ECLI:NL:RBNHO:2026:2472

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
HAA 25/2809
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6 EVRMArt. 7:610 BWArt. 61 WWArt. 62 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering wegens niet aannemelijk dienstverband en betalingsonmacht ex-werkgever

Eiser verzocht het UWV om een WW-uitkering wegens betalingsonmacht van zijn (ex-)werkgever. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij gedurende de gehele periode van 1 april 2023 tot 1 maart 2024 een dienstverband had. De werkgever was failliet verklaard op 3 december 2024, maar uit bankafschriften bleek dat deze tot en met februari 2024 nog betalingen verrichtte.

Eiser stelde dat er al in augustus 2023 sprake was van betalingsonmacht en dat hij gedurende de gehele periode in dienst was. De rechtbank oordeelde dat eiser slechts loonbetalingen over de eerste drie maanden ontving en geen verifieerbare bewijsstukken over de periode daarna had overgelegd. Ook was niet aannemelijk dat hij na september 2023 nog arbeid verrichtte.

De rechtbank concludeerde dat het dienstverband was geëindigd voordat de werkgever in een blijvende toestand van betalingsonmacht verkeerde, waardoor geen recht op WW-uitkering bestond. Ook was geen sprake van uitzonderingsgronden uit artikel 62 WW Pro. Het beroep tegen het bestreden besluit II werd ongegrond verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk. De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn af en veroordeelde het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt afgewezen en het UWV heeft terecht de WW-uitkering geweigerd wegens het ontbreken van een dienstverband na september 2023 en het ontbreken van betalingsonmacht van de werkgever in die periode.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2809

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Alkmaar , eiser

(gemachtigde: mr. M. Hoefs),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: S. Gootjes).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) wegens betalingsonmacht van zijn (ex-)werkgever. Eiser is het niet eens met de afwijzing en stelt dat er gedurende de periode van 1 april 2023 tot en met 1 maart 2024 sprake is geweest van een dienstverband. Verder stelt eiser dat reeds in augustus 2023 al sprake was van een betalingsonmacht. Ook is volgens eiser sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Bij besluit van 10 oktober 2024 (het primaire besluit I) heeft het Uwv de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de WW niet in behandeling genomen omdat eiser niet de door het Uwv verzochte bewijsstukken heeft aangeleverd.
2.2.
Bij besluit van 17 januari 2025 (het primaire besluit II) heeft het Uwv de aanvraag van eiser voor een WW-uitkering, nadat eiser alsnog bewijsstukken heeft overgelegd, afgewezen.
2.3.
Bij besluit van 20 mei 2025 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. V.Y. Jokhan en de gemachtigde van het Uwv.
2.6.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen om een aanvullend verweerschrift voorzien van een nadere motivering te overleggen.
2.7.
Het Uwv heeft op 10 december 2025 een aanvullend verweerschrift (het bestreden besluit II) ingediend, waarbij zij de grondslag van de afwijzing heeft gewijzigd. Eiser heeft in zijn reactie daarop laten weten het niet eens te zijn met deze gewijzigde grondslag.
2.8.
Partijen hebben in hun schrijven van 10 december 2025 en 18 december 2025 te kennen gegeven geen nadere zitting te wensen, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.
2.9.
Bij brief van 23 december 2025 heeft mr. M. Hoefs, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Totstandkoming van het besluit

