ECLI:NL:RBNHO:2026:249

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/15/372009 / JU RK 25-1644
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige toegewezen, perspectiefbesluit te prematuur

De gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, alsmede onderschrijving van een perspectiefbesluit dat het opgroeiperspectief bij de vader ligt. De moeder verzette zich tegen deze verzoeken en stelde dat zij aan de basisvoorwaarden voldeed en dat het perspectiefbesluit prematuur was.

De rechtbank nam kennis van de feiten, waaronder dat de minderjarige feitelijk bij de vader verblijft en dat de moeder belast is met het ouderlijk gezag. De GI had de moeder negen maanden gegeven om aan basisvoorwaarden te voldoen, maar zag onvoldoende inzet en samenwerking. De moeder ontkende dit en gaf aan wel aan voorwaarden te voldoen en meer contact te willen.

De rechtbank oordeelde dat verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging noodzakelijk is vanwege de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige en de problematiek bij de moeder. De GI moet betrokken blijven als regievoerder. Tegelijkertijd vond de rechtbank het perspectiefbesluit te prematuur, omdat het gebaseerd is op één observatiemoment en onvoldoende zicht is op de moeder. De moeder moet ruimte krijgen om te groeien in haar rol en samenwerking met de GI.

De beschikking verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot 16 juli 2026 en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad. Het perspectiefbesluit wordt niet onderschreven, zodat verdere hulpverlening gericht blijft op mogelijke thuisplaatsing of gelijke zorgverdeling.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, maar wijst het perspectiefbesluit af als te prematuur.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/372009 / JU RK 25-1644
Datum uitspraak: 16 januari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. B. Schoonewil, kantoorhoudende te Velsen-Zuid.
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende te [plaats] ,
hierna tezamen ook te noemen: de ouders,
en
[de partner van de vader],
hierna te noemen: de partner van de vader,
wonende te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 11 november 2025, ontvangen door de rechtbank op 24 november 2025;
  • het bericht van de GI van 26 november 2025, ingekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • de brief van de GI van 9 december 2025, ontvangen door de rechtbank op 11 december 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen van de zijde van de moeder van 2 januari 2026, ontvangen door de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en ondersteund door de grootvader moederszijde, als toehoorder (hierna: opa mz);
  • de vader;
  • de partner van de vader;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van zijn oma (mz). [de minderjarige] verblijft feitelijk bij zijn vader en de partner van de vader.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 16 januari 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader zonder gezag tot 16 januari 2026.
2.6.
De GI heeft op 9 december 2025 het perspectief van [de minderjarige] in een perspectiefbesluit vastgelegd. Dat perspectiefbesluit houdt in dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] bij zijn vader ligt en niet (meer) bij zijn moeder.

3.Het verzoek van de GI

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden en het perspectiefbesluit, inhoudende dat [de minderjarige] niet zal opgroeien bij de moeder, maar bij de vader, te onderschrijven. De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd.
3.2.
De GI heeft bij de start van de ondertoezichtstelling enkele basisvoorwaarden opgesteld: geen middelengebruik, psychische stabiliteit, een woning en betrouwbaarheid in nakomen van afspraken. Op basis van de mate en wijze van de inzet van de moeder om aan deze basisvoorwaarden te voldoen en de voortgang die op dit vlak zou worden geboekt, zou worden bepaald in hoeverre uitbreiding van het contact tussen de moeder en [de minderjarige] mogelijk is en waar uiteindelijk het opgroeiperspectief van [de minderjarige] komt te liggen. De GI heeft de moeder in totaal negen maanden de tijd geboden om een bepaalde mate van inzet te laten zien. De GI heeft echter, ondanks meerdere gesprekken ter verduidelijking van de basisvoorwaarden en verwachtingen van de moeder, geen vorderingen dan wel voldoende inzet van de moeder gezien. De moeder verzette zich juist (samen met opa mz) tegen de uitgezette lijn. In de periode daarna is daarom meer geïnvesteerd in het verbeteren van de samenwerkingsrelatie met de moeder. Na een evaluatiemoment hebben zowel de moeder als de opa mz het gesprek verlaten en hielden vanaf dat moment de ingezette hulpverlening volledig af. Tot op heden worden enkel de omgangsbegeleiders nog binnengelaten bij de moeder, zodat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wel doorgang kan blijven vinden. Concrete inzet vanuit de moeder met betrekking tot de basisvoorwaarden mist de GI nog steeds. Ook lijkt de duur van het contact met [de minderjarige] te lang voor de moeder om vol te houden. De omgangsbegeleiding heeft grote zorgen over het vermogen van de moeder om (langere tijd) sensitief en responsief op [de minderjarige] te reageren en bij hem aan te sluiten, wat een risico vormt op het opbouwen van een veilige hechtingsrelatie.
3.3
Gelet op de langdurige problematiek, de zorgsignalen vanuit de hulpverlening en de langdurig gestagneerde ontwikkelingen rondom de basisvoorwaarden, heeft de GI besloten dat de verwachting niet gerechtvaardigd is dat de situatie nog dusdanig zal verbeteren dat kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, een gelijke zorgverdeling tussen de ouders of een andere grote opvoedrol van de moeder. De GI heeft in dit kader ook gewezen op het onderzoeksverslag van Praktijk [Praktijk] van september 2025. Daarin wordt geconcludeerd dat bij de moeder sprake is van een beperkte sensitiviteit, responsabiliteit en wederkerigheid ten aanzien van [de minderjarige] . De GI heeft daarom het perspectiefbesluit genomen dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet langer bij de moeder ligt. De GI is voornemens om de komende periode nader te onderzoeken welke frequentie en vorm van contact tussen [de minderjarige] en de moeder het meest passend is. Ook vindt de GI het van belang om [de minderjarige] (verdere) ondersteuning te bieden om te begrijpen en te verwerken wat hij heeft meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder. De GI verwacht na een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van zes maanden af te kunnen schalen naar het vrijwillig kader, mits de vader op dat moment mede met het gezag over [de minderjarige] is belast en het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij hem ligt.

