking van transacties van een betaalprovider zoals Mollie. Dat [eiseres] iedere afzonderlijke handeling als een mutatie ziet is onjuist, althans is die werkwijze volgens gedaagden niet in overeenstemming met hoe andere boekhouders te werk gaan. Gedaagden hebben ook het vermoeden dat de definitie van mutaties die [eiseres] sinds 2022 heeft gehanteerd afwijkt van de definitie die zij hanteerde toen [betrokkene] klant was met zijn eenmanszaak, wat zich uit in een iets andere definitie in de algemene voorwaarden versie 2023. Gedaagden wijzen er verder op dat het aantal mutaties vele malen minder is geworden sinds zij zijn overgestapt naar een andere boekhouder. Volgens [eiseres] heeft dit ermee te maken dat zij het principe van dubbel boekhouden hanteert, wat ook de norm is.
4.8.
De kantonrechter stelt voorop dat de algemene voorwaarden 2023 niet op de overeenkomsten van toepassing zijn, omdat deze pas op 11 september 2024 aan gedaagden ter hand zijn gesteld en de uitgevoerde werkzaamheden allemaal van voor die datum zijn. [eiseres] heeft dat ter zitting ook erkend. Hoewel de uitleg van [eiseres] van het begrip mutatie meer lijkt aan te sluiten bij de definitie zoals in de algemene voorwaarden 2023 is opgenomen, is de door [eiseres] gegeven uitleg niet strijdig met de definitie in de algemene voorwaarden 2018. Bovendien heeft [eiseres] voldoende gemotiveerd aangevoerd dat zij al sinds [betrokkene] klant is dezelfde werkwijze hanteert. [betrokkene] heeft niet betwist dat hij in de jaren dat hij met zijn eenmanszaak klant was, ook afrekeningen kreeg voor bovenovereenkomstige mutaties. [eiseres] heeft daarnaast gemotiveerd toegelicht hoe zij de mutaties verwerkt en waarom een bepaalde transactie meerdere mutaties kan opleveren. Gedaagden zijn daarmee al geruime tijd bekend. Dat gedaagden bij hun huidige boekhouder minder betalen vanwege een lager aantal mutaties mag zo zijn, maar dit wil nog niet zeggen dat de werkwijze van [eiseres] in het algemeen zodanig ongebruikelijk is dat gedaagden daaraan achteraf niet kunnen worden gehouden. Op zichzelf is het verschil van inzicht over het begrip mutatie daarom geen reden om de vorderingen (gedeeltelijk) af te wijzen.
4.9.
Met inachtneming van het bovenstaande zal de kantonrechter overgaan tot de beoordeling van de afzonderlijke facturen.
2021: Geen correctie op de maandtermijnen en meerwerk
4.10.
Factuur 2024-0781 aan [gedaagde 1] ziet op maandtermijnen ter hoogte van het tarief uit de overeenkomst tussen [gedaagde 1] en [eiseres] van 1 september 2022. Factuur 2024-0782 ziet op een correctie voor [gedaagde 2] op de maandtermijnen uit 2021 die al eerder aan de eenmanszaak zijn doorberekend (€ 150,00 per maand) naar het tarief dat op grond van de overeenkomst van 1 september 2022 voor [gedaagde 2] geldt (€ 297,50). Daarnaast heeft [eiseres] aan beiden bovenovereenkomstige mutaties doorberekend.
4.11.
[eiseres] heeft gesteld dat, hoewel gedaagden pas op 30 maart 2022 zijn opgericht, de bv’s al fiscaal actief waren per 1 januari 2021. Daarom berekent zij per die datum een maandtarief aan gedaagden, in plaats van de destijds al betaalde maandbedragen door de eenmanszaak. Gedaagden hebben niet betwist al vanaf 1 januari 2021 fiscaal actief te zijn, maar dat wil naar oordeel van de kantonrechter nog niet zeggen dat [eiseres] dan ook met terugwerkende kracht tot 2021 het met gedaagden overeengekomen tarief aan hen mag rekenen. [eiseres] heeft niet voldoende gesteld dat partijen dit zo zijn overeengekomen. De op 1 september 2022 gesloten overeenkomsten hebben nadrukkelijk
1 april 2022 als ingangsdatum, zodat die overeenkomsten geen grondslag bieden voor de aan gedaagden in rekening gebrachte bedragen over de periode tot 1 april 2022. En juist het feit dat die overeenkomst is gesloten met terugwerkende kracht, ontkracht naar het oordeel van de kantonrechter dat er (ook) afspraken tussen partijen waren over het in rekening brengen van de in die overeenkomsten afgesproken maandtarieven over de periode voorafgaand aan de ingangsdatum van de overeenkomsten. Daaraan doet ook afbreuk dat deze maandtarieven pas in mei 2024 aan gedaagden in rekening zijn gebracht. De gevorderde maandtarieven over 2021 zullen daarom worden afgewezen.