3.1.
Eiser was sinds 1 april 2023 werkzaam voor [(ex) werkgever] b.v. ((ex-)werkgever). Per 1 maart 2024, is het dienstverband van eiser opgezegd. Op 3 december 2024 is het faillissement van de (ex-)werkgever uitgesproken.
3.2.
Eiser heeft op 11 april 2024 het Uwv verzocht om met toepassing van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van zijn (ex-)werkgever. wegens betalingsonmacht over te nemen (faillissementsuitkering).
3.3.
Naar aanleiding van deze aanvraag en de hierna volgende interne fraudemelding is het Uwv een onderzoek gestart. Het onderzoek heeft onder meer bestaan uit het raadplegen van Suwinet, Suwi bedrijvenregister, Polis+, K3CR, Sonar en het KvK handelsregister. Verder zijn de bankafschriften van de (ex-)werkgever opgevraagd en zijn de door eiser overgelegde bankafschriften, zijn arbeidsovereenkomst en de salarisspecificaties bestudeerd. Tevens heeft op 16 oktober 2024 een gesprek plaatsgevonden. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in het onderzoeksrapport van 11 december 2024. Hierin is geconcludeerd dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een privaatrechtelijke rechtsbetrekking. Niet is immers komen vast te staan hoe lang en gedurende welke periode eiser een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gehad. Eiser heeft ook geen objectieve en controleerbare gegevens aangeleverd die de aard van zijn werkzaamheden gedurende het gehele dienstverband bevestigen.
3.4.
Bij het bestreden besluit I heeft het Uwv de primaire besluiten in stand gelaten. In de door eiser aangeleverde arbeidsovereenkomst ontbreken essentiële onderdelen waaronder het salaris en de functie en werkzaamheden. Daarnaast komt de op de arbeidsovereenkomst vermelde arbeidsduur niet overeen met de gegevens uit de loonadministratie. De drie ontvangen loonbetalingen in de maanden mei en juni 2023 bevestigen dan wel het bestaan van een arbeidsrelatie, maar bieden geen bewijs voor een doorlopend dienstverband voor de volledig vermeende arbeidsovereenkomst. Hoewel het aannemelijk is dat eiser in april 2023 voor de (ex-)werkgever heeft gewerkt, is de omvang van de arbeid in de geclaimde periode niet vast te stellen noch te verifiëren. Gelet hierop is het dan ook niet aannemelijk geworden dat tussen eiser en zijn (ex-)werkgever een arbeidsovereenkomst bestond.
3.5.
In het bestreden besluit II heeft het Uwv de aan de afwijzing ten grondslag gelegde motivering gewijzigd. Het Uwv gaat er hierbij vanuit dat er in de periode van 1 april 2023 tot en met de tweede week van september 2023 sprake is geweest van een dienstverband. Nadien valt echter volgens het Uwv niet meer vast te stellen of sprake is geweest van een dergelijk dienstverband. Nu het dienstverband van eiser al was geëindigd voordat de (ex-)werkgever kwam te verkeren in een blijvende toestand van betalingsonmacht, bestaat geen recht op een WW-uitkering.

Standpunt eiser

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat gedurende de gehele periode van 1 april 2023 tot en met 1 maart 2024 sprake is geweest van een dienstverband. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de door hem overgelegde stukken van onder meer de curator omtrent het faillissement van de (ex-)werkgever. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat het Uwv er ten onrechte vanuit gaat dat de (ex-)werkgever tot en met april 2024 nog niet verkeerde in een blijvende toestand van betalingsonmacht. Uit het faillissementsverslag van 2 april 2025 volgt immers dat in augustus 2023 al reeds sprake was van een betalingsonmacht. Verder stelt eiser dat sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de door het Uwv opgevraagde bankafschriften van de (ex-)werkgever niet aan hem zijn overgelegd. Het Uwv mocht zich dan ook niet op deze stukken beroepen. Tot slot stelt eiser dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