4.De standpunten van de belanghebbenden

4.1.
Door en namens de moeder is het volgende naar voren gebracht. De moeder kan zich uitdrukkelijk niet vinden in de door de GI genoemde argumenten ter onderbouwing van de verlenging van de ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing en het genomen perspectiefbesluit. De GI heeft van meet af aan, zonder onderbouwing, gesneden in het contact tussen haar en [de minderjarige] , wat het vertrouwen tussen de moeder en de GI direct heeft beschadigd. De weerstand die de moeder sindsdien richting de GI ervaart, wordt door de GI gepresenteerd alsof de moeder niet meewerkend zou zijn. Omdat de communicatie tussen haar en de GI niet soepel is, probeert de moeder juist via de opa mz het contact met de GI te onderhouden. De moeder staat wel goed in contact met overige hulpverleners. Daarnaast stelt de moeder dat zij aan alle door de GI gestelde basisvoorwaarden heeft voldaan. Zo is de huisvesting van de moeder op orde, gebruikt zij geen drugs, is zij in contact met de GGZ en komt zij alle afspraken na. Er is bij het nemen van het perspectiefbesluit in zijn geheel geen oog geweest voor het feit dat de moeder de eerste jaren zonder betrokkenheid van hulpverlening voor [de minderjarige] heeft gezorgd. Ook is haar niet de kans geboden om te laten zien dat zij een uitbreiding van het contact aankan. De GI is direct overgegaan tot het verkorten van het contact tussen [de minderjarige] en de moeder en het bepalen van het opgroeiperspectief van [de minderjarige] bij de vader. Dit is in strijd met de adviezen van Praktijk [Praktijk] en bovendien niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] geniet enorm van de tijd die hij met zijn moeder spendeert en de contactmomenten gaan overwegend goed. De moeder is daarom van mening dat het komende halfjaar gebruikt moet worden om meer zicht te verkrijgen op het functioneren van de moeder door onder andere het monitoren van het traject van de moeder bij de GGZ en het uitbreiden van het contact tussen de moeder en [de minderjarige] met de gelijktijdige inzet van opvoedondersteuning. Op die manier kan worden beoordeeld in hoeverre de moeder in staat is om meer zorg voor [de minderjarige] te dragen onder meer natuurlijke omstandigheden. Pas nadat de moeder deze kans heeft gekregen, kan wat de moeder betreft ruimte zijn voor het nemen van een perspectiefbesluit.
4.2.
De vader staat achter de verzoeken van de GI. Het gaat goed met [de minderjarige] bij de vader. De vader staat ervoor open om op den duur toe te werken naar een co-ouderschapsregeling, als de moeder laat zien dat zij hiertoe in staat is, maar ziet op dit moment nog geen mogelijkheden tot uitbreiding van het contact. De vader is voornemens zich de komende periode verder in te zetten voor het verkrijgen van gezag over [de minderjarige] .