4.12.
Ook volgt niet uit de overeenkomsten van 1 september 2022 dat [eiseres] met gedaagden is overeengekomen dat over 2021 aan hen bovenovereenkomstige mutaties in rekening konden worden gebracht. Dat hierover op een andere manier afspraken waren gemaakt, heeft [eiseres] niet gesteld. Gedaagden zijn de facturen over 2021 dan ook niet verschuldigd.
Januari - september 2022: maandtermijnen en meerwerk deels verschuldigd
4.13.
In factuur 2024-0783 zijn aan [gedaagde 2] over de periode januari tot en met september 2022 wederom maandtarieven berekend onder verrekening van het eerder aan de eenmanszaak in rekening gebrachte tarief. In factuur 2024-0784 zijn aan [gedaagde 1] over de periode januari tot en met september 2022 maandtermijnen doorberekend voor een totaalbedrag van € 1.530,00. Met verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.11 zullen de van gedaagden gevorderde maandtarieven tot 1 april 2022 worden afgewezen.
4.14.
Voor de periode van april - september 2022 heeft [eiseres] onbetwist gesteld dat de maandtermijnen in overleg pas in 2024 aan gedaagden zijn gefactureerd, vanwege liquiditeitsproblemen bij [betrokkene]. Gedaagden zullen deze maandtermijnen daarom alsnog moeten voldoen.
4.15.
De overeenkomst van 1 september 2022 biedt ook geen grondslag voor het in rekening brengen van bovenovereenkomstige mutaties over de periode tot 1 april 2022, zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen. Over de periode vanaf 1 april 2022 zal de kantonrechter het gevorderde meerwerk gedeeltelijk toewijzen, met inachtneming van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter weegt voor dat oordeel de e-mail van 26 mei 2022 mee en het feit dat [betrokkene] in e-mails blijk geeft van kennis van het hogere aantal overboekingen en dus (onvermijdelijk) mutaties. Zoals in het voorgaande overwogen staat echter nog steeds voorop dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar zorgplicht als goed opdrachtnemer door gedaagden onvoldoende te wijzen op de gevolgen daarvan. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om het gevorderde meerwerk slechts voor 1/3 deel toe te wijzen.
Oktober 2022 - december 2023: verhogingen en meerwerk zijn gedeeltelijk verschuldigd
4.16.
De maandtermijnen over oktober 2022 tot en met december 2023 staan niet vermeld op de facturen waarvan betaling wordt gevorderd, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat deze volledig door gedaagden zijn betaald. Wel vordert [eiseres] in facturen 2024-1295 en 2024-1297 een verhoging van de maandtermijnen vanaf 1 januari 2023. Deze verhogingen zijn gebaseerd op de (eenzijdige) herziening van de overeenkomsten, zoals [eiseres] op grond van artikel 5.3 van de algemene voorwaarden 2018 mag doen op basis van de verwerkte administratie over de maanden juli tot en met december 2022. Deze gevorderde verhogingen volgen het lot van de meerwerkfacturen. Weliswaar heeft [eiseres] de overeenkomsten op basis van het hogere aantal mutaties in de tweede helft van 2022 mogen aanpassen, maar [eiseres] heeft gedaagden onvoldoende gewaarschuwd voor (de gevolgen van) dat hogere aantal mutaties. De gevorderde verhogingen van de maandtermijnen en het meerwerk zullen dus voor 1/3 deel worden toegewezen.
2024: maandtermijnen verschuldigd, verhogingen gedeeltelijk
4.17.
Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] over het boekjaar 2024 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor gedaagden, mede vanwege de opschorting door [eiseres] van haar werkzaamheden door betalingsachterstanden. Toch heeft [eiseres] de maandtermijnen over het jaar 2024 volledig aan gedaagden doorberekend. Gedaagden zijn het hiermee oneens, maar ter zitting heeft [betrokkene] erkend dat gedaagden de overeenkomsten nooit hebben opgezegd. Hij ging er namelijk van uit dat de overeenkomsten automatisch waren geëindigd, mede aangezien [eiseres] zich op opschorting van de werkzaamheden had beroepen. Dit is niet het geval; gedaagden hadden de overeenkomsten moeten opzeggen (of ontbinden) als zij niet langer gebruik wilden maken van de diensten van [eiseres]. Nu zij dit niet hebben gedaan, zijn zij de maandtermijnen tot de beëindiging van de overeenkomsten verschuldigd. [eiseres] heeft gesteld dat de overeenkomsten met wederzijds goedvinden zijn beëindigd per 1 januari 2025. De kantonrechter zal gedaagden dan ook veroordelen tot betaling van de maandtermijnen over het gehele jaar 2024.
