ECLI:NL:RBNHO:2026:2424

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/15/373655
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot medewerking verkoop woning na echtscheiding

Partijen zijn sinds 18 maart 2022 gescheiden en gezamenlijk eigenaar van een woning die nog onverdeeld is. In het echtscheidingsconvenant is bepaald dat de man de woning zou overnemen binnen zes maanden na inschrijving van de echtscheiding, maar dit is niet gebeurd. De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning, met dwangsom en indeplaatsstelling.

De man erkent onvoldoende actie te hebben ondernomen vanwege werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, maar is inmiddels weer aan het werk met een tijdelijk contract. Partijen bereiken overeenstemming dat de man een termijn van vier maanden krijgt om de woning over te nemen of alternatieve woonruimte te vinden.

De voorzieningenrechter wijst de subsidiaire vordering toe op die termijn en legt een dwangsom op voor het niet verlenen van medewerking. De man wordt veroordeeld tot diverse medewerkingshandelingen, waaronder het ondertekenen van verkoopopdrachten, toelaten van taxatie en bezichtigingen, en het betalen van de helft van de makelaars- en notariskosten. De verklaring voor recht dat de man vanaf 1 mei 2022 alle eigenaarslasten moet dragen wordt afgewezen vanwege het voorlopige karakter van het kort geding.

De proceskosten worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en treedt in de plaats van de medewerking van de man indien hij niet voldoet.