Standpunt Uwv

5. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de WW-aanvraag van eiser terecht is afgewezen. Het Uwv acht het aannemelijk dat eiser in de periode van 1 april 2023 tot en met de tweede week van september 2023 werkzaamheden heeft verricht voor zijn (ex-)werkgever en over die periode sprake is geweest van een dienstverband. Met ingang van de tweede week van september 2023 kan de voortduring van het dienstverband volgens het Uwv echter niet meer worden vastgesteld, omdat onder meer vanaf dat moment nauwelijks tot geen betalingen van treinkaartjes ter hoogte van een enkeltje Alkmaar (Noord)-Hoorn zichtbaar zijn op de bankafschriften. Eiser heeft verder niet met concrete en verifieerbare stukken het tegendeel bewezen. Daarnaast is volgens het Uwv is in de periode tot en met april 2024 geen sprake van blijvende betalingsonmacht bij de (ex)-werkgever. Uit de zakelijke bankafschriften volgt immers dat tot en met april 2024 regelmatig zakelijke betalingen werden verricht. Gelet hierop bestaat dan ook geen recht op een WW-uitkering, omdat het dienstverband van eiser al was geëindigd voordat zijn (ex-)werkgever in een toestand van blijvende betalingsonmacht kwam te verkeren. Daarbij geldt dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie zoals bedoelt in artikel 62, eerste lid, onder a en b van de WW.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geding
6.1.
De rechtbank stelt vast dat in het aanvullende verweerschrift (het bestreden besluit II) de grondslag voor de afwijzing van de WW-uitkering ten opzichte van het bestreden besluit I is gewijzigd. Om die reden merkt de rechtbank het aanvullend verweerschrift aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van dit artikel wordt het beroep van eiser mede geacht te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. Nu het bestreden besluit I is vervangen door het bestreden besluit II en niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat bestreden besluit I, zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren.
6.2.
De rechtbank zal hierna beoordelen of het bestreden besluit II stand kan houden.
Daarvoor beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht de WW-aanvraag van eiser heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Beoordelingskader
7.1.
In artikel 61 van Pro de WW is bepaald, voor zover hier van belang, dat een werknemer recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk IV, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft.
7.2.
Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de WW heeft de werknemer, wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61 van Pro de WW, geen recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, tenzij:
a. een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden, die tot die toestand hebben geleid; of
b. de werknemer een recht heeft op betaling van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of andere bedragen als bedoeld in artikel 61 WW Pro, dat geen verband houdt met een toestand als bedoeld in artikel 61 WW Pro en dat niet geldend kan worden gemaakt uitsluitend wegens die toestand.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij van 1 april 2023 tot en met 1 maart 2024 als werknemer in dienst is geweest van zijn (ex-)werkgever?8. Zodra is voldaan aan de eisen genoemd in artikel 7:610 BW Pro, te weten betaling van loon, persoonlijke arbeidsverrichting en het bestaan van een gezagsverhouding is sprake van een dienstbetrekking.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor zover er door eiser werkzaamheden zijn verricht voor zijn (ex-)werkgever sprake is van een gezagsverhouding. Sinds het bestreden besluit II is ook niet meer in geschil dat eiser van 1 april 2023 tot en met de tweede week van september 2023 persoonlijk arbeid heeft verricht voor zijn (ex-)werkgever en voor die arbeid, zij het slechts ten dele, loon heeft ontvangen. Wat wel in geschil is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook na de tweede week van september 2023 nog persoonlijke arbeid voor zijn (ex-)werkgever heeft verricht. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat uit het dossier blijkt dat eiser sinds het begin van zijn dienstverband alleen over de eerste drie maanden loonbetalingen van zijn (ex-)werkgever heeft ontvangen, te weten op 4 mei 2023 (€ 1.500,62), op 7 juni 2023 (€ 500,00) en op 8 juni 2023 (€ 300,00). Als eiser inderdaad tot en met 1 maart 2024 voor zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt, zoals hij stelt, zou dat betekenen dat eiser lange tijd voor zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt zonder dat hij daarvoor werd uitbetaald. Dat is mogelijk, maar niet erg waarschijnlijk. Voorts acht de rechtbank, evenals het Uwv, van belang dat op de door eiser overgelegde afschriften van zijn bankrekeningen alleen dagelijkse betalingen van treinkaartjes, die overeenkomen met de door eiser aangegeven werkplaats en werktijden, tot en met de tweede week van september 2023 zijn te zien en eiser geen andere verifieerbare stukken of getuigenverklaringen heeft overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat hij ook nadien werkzaamheden heeft verricht. De verklaring van eiser dat hij vanaf de tweede week van september 2023 van zijn (ex-)werkgever contant geld ontving waarmee hij treinkaartjes in de NS-automaat kocht in plaats van die kaartjes met zijn bankpas te betalen maakt dat niet anders.
Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook na de tweede week van september 2023 nog persoonlijke arbeid heeft verricht voor zijn (ex-)werkgever, is eveneens niet aannemelijk geworden dat hij vanaf die week tot en met 1 maart 2024 als werknemer in dienst van zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt.
Sinds wanneer verkeerde de (ex-)werkgever in een blijvende toestand van betalingsonmacht?
9. Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook na de tweede week van september 2023 nog als werknemer in dienst was van zijn (ex-)werkgever moet, gelet op het bepaalde in artikel 62, eerste lid, van de WW, eerst worden vastgesteld wanneer de (ex-)werkgever kwam te verkeren in een blijvende toestand van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 61 van Pro de WW.
Op 3 december 2024 is de (ex-)werkgever van eiser failliet verklaard. Uit de bankafschriften van de (ex-)werkgever volgt onder meer dat door hem tot en met februari 2024 nog loon en/of fooi is betaald aan werknemers en dat er door hem tot en met april 2024 zakelijke rekeningen zijn betaald. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat de (ex-)werkgever in elk geval tot en met februari 2024 nog niet verkeerde in een blijvende toestand van betalingsonmacht.
Eisers standpunt dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is geweest omdat de door het Uwv opgevraagde bankafschriften van de (ex-)werkgever niet aan hem zouden zijn overgelegd, volgt de rechtbank niet. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat die afschriften aan eiser dan wel zijn gemachtigde zijn toegestuurd.
Is er sprake van één van de uitzonderingsgronden van artikel 62, eerste lid, van de WW?
10.1
Omdat, zoals hierboven is geoordeeld, de dienstbetrekking van eiser bij zijn (ex-)werkgever is geëindigd voordat deze kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61 van Pro de WW, heeft een werknemer geen recht op een faillissementsuitkering tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in de a of b bepaling van artikel 62, eerste lid, van de WW.
Voor wat betreft de eerste uitzonderingssituatie is het de rechtbank is niet gebleken dat er een onmiskenbare samenhang bestaat tussen de omstandigheden die hebben geleid tot het eindigen van de dienstbetrekking en de betalingsonmacht van de (ex-)werkgever. Hierbij acht zij van belang dat uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat het enkele feit dat de financiële situatie van de (ex-)werkgever mogelijk al slecht was, onvoldoende is voor het aannemen van een duidelijke samenhang. Daarbij komt verder dat in het onderhavige geval vaststaat dat de (ex-)werkgever na het einde van eisers dienstbetrekking is doorgegaan met het betalen van (andere) werknemers en leveranciers. Niet is de rechtbank dan ook gebleken van een onmiskenbare samenhang.
Voor wat betreft de tweede uitzonderingssituatie geldt dat vaststaat dat eiser na 4 mei 2023 geen volledige loonbetalingen meer heeft ontvangen van zijn (ex-)werkgever. Uit de in het dossier aanwezige stukken volgt verder dat eiser pas op 7 april 2024 en 23 augustus 2024 zijn (ex-)werkgever heeft verzocht om het achterstallige salaris te betalen. Gelet op de lange tussenliggende periode is de rechtbank van oordeel dat door eiser onvoldoende voortvarend en gericht actie is ondernomen om zijn vorderingen betaald te krijgen. Hoewel de rechtbank het begrijpelijk acht dat eiser er voor heeft gekozen, gelet op zijn culturele achtergrond, niet eerder stappen te ondernemen, is dit een keuze die echter voor zijn rekening en risico dient te blijven. Dat eiser desgevraagd ter zitting heeft toegelicht dat hij zijn (ex-)werkgever eerder heeft verzocht om het salaris uit te betalen maakt dit niet anders. Eiser heeft deze stelling immers niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd.
10.2
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is in het onderhavige geval dan ook geen sprake van één van de uitzonderingsgronden van artikel 62, eerste lid, van de WW. Het Uwv heeft eisers aanvraag op grond van dat artikel dan ook terecht afgewezen.
Redelijke termijn
11. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, waardoor eisers verzoek om een schadevergoeding wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

12.1.
Gelet op het hiervoor vermelde zal de rechtbank eiser in zijn bezwaren gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren.
12.2.
Het beroep gericht tegen het bestreden besluit II is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het Uwv terecht geen WW-uitkering aan hem heeft toegekend.
12.3.
Gelet op het onder 6.1 vastgestelde met betrekking tot het bestreden besluit I moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en zal de rechtbank het Uwv veroordelen in de door eiser in verband daarmee gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. In het onderhavige geval bedraagt deze vergoeding een bedrag van € 3.667,00. Hiervan is € 2.335,00 voor de proceskosten in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift,1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie op het aanvullend verweerschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1) en € 1.332,00 voor de proceskosten in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 3.667,00;
  • bepaalt dat het Uwv het door eiser betaalde griffierecht van € 53,00 vergoedt, en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.