Eiser ontving een Tozo-uitkering over de periode maart tot en met mei 2020. Het college trok deze uitkering in en vorderde het bedrag van €3.156,96 terug wegens het niet overleggen van benodigde documenten om het recht op uitkering te controleren. Na bezwaar en aanvullende stukken werd het bedrag teruggevorderd over maart en mei 2020, een totaal van €2.104,64.
Eiser stelde dat het college de hoorplicht had geschonden door hem niet uit te nodigen voor een hoorzitting, wat in strijd zou zijn met het recht op hoor en wederhoor. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht inderdaad was geschonden, maar dat dit gebrek werd gepasseerd omdat eiser alsnog zijn standpunten kon toelichten tijdens de zitting en aanvullende stukken kon overleggen.
Verder voerde eiser aan dat de regeling met terugwerkende kracht was ingevoerd en dat dit in strijd was met rechtszekerheid en andere algemene rechtsbeginselen. De rechtbank stelde vast dat de regeling vóór het toekenningsbesluit was gepubliceerd en dat de terugwerkende kracht gerechtvaardigd was gezien de aard van de noodregeling.
Ten slotte betwistte eiser dat de winst waarop de terugvordering was gebaseerd, betrekking had op de juiste maanden. De rechtbank volgde het college dat zonder de gevraagde facturen het standpunt van eiser niet kon worden gecontroleerd en dat het college mocht uitgaan van de overgelegde stukken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bepaalde dat het college het betaalde griffierecht aan eiser moet vergoeden.