5.De beoordeling door de rechtbank

ten aanzien van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De doelen van de ondertoezichtstelling zijn op dit moment nog niet behaald en ook op dit moment wordt [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreiging is gelegen in de persoonlijke (multi-)problematiek van de moeder op diverse leefgebieden. Ook bestaan zorgen over de (on)mogelijkheden van de moeder om op sensitieve en responsieve wijze bij [de minderjarige] aan te sluiten en hem te bieden wat hij nodig heeft in zijn verzorging en opvoeding. De nodige hulpverlening om de ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] weg te nemen wordt op dit moment onvoldoende geaccepteerd door de moeder, mede vanwege de ernstig verstoorde verstandhouding tussen de moeder en de GI. Het gebrek aan een goede samenwerking staat de voortgang van de hulpverlening dan ook in de weg. Dit heeft als gevolg dat de GI onvoldoende zicht heeft op het functioneren van de moeder en haar (on)mogelijkheden te groeien in haar opvoedvaardigheden en het contact met [de minderjarige] . De informatie die wel bij de GI bekend is, zijn terecht reden tot zorg. Dit maakt dat de rechtbank het noodzakelijk acht dat de GI ook de komende periode als regievoerder bij [de minderjarige] betrokken blijft om ervoor te zorgen dat de nodige hulpverlening, in ieder geval ten aanzien van [de minderjarige] , wordt in- en doorgezet. Het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden zal daarom worden toegewezen zoals verzocht. De rechtbank geeft de GI mee om een manier te vinden om constructief samen te werken met de moeder. Tegelijkertijd is het aan de moeder om een manier te vinden om vertrouwen te krijgen in de GI en de door de GI aangeboden hulpverlening. Alleen als dit slaagt en de GI en de moeder tot een goede samenwerking kunnen komen, kan – in het belang van [de minderjarige] – het benodigde inzicht in de persoonlijke situatie van de moeder komen, zodat goed beoordeeld kan worden wat nodig is in het kader van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] . De rechtbank overweegt daarbij ten aanzien van de duur van de verzochte verlengingen van de maatregelen dat de (langdurige) aard en de ernst van de zorgen, de benodigde hulpverlening en de nog relatief korte periode van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zich moeilijk laten verenigen met de door de GI verzochte verlengingstermijn van slechts zes maanden. Een langere periode lijkt in dit geval passender te zijn.
5.2.
Ook is de rechtbank van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] Gelet op de ook nu nog bestaande zorgen, is een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder op dit moment niet aan de orde. De rechtbank acht het van belang dat het verblijf van [de minderjarige] bij de vader, waar het goed met hem gaat, de komende periode wordt voortgezet en gewaarborgd. De rechtbank zal daarom ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen voor de duur van zes maanden, zoals verzocht.
ten aanzien van het perspectiefbesluit
5.3.
Ten aanzien van het perspectiefbesluit overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het door de GI genomen perspectiefbesluit, inhoudende dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet langer bij de moeder ligt, te prematuur is genomen. Zo zijn de conclusies van Praktijk [Praktijk] gebaseerd op slechts één observatiemoment bij de moeder thuis. Dat is dan ook onvoldoende om nu al tot de verregaande conclusie te kunnen komen dat het perspectief van [de minderjarige] definitief niet meer bij de moeder ligt. De GI heeft nog onvoldoende zicht op de moeder en haar opvoedvaardigheden, mede vanwege de verstoorde verstandhouding tussen de GI en de moeder. Daarom is tot op heden onvoldoende concrete hulpverlening ingezet om de moeder in dit kader de nodige handvaten te bieden. Dat de moeder op dit moment onvoldoende lijkt aan te sluiten bij [de minderjarige] tijdens de omgangsmomenten, waardoor volgens de GI soms spanning in het contact ontstaat en de moeder op sommige momenten lijkt “uit te checken” en dan nauwelijks reageert op [de minderjarige] , acht de rechtbank ook zorgelijk. Gelet op de jonge leeftijd van de moeder en haar eigen ontwikkeling, is het echter van belang dat de moeder de nodige tijd en ruimte geboden wordt om te groeien in haar rol als moeder en samenwerking met de GI. Van de GI wordt een zekere mate van geduld en bereidheid verwacht die de moeder in staat stelt om haar weg te vinden in het aangaan van een samenwerkingsrelatie met de GI en het contact met [de minderjarige] in het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling. Bovendien is niet gebleken dat [de minderjarige] last heeft van het ontbreken van duidelijkheid rondom zijn opgroeiperspectief. De rechtbank zal daarom het perspectiefbesluit van de GI niet onderschrijven, wat betekent dat ook de komende periode hulpverlening moet worden ingezet met als doel een (gedeeltelijke) thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, dan wel een gelijke zorg- en opvoedbelasting van de vader en de moeder.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige]tot 16 juli 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een voorziening voor pleegzorg tot 16 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, mr. C.E. Voskens en mr. M.H. Simons, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026, in aanwezigheid van
mr. J.E. van Veen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.