Uitkomst: Man wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop woning binnen vier maanden met dwangsom en indeplaatsstelling.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373655 / KG ZA 26-19
Vonnis in kort geding van 10 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. Hageman,
tegen
[de man],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. E.J. Huizinga.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 14
- een tweetal producties van de zijde van de man
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van de vrouw.
1.2.
Voor de mondelinge behandeling op 24 februari 2026 zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Hageman voornoemd en de man, bijgestaan door mr. Huizinga voornoemd.
1.3.
Tenslotte is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is op 18 maart 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een woning aan de [adres] te [postcode] [plaats 2] (hierna: de woning).
2.3.
In het echtscheidingsconvenant hebben partijen het volgende afgesproken over de woning:
3.5.
Gebruiksrecht echtelijke woning
3.5.1.
Het gebruiksrecht van de echtelijke woning (…) wordt per de 1e van de maand nadat de vrouw andere woonruimte heeft betrokken, voortgezet door de man. (…)
3.5.2.
De lasten die verbonden zijn aan de echtelijke woning worden tot het moment waarop de
gezamenlijke huishouding wordt gesplitst naar rato van inkomen voldaan en komen vanaf dat moment voor rekening van de man. Partijen hebben afgesproken dat de fiscale voordelen van echtelijke woning toekomen aan degene die feitelijk de rentekosten betaalt.
3.5.3
Aan de woning is een hypothecaire geldlening gekoppeld waarop wordt afgelost of waaraan een financieel product is gekoppeld dat waarde opbouwt. Partijen hebben afgesproken dat als de ene partij meer aflost of meer inleg afdraagt dan de andere partij, dit meerdere tussen partijen verrekend wordt bij de notaris op het moment dat de woning aldaar wordt verdeeld of wordt overgedragen aan de kopende partij.
3.6.
Eigendom echtelijke woning
3.6.1.
Het eigendom van de echtelijke woning (…) wordt toebedeeld aan de man, onder de verplichting om:
* de aan de woning verbonden hypothecaire geldleningen en overlijdensrisicoverzekeringen op zich te nemen en de vrouw te laten ontslaan uit haar hoofdelijke verbondenheid en te vrijwaren voor iedere aansprakelijkheid,
* de kosten die samenhangen met de overname van de hypothecaire geldleningen voor zijn rekening te nemen,
* de eventuele boeterente die de geldverstrekker in rekening brengt voor het oversluiten van de hypothecaire geldlening voor zijn rekening te nemen.
De kosten voor de notariële akte van verdeling en ontslag hoofdelijke verbondenheid zullen bij helfte worden gedeeld.
(…)
3.6.4.
De overdracht van het eigendom vindt plaats, uiterlijk binnen zes maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, tenzij partijen schriftelijk een latere datum
overeenkomen.
3.6.5
Indien blijkt dat de man niet binnen de genoemde termijn in staat is de woning over te nemen, zal de woning worden verkocht. De echtelijke woning wordt verkocht en overgedragen aan de eerste belangstellende die naar het oordeel van partijen een acceptabel bod uitbrengt. Een acceptabel bod is een bod dat maximaal 10% lager is dan de taxatiewaarde. De taxatie vindt zo snel mogelijk nadat duidelijk is geworden dat de woning niet kan worden overgenomen plaats, maar uiterlijk binnen twee weken na afloop van de in lid 4 gestelde termijn. De taxatie zal worden uitgevoerd door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen taxateur. Aangezien bij de afwikkeling van de scheiding uit is gegaan van een toebedeling aan één partij en de verkoop alleen plaatsvindt indien de woning toch niet kan worden toebedeeld hebben partijen afgesproken dat bij de verdeling van de verkoopopbrengst de verdeling zoals opgenomen in het bovenstaande artikel zoveel mogelijk wordt aangehouden. Indien de verkoopopbrengst hoger of lager is dan de waarde waarmee partijen hebben gerekend dan zal dat het verschil (dit kan zowel positief als negatief zijn) tussen deze twee bedragen bij helfte worden verdeeld.
2.4.
De vrouw verblijft sinds 1 mei 2022 niet meer in de woning.
2.5.
De woning is nog altijd onverdeeld. De man heeft meerdere keren achterstanden laten ontstaan in het betalen van de hypotheeklast.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert primair om haar te machtigen om de woning te gelde te maken, met veroordeling van de man om zijn medewerking te verlenen aan het verkooptraject, op straffe van een dwangsom.
Subsidiair vordert de vrouw (kort weergegeven) de man te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis, alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de woning aan derden. Verder vordert zij dat wordt bepaald dat als de makelaar zich onverhoopt terugtrekt, zij een andere makelaar de verkoopopdracht mag verstrekken en dat de man gehouden is aan deze makelaar zijn medewerking te verlenen, een en ander op straffe van een dwangsom en met in de plaats stelling van het vonnis voor de benodigde medewerking van de man aan de verschillende rechtshandelingen. Tenslotte vordert zij een verklaring voor recht dat de man gehouden is om conform het echtscheidingsconvenant vanaf 1 mei 2022 alle eigenaarslasten van de woning te voldoen, bij uitsluiting van de vrouw,
3.2.
De vrouw legt aan haar vorderingen ten grondslag dat van haar als deelgenoot in de gemeenschap niet gevergd kan worden nog langer in die gemeenschap te blijven. Zij voert aan dat partijen in het echtscheidingsconvenant afspraken hebben gemaakt over de woning maar dat sinds de inschrijving van de echtscheiding al meer dan drie jaar en acht maanden is verstreken zonder dat de man aantoonbaar actie heeft ondernomen om de woning over te nemen dan wel alternatieve woonruimte te zoeken, ondanks herhaalde verzoeken en sommaties van haar kant op dat punt. Daarbij wijst zij er op dat de man wel meerdere keren betalingsachterstanden heeft laten ontstaan, als gevolg waarvan zij uit hoofde van haar hoofdelijke aansprakelijkheid door de hypotheekverstrekker werd aangesproken.
3.3.
De man voert verweer. Hij erkent dat hij tot nu toe onvoldoende actie heeft ondernomen met betrekking tot de woning. Hij voert aan dat hij op enig moment zijn baan is kwijtgeraakt en vervolgens een tijd arbeidsongeschikt is geweest, maar dat hij sinds enige maanden weer werk heeft, weliswaar nu nog op basis van een tijdelijk contract, maar hij verwacht dat hij uiteindelijk een vast contract zal krijgen. Zijn werkgever heeft in december zijn arbeidscontract met zeven maanden verlengd tot 13 augustus 2026. Volgens zijn hypotheekadviseur zou hij op basis van zijn huidige inkomen de woning kunnen overnemen tegen de waarde die partijen in het convenant overeengekomen zijn, maar nog onzeker is of de ABN AMRO daarmee akkoord zal gaan.

