ECLI:NL:RBNHO:2026:2460

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/15/373529
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 3:173 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot inzage huurovereenkomsten en afwijzing overige inzageverzoeken na beëindiging vennootschap

Partijen waren vennoten in een vennootschap onder firma die een kapperszaak dreef en gezamenlijk eigenaar waren van een vastgoedobject. Na beëindiging van de vof per 1 oktober 2016 is de afwikkeling nog niet voltooid. Eiser vordert inzage in diverse financiële en huurdossiers met betrekking tot het vastgoedobject.

De rechtbank overweegt dat eiser als deelgenoot recht heeft op rekening en verantwoording van de beheerder, maar dat zij voor bepaalde gevraagde informatie zelf toegang heeft via de bank. Daarom wijst de rechtbank de vordering tot inzage van huurovereenkomsten vanaf 1 oktober 2016 toe, met uitzondering van reeds in bezit zijnde stukken, en wijst de overige inzageverzoeken af wegens onvoldoende belang.

De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak wordt verwezen naar een volgende rolzitting voor verdere behandeling van de hoofdzaak.

Uitkomst: Vordering tot inzage huurovereenkomsten vanaf 1 oktober 2016 toegewezen, overige inzageverzoeken afgewezen, proceskosten gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373529 / HA ZA 26-31
Vonnis in incident van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. Z. Etemadi,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A. Seme.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding tevens incidentele vordering tot afgifte stukken met producties 1 tot en met 5
  • de conclusie van antwoord in het incident met producties 1 tot en met 6
  • de akte uitlaten producties in incident.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald in het incident.