4.18.
De gevorderde verhogingen van de maandtermijnen zullen met inachtneming van hetgeen hierover is overwogen onder 4.16 voor 1/3 deel worden toegewezen.
Gedaagden dienen te betalen voor de werkzaamheden voor oprichting van de bv’s
4.19.
Tot slot vordert [eiseres] in factuur 2024-0787 betaling van gewerkte uren in verband met de oprichting van de bv’s in 2020 en 2021, voor een totaalbedrag van
€ 3.764,31. [eiseres] beroept zich voor deze werkzaamheden op de offerte van 14 juli 2021, waarin is bepaald dat haar ‘honorarium voor ondersteuning of communicatie’ op nacalculatie zou worden doorberekend op basis van een uurtarief van € 85,00 exclusief btw. Gedaagden voeren aan dat de factuur haaks staat op eerdere uitlatingen van [eiseres], waarin zij ‘zich de ogen uit zijn kop schaamde’ over de prijs van de oprichting van de bv’s. Ter zitting hebben gedaagden nog aangevoerd alles al te hebben betaald dat met de oprichting van de bv’s te maken heeft. [eiseres] heeft echter genoegzaam toegelicht dat het tarief van de door haar ingeschakelde fiscalist hoger is uitgevallen dan zij had gehoopt, maar dat dit zoals in de offerte is benoemd losstaat van haar eigen werkzaamheden. Ook hebben gedaagden onvoldoende onderbouwd dat zij [eiseres] al hebben betaald voor deze werkzaamheden, terwijl zij daarvoor ter zitting nog uitgebreid de kans hebben gekregen. Gedaagden zullen dus worden veroordeeld tot betaling van de gehele factuur.
Conclusie, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
4.20.
Resumerend zal de kantonrechter de volgende bedragen toewijzen:
Ten aanzien van [gedaagde 2]
Datum
Factuurnummer
Bedrag
1-4-2024
20240536
€ 359,98
1-5-2024
20240729
€ 359,98
10-5-2024
20240782
€ 0,00
10-5-2024
20240783
€ 1.526,62
10-5-2024 + 10-9-2024
20240786 + 20241298
€ 124,02
1-6-2024
20240866
€ 359,98
1-7-2024
20240981
€ 339,93
1-8-2024
20241098
€ 359,98
1-9-2024
20241242
€ 359,98
10-9-2024
20241297
€ 529,38
01-10-2024
20241355
€ 397,28
01-11-2024
20241489
€ 397,28
01-12-2024
20241605
€ 397,28
Totaal
€ 5.511,69
Ten aanzien van [gedaagde 1]
Datum
Factuurnummer
Bedrag
1-12-2023
20231470
€ 79,94
1-2-2024
20240218
€ 205,70
1-3-2024
20240386
€ 205,70
1-4-2024
20240535
€ 205,70
1-5-2024
20240728
€ 205,70
10-5-2024
20240781
€ 0,00
10-5-2024
20240784
€ 1.453,00
10-5-2024
20240785
€ 402,32
10-5-2024
20240787
€ 3.764,31
1-6-2024
20240865
€ 205,70
1-7-2024
20240980
€ 205,70
1-9-2024
20241097
€ 205,70
1-8-2024
20241241
€ 205,70
10-9-2024
20241295
€ 698,77
10-9-2024
20241296
€ 118,98
1-10-2024
20241354
€ 268,22
1-11-2024
20241488
€ 268,22
1-12-2024
20241604
€ 268,22
Totaal
€ 8.967,58
4.21.
Primair vordert [eiseres] deze bedragen te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen. [eiseres] doet ter onderbouwing hiervan een beroep op artikel 8.3 van de algemene voorwaarden versie 2023, maar gelet op het bepaalde onder 4.8 zijn deze algemene voorwaarden niet van toepassing op de werkzaamheden waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd. De kantonrechter zal daarom aansluiten bij de subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente.
4.22.
[eiseres] vordert ook een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Hij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag is, gelet op de gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen, hoger dan het bedrag zoals dat volgt uit het Besluit. Daarom zal ten aanzien van [gedaagde 2] een bedrag van € 650,58 en ten aanzien van [gedaagde 1] een bedrag van € 823,38 worden toegewezen.
4.23.
Omdat een aanzienlijk deel van de vordering wordt toegewezen, moeten gedaagden de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank zal daarbij het liquidatietarief toepassen dat hoort bij het toegewezen bedrag. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
119,40
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
983,40
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van € 5.511,69 aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot aan de dag van algehele betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van € 650,58 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiseres],
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 8.967,58 aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot aan de dag van algehele betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 823,38 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiseres],
5.5.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 983,40, te betalen aan [eiseres] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
1949