4.De beoordeling

4.1.
Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt in die zin dat aan de man nog een termijn van vier maanden zal worden gegund. In die tijd kan hij zoeken naar alternatieve woonruimte en kan hij de woning laten taxeren en onderzoeken of hij op basis van de uitkomst van die taxatie de woning kan overnemen. Partijen verzoeken daarom de subsidiaire vordering van de vrouw toe te wijzen op een termijn van vier maanden.
4.2.
De subsidiaire vordering van de vrouw komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig en ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, behalve het navolgende.
4.3.
De sub VIII in het petitum van de dagvaarding gevorderde verklaring voor recht is niet toewijsbaar. Gelet op het voorlopige karakter van het kort geding, kan de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel geven over de rechtsverhouding tussen partijen, en daarover niet een definitieve uitspraak doen in de vorm van een verklaring voor recht. Deze vordering wordt daarom toegewezen op de wijze zoals onder de beslissing vermeld.
4.4.
De door de vrouw gevorderde dwangsom als prikkel tot het geven van medewerking door de man wordt alleen toegewezen (en gemaximeerd) met betrekking tot de vordering onder I. Voor zover de dwangsom ziet op het verrichten van verschillende rechtshandelingen, wordt deze afgewezen. De vrouw heeft naast de dwangsom ook indeplaatsstelling van het vonnis voor de benodigde medewerking van de man aan de betreffende rechtshandelingen gevorderd. Deze indeplaatsstelling zal worden toegewezen. Niet is gesteld of gebleken dat de vrouw naast die toewijzing voldoende belang heeft bij toewijzing van de gevorderde dwangsom.
4.5.
Omdat het geschil voortkomt uit de omstandigheid dat partijen voormalig echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de man om binnen vier maanden na de datum van dit vonnis alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de woning aan derden onder andere inhoudende:
  • het plaatsen van een handtekening onder een op te stellen verkoopopdracht voor de onroerende zaak van een nader door de vrouw uit te kiezen makelaar, tegen de naar plaatselijke maatstaven hoogst haalbare prijs en waarbij het advies van de makelaar inzake de (vraag)prijs bindend zal zijn;
  • het toelaten van de aangewezen makelaar in het onroerend goed;
  • het afgeven van een sleutel van de woning aan de aangewezen makelaar;
  • het toelaten van een taxatie van het onroerend goed;
  • het afwezig zijn bij de taxatie van het onroerend goed;
  • toestemming geven voor het laten maken van foto’s van het onroerend goed en daarbij afwezig zijn;
  • het toestaan van het plaatsen van “te koop”-borden en -biljetten in en bij het onroerend goed, en deze te laten staan c.q. hangen;
  • toestemming te geven tot het publiceren van het onroerend goed op de (Funda)-website;
  • het desgevraagd plegen van het benodigde onderhoud van het onroerend goed;
  • het tot genoegen van de makelaar opruimen en opgeruimd houden van het onroerend goed ten behoeve van het maken van de foto's en ten behoeve van bezichtigingen;
  • het toelaten van bezichtigingen;
  • het afwezig zijn bij bezichtigingen;
  • de aanwijzingen van de makelaar in verband met (bespoediging van de) verkoop op te volgen;
  • het beschikbaar zijn voor overleg met de makelaar op diens verzoek,
5.2.
veroordeelt de man tot betaling van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling van 5.1. voldoet tot dat een maximum van € 15.000,- zal zijn bereikt,
5.3.
bepaalt dat, als de benoemde makelaar zich onverhoopt terugtrekt, de vrouw gerechtigd is een andere makelaar de verkoopopdracht te verstrekken en de man gehouden is de door de vrouw gekozen makelaar eveneens de verkoopopdracht te verstrekken, waarbij de verplichtingen zoals hiervoor opgenomen in 5.1 van toepassing blijven,
5.4.
veroordeelt de man zijn medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen van de overeenkomst ten aanzien van de verkoop van de woning aan een derde, waarbij de leveringstermijn door de kopers wordt bepaald, en het advies van de makelaar ten aanzien van de verkooponderhandelingen en verkoopprijs wordt gevolgd,
5.5.
bepaalt dat de man met medeneming van een geldig legitimatiebewijs dient te verschijnen bij de door de kopers van de woning gekozen notaris op een door de notaris vast te stellen datum en tijdstip, de voor de levering op te maken notariële akte te ondertekenen volgens de door de notaris juist geachte tekst en verder al hetgeen te doen en uit te voeren wat door de notaris voor de levering noodzakelijk wordt geacht,
5.6.
veroordeelt de man de helft van de makelaarskosten en de notariskosten te betalen, alsmede de eventuele andere kosten die verband houden met verkoop en levering van de woning en de notaris opdracht te geven de kosten te verrekenen met zijn deel van de overwaarde,
5.7.
veroordeelt de man de woning op de aan de kopers te bepalen leveringsdatum schoon, ontruimd en zonder beschadigingen op te leveren, en alle sleutels van de woning aan de makelaar, dan wel notaris op die datum af te geven,
5.8.
bepaalt dat wanneer de man na betekening van dit vonnis zijn medewerking niet verleent aan de veroordelingen onder 5.4 tot en met 5.7 dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de man aan die rechtshandelingen,
5.9.
bepaalt dat de man om conform de afspraak in 3.5.2 van het echtscheidingsconvenant gehouden is om alle eigenaarslasten van de woning te blijven voldoen, bij uitsluiting van de vrouw,
5.10.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.12.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
1155