2.De uitgangspunten

2.1.
Partijen hebben vanaf 2 januari 2006 samengewerkt in een vennootschap onder firma [bedrijf] (hierna: de vof). Zij oefenden gezamenlijk een kapperszaak uit.
2.2.
Op 12 juli 2010 hebben partijen gezamenlijk een appartementsrecht gekocht met betrekking tot een gebouw gelegen aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: het vastgoedobject). Uit de notariële akte van levering blijkt dat de bedrijfsruimte op de begane grond aan partijen is geleverd in hun hoedanigheid van vennoten in de vof. De twee bedrijfsruimten op de eerste verdieping zijn aan partijen in privé geleverd. De ruimtes op de eerste verdieping zijn vervolgens verbouwd tot studio’s en worden verhuurd.
Voor de aankoop van het vastgoedobject hebben partijen gezamenlijk een hypothecaire geldlening afgesloten bij de Rabohypotheekbank N.V. en de Coöperatie Rabobank ‘Regio Schiphol’ U.A.
2.3.
[eiser] heeft de vof opgezegd per 1 oktober 2016. De gevolgen van het einde van de vof zijn nog niet (volledig) afgewikkeld. Partijen zijn nog gezamenlijk eigenaar van het vastgoedobject.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
[eiser] vordert in de hoofdzaak - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van het overschot aan huurinkomsten aan [eiser], te vermeerderen met wettelijke rente,
2) primair: met betrekking tot het vastgoedobject bepaalt dat het wordt verdeeld en [gedaagde] veroordeelt daaraan zijn medewerking te verlenen, op straffe van een dwangsom.
Subsidiair: bepaalt dat het vastgoedobject moet worden verkocht aan een derde waarna de netto-opbrengst wordt verdeeld conform de eigendomsverhouding en [gedaagde] veroordeelt daaraan zijn medewerking te verlenen op straffe van een dwangsom.
Een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
3.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen niet nakomt. Zij stelt dat tussen partijen is afgesproken dat het (eventuele) overschot aan huurinkomsten uit de verhuur van het vastgoedobject extra zou worden afgelost op de uitstaande hypothecaire geldlening, maar dat [gedaagde] deze verplichting niet is nagekomen en het overschot aan huurinkomsten ook niet met haar heeft gedeeld naar rato van ieders eigendom in het vastgoedobject. Zij stelt dat zij voor 40% eigenaar is van de bedrijfsruimte op de begane grond en voor 50% eigenaar van de studio’s op de eerste verdieping.
3.3.
In het incident vordert [eiser]:
I [gedaagde] te bevelen binnen veertien dagen na het vonnis in incident, een afschrift te verstrekken, althans inzage te verstrekken van:
a. alle huurovereenkomsten met betrekking tot de studio’s, vanaf aankoopdatum van het
Vastgoedobject in 2010 tot en met de laatste en thans lopende huurovereenkomst,
b. huurovereenkomst(en) met betrekking tot de winkelruimte, vanaf aankoopdatum van
het Vastgoedobject in 2010 tot en met de laatste en thans lopende huurovereenkomst,
c. bankafschriften waarop de ontvangsten van de huurbetalingen zijn te zien over de
periode van 1januari 2024 tot en met 30 november 2025,
d. alle verzonden facturen voor de verhuur van de winkelruimte over de periode van 1
januari 2024 tot en met 30 november 2025,
e. een overzicht van de ontvangen huurinkomsten met betrekking tot de winkelruimte, per
jaar, over de periode van 2010 tot en met heden,
f. jaaroverzichten van de Rabohypotheekbank N.V. en de Coöperatie Rabobank “Regio
Schiphol” U.A., van het jaar 2010 tot en met 2024, met betrekking tot de afgeloste
bedragen, verrichte rentebetalingen en het dan nog openstaand bedrag.
Eén en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag en/of dagdeel dat [gedaagde]
in gebreke blijft volledig de achter a tot en met f genoemde afschriften, althans inzage te
verstrekken, met een maximum van € 250.000,00.
II. [gedaagde] te bevelen tot betaling aan [eiser] van de kosten van dit geding, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis in incident - voor het geval voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening.
3.4.
[eiser] legt aan haar vordering in het incident ten grondslag dat zij op grond van artikel 3:173 BW Pro als deelgenoot in de gemeenschap van [gedaagde], die het beheer voert over het vastgoedobject, jaarlijks rekening en verantwoording kan vorderen. Zij stelt dat [gedaagde] tot op heden weigert om die rekening en verantwoording af te leggen.
3.5.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat [eiser] geen belang heeft bij inzage van stukken over de periode vanaf 2010 tot 1 oktober 2016 omdat zij tijdens de samenwerking in de vennootschap de administratie voerde. Zij was de vaste contactpersoon naar buiten en bij de boekhouder en had daarmee directe inzage in alle financiële informatie. [gedaagde] stelt dat [eiser] ook na beëindiging van de vennootschap nog altijd de nodige informatie ontvangt van de boekhouder omdat het vastgoed op beider namen staat en zij met al haar vragen bij de boekhouder terecht kan.
Daarnaast wijst [gedaagde] erop dat partijen twee bankrekeningen hadden, één rekening op naam van de vof, via welke rekening de hypotheekbetalingen voor de begane grond verliepen tot het einde van de samenwerking in 2016 en één rekening op beider namen bestemd voor betaling van de hypotheek en ontvangst van de huurpenningen van de studio’s. Van deze laatste rekening worden na het beëindigen van de vof ook de hypotheekbetalingen voor de begane grond voldaan.
[gedaagde] verklaart dat hij ongeveer een jaar na het einde van de vof, omdat partijen nog niet tot afwikkeling van de vof kwamen, de bank over dat einde van de vof heeft geïnformeerd en navraag heeft gedaan over hoe verder. De bank heeft partijen toen bij brief van 4 oktober 2017 geïnformeerd dat omdat de samenwerking in de vof was geëindigd de lening die de vof bij de bank aanhield zal worden beschouwd als aangegaan met partijen zowel samen als ieder afzonderlijk handelend als enige maten van de fictieve maatschap genaamd [eiser] en [gedaagde]. [gedaagde] benadrukt dat [eiser] dan ook zelf op de bankrekening kan inloggen, de bankgegevens van de afgelopen 7 jaren kan downloaden waaronder ook de jaaroverzichten van de hypotheken en dat als zij meer informatie wil zij daar zelf bij de bank om kan vragen. [gedaagde] benadrukt verder dat hijzelf ook niet beschikt over informatie van langer dan 7 jaar geleden, behalve dan informatie over 2015 welke informatie hij hierbij overlegt maar die [eiser] volgens hem zelf ook moet hebben omdat zij toen nog verantwoordelijk was voor de administratie en contact had met de boekhouder. Hij stelt dat voor zover [eiser] zelf toegang heeft tot informatie van haar ook verwacht mag worden dat zij die weg bewandelt.
Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde informatie over huurovereenkomsten van de winkelruimte van na 1 oktober 2016 stelt [gedaagde] dat [eiser] hier geen belang bij heeft omdat zij na het einde van de vof geen recht meer heeft op enige bate daaruit.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering omdat 1) [eiser] geen gerechtvaardigd belang heeft bij de gevorderde informatie en 2) partijen in 2010 notarieel overeengekomen zijn dat de waardebepaling uitsluitend zal plaatsvinden naar de toestand in oktober 2016 en latere financiële gegevens daarom geen rol spelen. Bovendien zijn de door [eiser] verzochte stukken onvoldoende gespecificeerd.
3.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 195 juncto Pro artikel 194 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) biedt een partij, als zij daar voldoende belang bij heeft, de mogelijkheid via de rechter inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens te vorderen van een partij bij een rechtsbetrekking die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking. Het begrip rechtsbetrekking moet ruim opgevat worden. Het bestaan van een rechtsbetrekking hoeft verder nog niet in rechte vast te staan. De inzet van een procedure kan namelijk juist bestaan in de vraag of tussen partijen al dan niet een rechtsbetrekking bestaat. De partij die om inzage verzoekt hoeft bovendien, anders dan onder het oude inzagerecht (van artikel 843a Rv) vereist was, niet voldoende aannemelijk te maken dat zij een vorderingsrecht heeft; dit vereiste is bewust geschrapt voor het nieuwe inzagerecht in verband met het doel van het nieuwe inzagerecht: opheldering van feiten en het vroegtijdig en effectief beëindigen van het geschil tussen partijen.
3.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een rechtsbetrekking. Zij zijn vennoten geweest in een vennootschap onder firma, welke vof met ingang van 1 oktober 2016 is beëindigd, maar nog niet (volledig) is afgewikkeld. Verder zijn partijen gezamenlijk eigenaar van het vastgoedobject en hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening op dit vastgoedobject.
3.8.
Verder is niet in geschil dat [gedaagde] het beheer heeft gevoerd en voert over dit vastgoedobject. In beginsel heeft [eiser] als deelgenoot in de eenvoudige gemeenschap van dit vastgoedobject het recht om van [gedaagde] als beheerder rekening en verantwoording te vorderen. Zij vordert in dat kader inzage in verschillende bescheiden. De rechtbank zal hierna per post beoordelen of de vordering van [eiser] toewijsbaar is.
Alle huurovereenkomsten met betrekking tot de studio’s en de winkelruimte, vanaf aankoopdatum van het Vastgoedobject in 2010 tot en met de laatste en thans lopende huurovereenkomst
3.9.
[eiser] heeft als mede-eigenaar van het vastgoedobject recht op inzage in deze huurovereenkomsten. Dit deel van haar vordering zal worden toegewezen, met uitzondering van de huurovereenkomsten die zij in juli 2024 aan [gedaagde] heeft toegestuurd en die kennelijk al in haar bezit zijn. Bij inzage in die huurovereenkomsten heeft zij dus geen belang.
Bankafschriften waarop de ontvangsten van de huurbetalingen zijn te zien over de
periode van 1 januari 2024 tot en met 30 november 2025
3.10.
Uit de overgelegde hypotheekakte blijkt dat partijen één hypothecaire geldlening zijn aangegaan voor het gehele vastgoedobject. [eiser] heeft niet weersproken dat de bank de lening (na het beëindigen van de vof) beschouwt als aangegaan door de fictieve maatschap [eiser]/[gedaagde]. Dit betekent dat [eiser] als maat in deze fictieve maatschap en als mede rekeninghouder zelf rechtstreeks toegang heeft of kan krijgen tot de bankafschriften. Van haar mag ook verwacht worden dat zij eerst van die mogelijkheid gebruik maakt. Dit deel van haar vordering wordt afgewezen.
Alle verzonden facturen voor de verhuur van de winkelruimte over de periode van 1
januari 2024 tot en met 30 november 2025 en een overzicht van de ontvangen huurinkomsten met betrekking tot de winkelruimte, per jaar, over de periode van 2010 tot en met heden
3.11.
[eiser] wil weten of de winkelruimte is verhuurd (geweest) en zo ja voor welk huurbedrag. Hiervoor is in r.o. 3.10 al overwogen dat [eiser] al rechtstreeks toegang heeft tot de gewenste informatie omdat zij toegang heeft dan wel kan krijgen tot de bankafschriften. Daarom wordt geoordeeld dat zij onvoldoende belang heeft bij dit inzageverzoek. Dat geldt nog meer omdat de gevraagde informatie redelijkerwijs volgt uit de huurovereenkomsten. Dit deel van haar vordering wordt afgewezen.
Jaaroverzichten van de Rabohypotheekbank N.V. en de Coöperatie Rabobank “Regio
Schiphol” U.A., van het jaar 2010 tot en met 2024, met betrekking tot de afgeloste
bedragen, verrichte rentebetalingen en het dan nog openstaand bedrag
3.12.
Dit deel van de vordering wordt afgewezen. [eiser] heeft als medeschuldenaar zelf toegang tot de verzochte jaaroverzichten. Dit deel van haar vordering wordt afgewezen.
Conclusie
3.13.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist volgt dat de vordering tot inzage in de huurovereenkomsten voor de studio’s en de winkelruimte wordt toegewezen over de periode vanaf 1 oktober 2016 tot heden en dat de overige vorderingen worden afgewezen.
3.14.
Omdat beide partijen in het incident deels gelijk en deels ongelijk krijgen worden de kosten van dit incident zo gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

in het incident
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot het verstrekken van inzage aan [eiser] van alle huurovereenkomsten met betrekking tot de studio’s en de winkelruimte, met uitzondering van de huurovereenkomsten die zij in juli 2024 zelf aan [gedaagde] heeft verstrekt,
4.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.3.
compenseert de proceskosten zo dat ieder partij de eigen kosten draagt,
4.4.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in de hoofdzaak
4.5.
verwijst de zaak naar de rol van 29 april 2026 voor conclusie van antwoord,
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
1155